Op weg naar de AMLR: nieuwe kennisdocumenten over witwasbestrijding op een rij
/Het Anti Money Laundering Centre (AMLC) publiceerde op 30 april 2026 een overzicht van recente kennisdocumenten op het gebied van de witwasbestrijding. Het gaat om publicaties van het Financieel Expertise Centrum (FEC), het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) en de Financial Action Task Force (FATF). Gezamenlijk schetsen deze documenten een actueel beeld van de risico's, fenomenen en handhavingsinstrumenten waarmee de bijzonder-strafrechtpraktijk te maken krijgt. De timing is geen toeval: op 10 juli 2027 wordt de Anti-Money Laundering Regulation (Verordening (EU) 2024/1624, AMLR) rechtstreeks van toepassing in alle EU-lidstaten, en lopen ook de zesde antiwitwasrichtlijn (AMLD6) en de instelling van de Europese antiwitwastoezichthouder (AMLA) op stoom. In deze blog lopen we de zes belangrijkste publicaties langs.
Dividendstripping: het FEC-kennisdocument na vijf jaar geactualiseerd
Het FEC publiceerde een vernieuwd kennisdocument over dividendstripping met als peildatum 31 december 2025. Vijf jaar na de eerste versie uit 2021 is dit de eerste integrale update, met bijdragen van de AFM, de Belastingdienst, DNB, de FIOD, FIU-Nederland en het Openbaar Ministerie/Functioneel Parket.
Het document zet de verschijningsvormen van dividendstripping uiteen, beschrijft het juridische kader en gaat in op de strafrechtelijke aspecten. Specifiek licht het FEC toe waarom dividendstripping vaak samengaat met andere strafbare feiten, zoals oplichting, valsheid in geschrift, deelname aan een criminele organisatie en witwassen. In de Market Abuse Regulation (MAR) worden transacties die geen economische ratio hebben anders dan het tijdelijk overdragen van eigendom om fiscale redenen aangemerkt als wash trades en daarmee als manipulatief.
De update plaatst zich uitdrukkelijk in een veranderd handhavingslandschap. Per 1 januari 2024 is via de Wet aanpak dividendstripping (onderdeel van het pakket Overige fiscale maatregelen 2024) de bewijslast aangepast en is onder meer de registratiedatum wettelijk verankerd als het ijkmoment voor de gerechtigdheid tot dividend op beursgenoteerde aandelen. In het jaarverslag van de FIOD over 2023 werd al melding gemaakt van drie strafrechtelijke onderzoeken naar dividendstripping, een lijn die in 2024 en 2025 is voortgezet. Het nieuwe kennisdocument biedt aan opsporing en toezicht een uniform begrippenkader om signalen sneller te herkennen en gezamenlijk op te volgen.
Opknippen van trustdienstverlening: handvatten voor poortwachters
Op 6 april 2026 publiceerde het FEC daarnaast een factsheet over het 'opknippen' van trustdienstverlening. De factsheet vloeit voort uit een FEC-project waarin de FIOD, het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en DNB gezamenlijk informatie hebben gedeeld over illegale trustdienstverlening.
Met opknippen wordt de situatie bedoeld waarin een dienstverlener bewust de elementen van trustdienst b, namelijk domicilieverlening en aanvullende werkzaamheden, over verschillende partijen verdeelt om buiten de reikwijdte van de vergunningplicht uit de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) te blijven. Artikel 3, vierde lid, Wtt 2018 verbiedt deze ontwijkingsconstructie expliciet. De factsheet benoemt indicatoren die op opknippen kunnen wijzen, waaronder one-stop-shop-websites, referral fees, gedeelde adressen en domicilieverleners die online niet of nauwelijks vindbaar zijn.
Overtreding van het vergunningvereiste kwalificeert als economisch delict. Bestuursrechtelijke boetes kunnen oplopen tot vijf miljoen euro, terwijl strafrechtelijk een gevangenisstraf van maximaal twee jaar in beeld is. De factsheet sluit aan op een door DNB gesignaleerde stijging van het aantal signalen over illegale trustdienstverlening. In het kader van het in 2025 gestarte DNB-themaonderzoek naar illegale trustdienstverlening wordt in 2026 een afronding verwacht, die mogelijk tot handhavingstrajecten leidt. De factsheet is nadrukkelijk een document met indicatoren en geen bewijsmiddel: voor de juridische kwalificatie blijft een feitelijke beoordeling vereist of de vier bestanddelen van het opknipverbod zijn vervuld.
WODC: witwasrisico's bij kansspelen opnieuw gewogen
In het kader van de aanstaande inwerkingtreding van de AMLR heeft het WODC onderzoek laten doen door onderzoeksbureau Dialogic naar de witwasrisico's bij kansspelen. Op grond van artikel 4 AMLR kunnen lidstaten voor bepaalde deelsectoren van kansspeldiensten een vrijstelling van (een deel van) de verplichtingen verlenen, mits aantoonbaar sprake is van een laag risico. De Nederlandse vrijstellingen zijn nu nog opgenomen in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wwft.
Het eerste deelrapport van februari 2026 richt zich op de landgebonden deelsectoren. Ten opzichte van de risicoanalyse uit 2020 zijn er twee verschuivingen. Bij speelautomatenhallen wordt het risico nu als laag beoordeeld, waar dat eerder als 'niet laag' werd aangemerkt. Andersom worden landgebonden sportweddenschappen niet langer als laag risico geclassificeerd: de hogere mogelijke inzet, ruimte voor hedging en signalen vanuit de Nationale Politie wegen volgens de onderzoekers zwaarder dan voorheen. Voor loterijen en de totalisator (paardenweddenschappen) blijft de inschatting laag.
In april 2026 verscheen een addendum over online kansspelen. Aanbieders met een vergunning vallen reeds onder de Wwft en zijn verplicht tot cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties. Mede daardoor wordt het structurele witwasrisico via legale online kansspelen door Dialogic als laag beoordeeld, waarbij de onderzoekers verschillende routes hebben getoetst, zoals het storten van zwart geld op een gokaccount en uitkering als 'speelwinst'. De resultaten dienen als beleidsinput voor het besluit of, en zo ja in welke mate, de huidige Nederlandse vrijstellingen onder de AMLR worden voortgezet. Het onderzoeksrapport benadrukt dat de AMLR strenger en explicieter is in de onderbouwingseis dan het huidige regime, en dat een gedeeltelijke vrijstelling juridisch lastig houdbaar is omdat de kernverplichtingen van het antiwitwaskader (cliëntenonderzoek, monitoring en meldplicht) functioneren als een geïntegreerd geheel.
WODC: aanpak FINEC vergt combinatie van interventies
Op 10 februari 2026 publiceerde het WODC daarnaast het rapport Eenheid in veelzijdigheid bij de aanpak van financieel-economische criminaliteit, uitgevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam. Het onderzoek evalueert interventies die worden ingezet bij de drie hoofdvormen van FINEC: fraude, witwassen en milieucriminaliteit.
De centrale bevinding is dat afzonderlijke interventies vaak ontoereikend zijn en dat juist combinaties van strafrechtelijke, bestuursrechtelijke, civielrechtelijke, fiscale, tuchtrechtelijke en niet-juridische instrumenten noodzakelijk zijn om effect te bereiken. Tegelijk wijst het rapport op de complexiteit van die combinaties, zoals de juridische randvoorwaarden bij samenloop van handhavingstrajecten en de afstemmingslast tussen ketenpartners. Uit de literatuurstudie blijkt voorts dat de empirisch vastgestelde effectiviteit van interventies in het FINEC-domein zeer beperkt is, hetgeen de auteurs verklaren uit de aard van de problematiek (hoge winsten, lage pakkans, relatief lage straffen) en de schaarste aan evaluatieonderzoek. Het rapport pleit voor verder evidence-based onderzoek naar de werking van afzonderlijke en gecombineerde interventies. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk is het onderzoek vooral relevant omdat het de positie van het strafrecht binnen het bredere handhavingspalet expliciteert en de spanningen tussen strafrechtelijke en buitenstrafrechtelijke afdoening zichtbaar maakt.
FATF: offshore VASPs als blinde vlek in de virtuele activamarkt
Vanuit Parijs verschenen begin maart 2026 twee FATF-rapporten die voor de Nederlandse praktijk relevant zijn. Het eerste, Understanding and Mitigating the Risks of Offshore Virtual Asset Service Providers van 11 maart 2026, beschrijft hoe Virtual Asset Service Providers (VASPs) die opgericht zijn in jurisdicties met beperkte AML/CTF-verplichtingen wereldwijd diensten leveren, ook in jurisdicties met een streng regime zoals de EU.
Volgens het rapport heeft minder dan de helft (46 procent) van de onderzochte jurisdicties een 'activity-based' benadering ingevoerd, waarbij vergunning- of registratieplichten gelden op basis van de activiteit, ongeacht waar de aanbieder is gevestigd. De FATF beschrijft hoe malafide oVASPs de regelgeving ontwijken via complexe bedrijfsstructuren, nested VASP-constructies waarbij niet-vergunde aanbieders via tussenliggende rekeningen toegang krijgen tot het reguliere financiële systeem, mixers en chain hopping (het verplaatsen van waarde over verschillende blockchains). Het rapport bevat onder meer casuïstiek over scam compounds, terrorisme-financiering en sanctieontduiking, en illustreert hoe oVASPs als finale cash-out punten dienen voor de opbrengsten van large-scale fraude.
De FATF presenteert good practices voor het detecteren, registreren of vergunnen en sanctioneren van oVASPs, en doet aanbevelingen voor zowel publieke autoriteiten als private partijen. In de EU-context sluit dit aan op de Markets in Crypto-Assets Regulation (MiCA, Verordening (EU) 2023/1114) en de uitbreiding van de AMLR-reikwijdte naar aanbieders van cryptodiensten. Het rapport benadrukt dat poortwachters in de financiële sector een centrale rol vervullen bij het herkennen van nested relaties en het toepassen van due diligence op tegenpartijen die mogelijk via een offshore-structuur opereren.
FATF: stablecoins en unhosted wallets in P2P-transacties
Het tweede FATF-rapport, Targeted Report on Stablecoins and Unhosted Wallets, Peer-to-Peer Transactions van 3 maart 2026, richt zich op de risico's van stablecoins en unhosted wallets bij peer-to-peer transacties. Volgens het rapport waren medio 2025 meer dan 250 stablecoins in omloop met een gezamenlijke marktkapitalisatie van meer dan 300 miljard dollar. De FATF citeert cijfers van Chainalysis waaruit blijkt dat stablecoins in 2025 goed waren voor 84 procent van het illicit virtual asset transaction volume.
Centraal in het rapport staat de vaststelling dat P2P-transacties via unhosted wallets zich rechtstreeks tussen partijen voltrekken, zonder tussenkomst van een gereguleerde VASP of financiële instelling. Daarmee onttrekken deze transacties zich aan de gebruikelijke meld- en cliëntenonderzoekverplichtingen. Het rapport beschrijft hoe statelijke actoren, waaronder cyber-actoren uit Noord-Korea (DPRK) en proliferatie-financierders met banden met Iran, stablecoins inzetten voor het witwassen van opbrengsten uit ransomware en phishing en voor sanctieontduiking. Daarnaast spelen issuers volgens de FATF een rol bij cross-chain activiteiten die buiten de bestaande controles dreigen te vallen.
De aanbevelingen aan landen omvatten onder meer het stellen van risicogebaseerde technische en governance-eisen aan stablecoin-uitgevers, zoals de mogelijkheid om stablecoins in de secundaire markt te bevriezen, te vernietigen (burn) of terug te trekken, alsook smart-contract controls als allow-listing en deny-listing. Verder worden lidstaten opgeroepen tot versterking van de technische capaciteit van toezichthouders en opsporingsdiensten en tot snelle internationale informatie-uitwisseling. Het rapport laat de bestaande FATF-standaarden (in het bijzonder Recommendation 15) ongemoeid, maar verduidelijkt de toepassing daarvan op stablecoinarrangementen en P2P-transacties.
Afsluiting
De zes hier besproken kennisdocumenten verschillen in herkomst, methodiek en juridische status, maar hebben gemeen dat ze de aanloop markeren naar een nieuw Europees antiwitwaskader dat per 10 juli 2027 in werking treedt. Het FEC en het WODC concentreren zich op de Nederlandse handhavingspraktijk, met dividendstripping, illegale trustdienstverlening en kansspelen als concrete fenomenen, en met de bredere vraag hoe interventies in het FINEC-domein effectief kunnen worden ingezet. De FATF-rapporten verleggen de blik naar de internationale dimensie van virtuele activa, waar offshore-structuren, stablecoins en unhosted wallets nieuwe vragen oproepen voor toezicht en opsporing. Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk vormen deze documenten samen een momentopname van een handhavingslandschap dat in beweging is. Hoe de bevindingen doorwerken in beleid, wetgeving, toezicht en strafrechtelijke onderzoeken, zal de komende jaren blijken.
