Belaging van een rechtspersoon: hof oordeelt dat stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een stichting mogelijk is

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1096

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een verdachte voor belaging van een stichting voor hulpverlening en bevestigt daarmee dat een rechtspersoon slachtoffer kan zijn van belaging in de zin van artikel 285b lid 1 Sr. De verdachte, een voormalig deelnemer aan een proefwonen-traject, belaagt de stichting gedurende meerdere maanden door veelvuldig locaties te bezoeken, te bellen, dreigende briefjes achter te laten en negatieve TikTok-video's te plaatsen. Het hof verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2000 waaruit volgt dat een rechtspersoon in beginsel beschikt over een persoonlijke levenssfeer waarop inbreuk kan worden gemaakt. Het Openbaar Ministerie wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de belaging van individuele medewerkers, wegens het ontbreken van individuele klachten als vereist op grond van artikel 285b lid 2 Sr. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken met aftrek van voorarrest en een locatieverbod voor de duur van drie jaren, dat dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Het hof acht het zorgwekkend dat eerdere maatregelen, waaronder een stopgesprek met de politie en een locatieverbod, de verdachte niet hebben weerhouden van zijn gedrag.

Inleiding en context

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelt in hoger beroep een strafzaak tegen een verdachte, een natuurlijk persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats, geboren in 2000, die wordt verweten dat hij een stichting voor hulpverlening aan kwetsbare personen na detentie stelselmatig heeft belaagd. De verdachte is een voormalig deelnemer aan een proefwonen-traject van de stichting. Nadat dit traject voortijdig en negatief wordt beeindigd, richt de verdachte zich gedurende een langere periode met intimiderende en bedreigende gedragingen tegen de stichting en haar medewerkers. Zowel de verdachte als de officier van justitie stellen hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2025. De politierechter verklaart in eerste aanleg de dagvaarding ten aanzien van de primair tenlastegelegde belaging nietig en veroordeelt de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde feit dwang. Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De zaak omvat twee gevoegde parketnummers. In de zaak met parketnummer 18-260537-25 wordt de verdachte primair verweten dat hij in de periode van 27 september tot en met 3 oktober 2025 wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de stichting en personen werkzaam voor de stichting, door meermaals bij panden langs te gaan, boodschappen via de camera door te geven, brieven en goederen in de brievenbus achter te laten en video's op TikTok te plaatsen waarin de stichting wordt genoemd. Subsidiair wordt dwang tenlastegelegd. In de zaak met parketnummer 18-234492-25 wordt de verdachte primair verweten dat hij in de periode van 14 februari 2025 tot en met 15 september 2025 dezelfde stichting heeft belaagd door veelvuldig te bellen, locaties te bezoeken, zich hinderlijk te gedragen, medewerkers op intimiderende wijze aan te spreken en negatieve berichten en video's op sociale media te plaatsen, gepaard gaande met dreigende uitspraken. Het wettelijk kader betreft artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (belaging). De centrale rechtsvraag is of een rechtspersoon slachtoffer kan zijn van belaging in de zin van dit artikel.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert veroordeling van de verdachte ter zake van de primair tenlastegelegde belaging in beide parketnummers. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de dagvaardingen voldoende bepaald en concreet zijn en gelezen dienen te worden in samenhang met het onderliggende dossier. Ten aanzien van de ontvankelijkheid stelt de advocaat-generaal dat de door de manager namens de stichting en haar medewerkers ingediende klacht voldoende is en dat het ontbreken van individuele klachten voorstelbaar is, gelet op de bescherming van de gegevens van medewerkers. De advocaat-generaal vordert een gevangenisstraf van tien weken met aftrek van het voorarrest en daarnaast een locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van drie jaren, inhoudende dat de verdachte zich niet mag ophouden in een straal van 100 meter van de locaties van de stichting, met veertien dagen vervangende hechtenis per overtreding en een maximum van zes maanden. De advocaat-generaal vordert tevens dat het locatieverbod dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert meerdere verweren. Ten eerste betoogt de verdediging dat de dagvaardingen in beide parketnummers nietig dienen te worden verklaard wegens onvoldoende bepaaldheid, nu onvoldoende feitelijk is omschreven ten aanzien van welke en hoeveel medewerkers de verwijten worden gemaakt. Ten tweede stelt de verdediging dat de dagvaardingen nietig dienen te worden verklaard omdat belaging van een rechtspersoon niet mogelijk is. Ten derde voert de verdediging aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is ter zake van de primair tenlastegelegde belaging, nu individuele klachten van de specifieke medewerkers ontbreken. Subsidiair wordt aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van het eerste deel van de tenlastegelegde periode in parketnummer 18-234492-25, omdat de klacht ten aanzien van dat deel niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden is ingediend. Ten aanzien van het bewijs betoogt de verdediging dat de pogingen van de verdachte om met de stichting in gesprek te gaan over de woninguitzetting weliswaar als onprettig en dwingend zijn ervaren, maar niet als strafbare feiten te kwalificeren zijn. Het dossier bevat volgens de verdediging onvoldoende steunbewijs en er is onvoldoende bewijs voor stelselmatigheid dan wel een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde dwang voert de verdediging aan dat geen sprake is van een voltooide dwang.

Oordeel gerecht

Het hof verwerpt het verweer inzake de nietigheid van de dagvaardingen wegens onvoldoende bepaaldheid. De tenlasteleggingen zijn, bezien in combinatie met het procesdossier, voldoende duidelijk. De verdachte heeft begrepen welke verdenkingen tegen hem bestaan, hetgeen ook blijkt uit zijn verklaringen bij de politie, de rechter-commissaris en de politierechter. Ten aanzien van de vraag of belaging van een rechtspersoon mogelijk is, oordeelt het hof dat dit geen geldigheidsgebrek van de dagvaarding oplevert, maar een inhoudelijke rechtsvraag betreft.

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie gedeeltelijk niet-ontvankelijk, namelijk voor zover de vervolging ziet op belaging van de individuele medewerkers. Op grond van artikel 285b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging wegens belaging alleen plaats na een klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Het dossier bevat uitsluitend een klacht ingediend door de manager namens de stichting en niet door individuele medewerkers. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2004:AQ4289) oordeelt het hof dat bij tenlastelegging van belaging van meerdere slachtoffers niet kan worden volstaan met een klacht. Het ontbreken van individuele klachten staat echter niet in de weg aan vervolging ter zake van belaging van de stichting zelf, nu daarvoor wel een klacht namens de stichting is ingediend. Het hof verwerpt het verweer inzake de klachttermijn en oordeelt dat deze bij belaging drie maanden na de laatste inbreukmakende gedraging eindigt, gelet op de stelselmatigheid als delictsbestanddeel.

Bij de inhoudelijke beoordeling oordeelt het hof dat de verdachte gedurende een periode van meerdere maanden veelvuldig op dreigende en intimiderende wijze de locaties van de stichting heeft bezocht, medewerkers heeft lastiggevallen, telefonisch contact heeft gezocht, dreigende briefjes door de brievenbus heeft gegooid en TikTok-video's heeft geplaatst waarin hij de stichting beledigt. De verdachte benadert medewerkers fysiek, trekt herhaaldelijk autoportieren open, springt voor auto's en uit bedreigingen. Het hof stelt vast dat de verdachte hiermee probeerde te bereiken dat hij weer zou worden toegelaten tot het proefwonen-traject en zich in wezen richtte tegen de rechtspersoon als hulpverlenende instantie. Ten aanzien van de kernvraag of een rechtspersoon slachtoffer kan zijn van belaging, verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2000 (ECLI:NL:HR:ZD1679), waaruit volgt dat een rechtspersoon in beginsel beschikt over een persoonlijke levenssfeer waarop inbreuk kan worden gemaakt. Het hof concludeert dat het gedrag van de verdachte diep heeft ingegrepen in de levenssfeer van de stichting. De stichting is gedwongen haar bedrijfsvoering en procedures aan te passen, medewerkers hebben zich ziekgemeld en de stichting heeft een 24-uursbeveiliger moeten aanstellen. Ook een stopgesprek door de politie en een eerder opgelegd locatieverbod weerhouden de verdachte niet. Het hof acht de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen zodanig dat sprake is van stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de stichting.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • belaging van de stichting in de periode van 27 september tot en met 3 oktober 2025, door meermaals bij panden van de stichting langs te gaan, boodschappen via de camera door te geven, brieven in de brievenbus achter te laten en video's op TikTok te plaatsen, met het oogmerk de stichting te dwingen iets te doen (parketnummer 18-260537-25, feit 1 primair);

  • belaging van de stichting in de periode van 14 februari 2025 tot en met 15 september 2025, door veelvuldig te bellen, locaties te bezoeken, zich hinderlijk te gedragen, medewerkers op intimiderende wijze aan te spreken en negatieve berichten en video's op sociale media te plaatsen, gepaard gaande met dreigende uitspraken, met het oogmerk de stichting te dwingen iets te doen (parketnummer 18-234492-25, feit 1 primair).

De verdachte wordt vrijgesproken van de onderdelen die niet bewezen zijn verklaard.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken met aftrek van het voorarrest. Bij de strafoplegging weegt het hof mee dat belaging een zeer hinderlijk en angstaanjagend feit is met grote impact. De stichting is door het gedrag van de verdachte belemmerd in haar doelstelling om kwetsbare mensen na detentie te ondersteunen. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat zelfs een stopgesprek met de politie, een opgelegd locatieverbod en de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis hem niet hebben weerhouden. Het hof heeft niet de indruk dat de verdachte tot inkeer is gekomen. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld. De reclassering onthoudt zich van advies en verwijst naar eerdere rapportages waaruit een hoog recidiverisico, beperkte motivatie en ernstig grensoverschrijdend gedrag naar voren komen.

Daarnaast legt het hof een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een locatieverbod voor de duur van drie jaren. De verdachte mag zich niet ophouden in een straal van 100 meter van de twee locaties van de stichting. Bij overtreding geldt een vervangende hechtenis van twee weken per keer, met een maximum van zes maanden. Het hof beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van het locatieverbod, gelet op de hardnekkigheid van het gedrag, de inschattingen van de reclassering en het ernstige risico op herhaling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^