Vrijspraak van witwassen van contante stortingen en een auto wegens ontbrekende wetenschap en onvoldoende onderzoek naar herkomstverklaring

Rechtbank Rotterdam 25 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6689

De rechtbank Rotterdam spreekt een vrouw vrij van het witwassen van contante geldbedragen van in totaal € 39.910 en een Mini Cooper. Op haar bankrekening worden over meerdere jaren contante bedragen gestort, terwijl zij een beperkt legaal inkomen heeft. Volgens de verdachte komt een deel uit de eenmanszaak van haar echtgenoot in de bouwsector en een deel uit verjaardags- en feestgeld. De rechtbank acht niet bewezen dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Voor de auto geeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over een lening en een erfenis, die het Openbaar Ministerie niet nader heeft onderzocht. De in beslag genomen auto wordt aan haar teruggegeven en de vordering tot verbeurdverklaring wordt afgewezen.

Inleiding en context

De verdachte is een in 1992 geboren vrouw. De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht. De zitting vindt plaats op 11 maart 2026. De verdachte beschikt over een bankrekening waarop gedurende meerdere jaren contante geldbedragen worden gestort, terwijl zij in die periode een beperkt legaal inkomen heeft. Haar echtgenoot drijft een eenmanszaak in de bouwsector. Eerder is over de in beslag genomen Mini Cooper een klaagschriftprocedure gevoerd.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, al dan niet in vereniging met anderen. Feit 1 ziet op contante geldbedragen van in totaal € 39.910 die in de periode van 1 december 2016 tot en met 14 oktober 2021 zijn verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet of waarvan gebruik is gemaakt, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren. Feit 2 betreft op dezelfde grondslag een personenauto, een Mini Cooper S Countryman, in de periode van 30 oktober 2020 tot en met 31 maart 2022. Centraal staan artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (opzetwitwassen) en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht (schuldwitwassen).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert dat de verdachte voor beide feiten wordt veroordeeld. Een concrete strafmaat wordt in de uitspraak niet vermeld. Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van de Mini Cooper.

Standpunt van de verdediging

De uitspraak bevat geen afzonderlijk weergegeven standpunt van de verdediging. Wel worden de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting weergegeven. Zij verklaart dat een deel van de contante stortingen afkomstig is uit de eenmanszaak van haar echtgenoot en dat een ander deel verjaardagsgeld van haar kinderen en geld van andere feestelijke aangelegenheden betreft. Over de auto verklaart zij dat zij € 9.500 heeft geleend van haar ene grootmoeder en dat € 6.000 afkomstig is uit de erfenis van haar andere grootmoeder. De lening en de erfenis zijn in de eerdere klaagschriftprocedure onderbouwd met schriftelijke verklaringen.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen onder meer vereist is dat vaststaat dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Bij feit 1 stelt de rechtbank vast dat van december 2016 tot en met medio oktober 2021 voor een totaalbedrag van € 39.910 contante stortingen boven € 450 zijn gedaan, in veel gevallen onder € 1.000, met als hoogste storting € 6.000 op 30 oktober 2020. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte wetenschap had van een criminele herkomst, zodat opzetwitwassen niet bewezen is. Voor de schuldvariant overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat in de bouwsector geregeld contant wordt betaald, en dat de stortingen niet een zodanige omvang hebben dat zij niet als omzet uit een onderneming in die sector verklaard zouden kunnen worden. De verdachte hoeft daarom niet redelijkerwijs te vermoeden dat de gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Ook schuldwitwassen acht de rechtbank niet bewezen.

Bij feit 2 hanteert de rechtbank het beoordelingskader voor witwassen zonder dat een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf valt te leggen. De aanschafprijs van € 15.500 is voor € 9.500 contant betaald en voor € 6.000 via een pinbetaling die op dezelfde dag werd voorafgegaan door een contante storting. Omdat de contante betaling net onder de meldgrens van € 10.000 blijft en aan de pinbetaling een contante storting voorafgaat, bestaat een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte geeft over de herkomst echter een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, te weten de lening en de erfenis. Het ligt dan op de weg van het Openbaar Ministerie om de schriftelijke verklaringen nader te onderzoeken. Niet gebleken is dat dit is gebeurd. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de auto is witgewassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt haar daarvan integraal vrij. Een opsomming van bewezen verklaarde feiten ontbreekt, omdat sprake is van volledige vrijspraak.

Strafoplegging en maatregelen

Door de vrijspraak van beide feiten komt de rechtbank niet toe aan strafoplegging. De vordering tot verbeurdverklaring van de Mini Cooper wordt afgewezen. De rechtbank beveelt de teruggave van de Mini Cooper S Countryman aan de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^