Witwassen via Hong Kongse vennootschapsstructuur: gevangenisstraf van 24 maanden en ontneming van € 5,1 miljoen aan vervolgprofijt uit belastingfraude

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:996 (strafzaak) en ECLI:NL:GHSHE:2026:1002 (ontnemingszaak)

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden wegens feitelijk leidinggeven aan witwassen, valsheid in geschrift en belastingfraude door rechtspersonen binnen haar concern. In de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 5.157.336 als hoofdelijke verplichting met de medeverdachte. Het hof oordeelt dat het persoonlijke en zakelijke leven van de verdachte en de medeverdachte zo verweven is dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, waardoor de Hong Kongse vennootschap geen realiteitswaarde toekomt. De aan de vennootschapsbelastingheffing onttrokken gelden van ruim € 4,7 miljoen zijn vermengd geraakt met het overige vermogen en als gronddelict voor het witwassen aangemerkt. Het hof verwerpt alle door de verdachte zonder rechtsbijstand gevoerde verweren over rechtsmacht, onrechtmatige opsporing en schending van artikel 6 EVRM. Artikel 74 AWR vormt geen belemmering voor ontneming van vervolgprofijt uit aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddelen.

Inleiding en context

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch wijst gelijktijdig arrest in de strafzaak en de ontnemingszaak van een natuurlijk persoon, geboren in 1956, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. De zaak vormt het sluitstuk van het strafrechtelijk onderzoek Rockwood, dat aanvankelijk werd gestart naar aanleiding van een onderzoek door het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum Midden Nederland naar de aankoop van een jachthaven in 2014. Tijdens dat onderzoek kwam een in Hong Kong gevestigde financieringsvennootschap in beeld als financier, hetgeen aanleiding gaf tot een breder strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte en haar medeverdachte. De rechtbank Oost-Brabant heeft de verdachte op 23 december 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 maanden wegens vijf fraudefeiten. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft de verdachte zich tijdens de inhoudelijke behandeling op de zittingen van 6, 11 en 20 november 2025 en 15 januari 2026 niet door een raadsman of -vrouw laten bijstaan, hoewel zij eerder achtereenvolgens door zes verschillende advocaten is bijgestaan. Het hof oordeelt dat de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand en dat van schending van artikel 6 EVRM geen sprake is. De gelijktijdig behandelde ontnemingszaak betreft de vordering tegen de in 1936 geboren medeverdachte, waarin de rechtbank Oost-Brabant op 4 juli 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel had geschat op € 12.957.541.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij feitelijk leiding heeft gegeven aan vijf door rechtspersonen binnen haar concern gepleegde delicten. Onder feit 1 staat het medeplegen van witwassen door de in Nederland gevestigde handelsvennootschap centraal in de periode van 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011. Feit 2 betreft het witwassen door de Hong Kongse financieringsvennootschap in de periode van 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017. Feit 3 ziet op valsheid in geschrift door dezelfde Hong Kongse vennootschap door het opmaken van drie valse leningsovereenkomsten in de periode juli 2007 tot en met november 2008. Feit 4 betreft valsheid in geschrift door de Nederlandse handelsvennootschap door het opnemen van onjuiste facturen in de bedrijfsadministratie. Feit 5 ziet op het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting door deze Nederlandse handelsvennootschap over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 47, 51, 57, 225 en 420bis Sr en artikel 69 AWR. In de ontnemingszaak vormt artikel 36e Sr het wettelijk kader, waarbij ook de toepasselijkheid van artikel 74 AWR aan de orde is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert in de strafzaak bevestiging van het vonnis, met uitzondering van de strafmaat, en vordert oplegging van een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van voorarrest. In de ontnemingszaak vordert de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis van de rechtbank, waarmee een voordeelsbedrag van € 12.957.541 en een betalingsverplichting van € 10.059.288,50 zou worden gehandhaafd. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat sprake is van een patroon van belastingfraude dat ten grondslag ligt aan de aanwas van het vermogen van waaruit de financieringen zijn verstrekt, dat de Hong Kongse vennootschappen geen reële betekenis hebben en dat de verdachte en de medeverdachte indirect aan en van zichzelf lenen. De rapportage van de door de verdediging ingeschakelde deskundige acht de advocaat-generaal niet bruikbaar omdat deze aantoonbare onjuistheden bevat en niet verifieerbaar is.

Standpunt van de verdediging

De verdachte voert primair aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair dat bewijsuitsluiting moet volgen en meer subsidiair dat strafvermindering aangewezen is. Zij stelt dat Nederland geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 omdat deze in Hong Kong of Taiwan zijn gepleegd en de Hong Kongse vennootschap geen Nederlander is in de zin van artikel 7 Sr. Voorts betoogt zij dat de start van het strafrechtelijk onderzoek onrechtmatig is, dat de heimelijke doorzoeking van het bedrijfspand op 19 maart 2017 onrechtmatig is verlopen, dat het strafrechtelijk financieel onderzoek onvoldoende grondslag had en dat het Openbaar Ministerie de bewijslast heeft omgekeerd. Zij beroept zich tevens op schending van het recht op een eerlijk proces wegens vooringenomenheid van de rechtbank, schending van de onschuldpresumptie, dwang door beslagleggingen en schorsingsvoorwaarden en koerswijzigingen door het Openbaar Ministerie. Inhoudelijk bepleit zij vrijspraak met als kern dat een concreet gronddelict ontbreekt, dat van belastingfraude geen sprake is omdat de activiteiten via de Hong Kongse vennootschappen onder het territoriale stelsel aldaar legaal zijn gedreven en dat de leningsovereenkomsten niet vals zijn opgemaakt. Ten aanzien van feit 5 bestrijdt zij de gelieerdheid tussen de Nederlandse handelsvennootschap en de Hong Kongse vennootschap, het bestaan van een nieuw feit voor navordering en de toepasselijkheid van de verlengde navorderingstermijn, en beroept zij zich op een pleitbaar standpunt. In de ontnemingszaak voert de medeverdachte aan dat artikel 74 AWR aan ontneming in de weg staat, dat sprake is van vermogensvervuiling en cirkelredenering, dat vervolgprofijt is berekend zonder vaststaand bronvoordeel en dat de hoofdelijke aansprakelijkheid is opgelegd zonder vaststelling van het persoonlijk genoten voordeel.

Oordeel gerecht

Het hof verwerpt alle ontvankelijkheidsverweren onder verwijzing naar het toetsingskader uit HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889. Nederland heeft rechtsmacht omdat de bewezen verklaarde feiten ook in Nederland zijn gepleegd: de leningen zijn verstrekt via Nederlandse bankrekeningen aan Nederlandse besloten vennootschappen ter financiering van projecten in Nederland en Duitsland, en de valse leningsovereenkomsten zijn in Nederland gebruikt jegens de Belastingdienst. De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is rechtmatig, gelet op het samenstel van witwastypologieën waaronder het gebruik van offshorevennootschappen, de loanback-constructie, het ontbreken van transparantie, de bovengemiddelde rentepercentages tussen 7% en 10%, en de financieringen aan partijen die elders geen krediet konden verkrijgen. De heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv, terwijl het bevel ex artikel 126k Sv slechts zag op de voorbereiding daarvan. Het hof acht geen schending van artikel 6 EVRM en geen vooringenomenheid van de rechtbank.

Inhoudelijk past het hof het toetsingskader voor witwassen toe zoals geformuleerd in onder meer HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352. Het hof oordeelt dat het zogenoemde zes-stappenplan in dit geval geen toepassing vindt, omdat de verdachte en de medeverdachte een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring hebben gegeven over een legale herkomst uit jarenlange handel in legeronderdelen en onroerendgoedtransacties. Een bewezenverklaring is volgens het hof slechts mogelijk indien sprake is van een concreet gronddelict, te weten belastingfraude. Onder verwijzing naar HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 oordeelt het hof dat ook vermogensbestanddelen waarover de verdachte beschikt doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf. Het hof stelt vast dat de verdachte en de medeverdachte hun zakelijke en persoonlijke leven dusdanig hebben verweven dat zij fungeren als één economische eenheid, waardoor de Nederlandse handelsvennootschap en de Hong Kongse handelsentiteit niet als onafhankelijke derden kunnen worden beschouwd. Door middel van ABC-transacties is de winst die feitelijk aan de Nederlandse vennootschap toekwam, weggesluisd naar de Hong Kongse entiteit, die feitelijk slechts fungeerde als een bankrekening waarop transactiewinst werd afgeroomd. Volgens de Belastingdienst bedraagt het totaalbedrag van de in de periode 1998 tot en met 2015 niet aangegeven winsten € 15.857.279, met een ontdoken vennootschapsbelasting van € 4.729.793. Onder verwijzing naar HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578 oordeelt het hof dat dit bedrag zodanig vermengd is geraakt met het overige vermogen van € 46 miljoen in 2017 dat het gehele vermogen, en daarmee elke betaling daaruit, als gedeeltelijk middellijk uit misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt.

Ten aanzien van feit 3 oordeelt het hof dat de drie leningsovereenkomsten met de Taiwanese persoon vals zijn opgemaakt, omdat aan de daarin opgenomen verstrekkingen nooit uitvoering is gegeven en uit de in opdracht van de verdachte en de medeverdachte opgestelde declarations of trust blijkt dat zij steeds de ultimate beneficial owners zijn gebleven. Het hof spreekt de verdachte vrij van feit 4, omdat de tenlastegelegde onjuistheden van de facturen, hoewel sprake is van onzakelijke prijsstelling en winstafroming, niet bewezen kunnen worden zoals tenlastegelegd. Ten aanzien van feit 5 sluit het hof aan bij de uitspraak van de belastingkamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 december 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3548, waarin is geoordeeld dat aan de Hong Kongse handelsentiteit geen realiteitswaarde toekomt en de transacties en winsten aan de Nederlandse vennootschap moeten worden toegerekend. Het beroep op een pleitbaar standpunt verwerpt het hof, omdat de verdachte zich bewust was of had moeten zijn dat geen sprake was van onafhankelijke derden.

In de ontnemingszaak verwerpt het hof het verweer dat artikel 74 AWR aan ontneming in de weg staat, onder verwijzing naar HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703. Het hof oordeelt dat het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel, hetgeen tot vermogensvermeerdering heeft geleid. Voor de berekening van het vervolgprofijt hanteert het hof, in het voordeel van de betrokkenen, een rentepercentage van 9%, terwijl de financieringen aan derde partijen tegen 9% en 10% zijn verstrekt. Per jaar van ontduiking, voor de jaren 1998 tot en met 2015, wordt het ontdoken bedrag vermenigvuldigd met 9% en met het aantal jaren tot peildatum 2017, hetgeen leidt tot een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van € 5.157.336. Het hof rekent dit voordeel volledig toe aan de verdachte en de medeverdachte als gezamenlijke ultimate beneficial owners en wijst de ontnemingsvorderingen tegen de betrokken rechtspersonen af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen:

  • feit 1 primair: het medeplegen van witwassen door de in Nederland gevestigde besloten vennootschap in de periode van 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011 in Nederland en in Hong Kong, waarbij de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het lenen en uitlenen van bedragen tot € 6.150.000 en USD 13.500.000;

  • feit 2 primair: het witwassen door de Hong Kongse vennootschap in de periode van 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in Nederland en in Hong Kong, betreffende een lening van € 4.500.000;

  • feit 3 primair: het feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift door de Hong Kongse vennootschap in de periode juli 2007 tot en met november 2008, bestaande uit drie valse leningsovereenkomsten met een Taiwanese persoon;

  • feit 5 primair: het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015.

Voor feit 4 primair en subsidiair wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en ontneming

Bij de strafoplegging weegt het hof de aard en ernst van de feiten, het structurele karakter van de fraude en de aantasting van het vertrouwen in schriftelijke stukken met bewijsbestemming en in de Belastingdienst. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden passend, mede gelet op de oriëntatiepunten voor fraude. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaren in eerste aanleg en ruim twee jaren in hoger beroep, vermindert het hof de straf met zes maanden, zodat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden resteert, met aftrek van voorarrest. Het hof legt daarmee een aanzienlijk lichtere straf op dan de door de rechtbank opgelegde 60 maanden en de door de advocaat-generaal gevorderde 48 maanden. In de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank, stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 5.157.336 en legt aan de medeverdachte de hoofdelijke verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat, met de bepaling dat de duur van de gijzeling op grond van artikel 36e, elfde lid, Sr in samenhang met artikel 6:6:25 Sv wordt vastgesteld op het wettelijk maximum van 1080 dagen.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^