Online handelsfraude of "gewone oplichting"?

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5146

De rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelt een man uit 1979 voor online handelsfraude, oplichting, diefstal en diefstal met een valse sleutel, gepleegd tussen september 2023 en juni 2025. Hij biedt via WhatsApp, Facebook Messenger en Marktplaats telefoons en andere goederen te koop aan, int de betalingen en levert vervolgens niet. De verdediging erkent de feiten, maar bepleit dat het om gewone oplichting gaat en niet om online handelsfraude in de zin van artikel 326e Sr. De rechtbank verwerpt dat verweer en neemt op grond van het aantal aangevers en de modus operandi een gewoonte aan. Ook bij een feit met slechts één aangeefster komt de rechtbank tot online handelsfraude, door dat feit in samenhang met de overige feiten te bezien. De verdachte krijgt veertien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.

Inleiding en context

De zaak betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1979, die in eerste aanleg terechtstaat voor de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. De inhoudelijke behandeling vindt plaats op de zitting van 28 mei 2026, op tegenspraak. Ter zitting worden twee zaken met afzonderlijke parketnummers op grond van artikel 285 Sv gevoegd. De verdachte legt voor vrijwel alle feiten een bekennende verklaring af; het geschil spitst zich niet toe op de feiten zelf, maar op de juridische kwalificatie daarvan. Uit het dossier en het reclasseringsrapport van 22 februari 2026 komt een overwegend positief beeld naar voren: de verdachte woont bij zijn ouders, heeft een baan met uitzicht op een vast dienstverband, toont schuldbesef en is gestopt met harddrugsgebruik. Tegelijk wijst de reclassering op risicofactoren, waaronder een geschiedenis van middelenproblematiek en een langdurig pro-criminele houding. De verdachte is eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Onder parketnummer 02-042857-25 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 25 september 2023 tot en met 10 februari 2024 een gewoonte maakt van online handelsfraude door via de servers van WhatsApp en Facebook Messenger mobiele telefoons te verkopen zonder te leveren (feit 1 primair, artikel 326e Sr), met als subsidiair verwijt oplichting (artikel 326 Sr). Feit 2 betreft online handelsfraude via Marktplaats met betrekking tot Google Nest Hubs, een Wrepair model 45 en een Forward Blue lasermachine (artikel 326e Sr). Onder parketnummer 02-256044-25 wordt de verdachte verweten dat hij op 23 juni 2025 een pinpas van het bedrijf wegneemt (feit 1, artikel 310 Sr), met die pinpas een geldbedrag van € 830 wegneemt door middel van een valse sleutel (feit 2, artikel 311 Sr) en in augustus 2024 online handelsfraude pleegt door via WhatsApp en Facebook Messenger een mobiele telefoon te verkopen zonder te leveren (feit 3 primair, artikel 326e Sr). Bewezenverklaring van online handelsfraude vereist dat de verdachte een beroep of gewoonte maakt van het via een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, met het oogmerk zich van die betaling te verzekeren zonder volledige levering. De afgrenzing van dat delict ten opzichte van de gewone oplichting van artikel 326 Sr staat in deze zaak centraal.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de online handelsfraude onder feit 1 primair van parketnummer 02-042857-25 bewezen, met uitzondering van twee aangevers, voor wie oplichting volgens feit 1 subsidiair bewezen kan worden. Ook de online handelsfraude onder feit 2 acht de officier van justitie bewezen. Ten aanzien van parketnummer 02-256044-25 acht de officier van justitie de diefstal, de diefstal met valse sleutel en de online handelsfraude onder feit 3 primair bewezen. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de verdachte in de kern alle feiten heeft bekend, maar komt voor een aantal feiten tot een andere juridische kwalificatie. De gedragingen onder beide feiten van parketnummer 02-042857-25 en feit 3 van parketnummer 02-256044-25 leveren volgens de verdediging geen online handelsfraude op, maar passen bij gewone oplichting, omdat het specifieke karakter van online handelsfraude ontbreekt. Bij feit 3 wijst de verdediging er bovendien op dat sprake is van slechts één aangeefster, zodat van een gewoonte geen sprake kan zijn. De verdediging concludeert dat de rechtbank in beide parketnummers niet tot een bewezenverklaring van online handelsfraude kan komen. Bij de strafoplegging verzoekt de verdediging gewicht toe te kennen aan de bekentenis, het schuldbesef, de ondergane bedreigingen, het positieve reclasseringsrapport, het gestopte harddrugsgebruik en de stabiele woon- en werksituatie, mede met het oog op werkbehoud ten behoeve van schadevergoeding.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is en dat de officier van justitie ontvankelijk is. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat twaalf personen aangifte doen van oplichting in de periode van 25 september 2023 tot en met 10 februari 2024. De verdachte presenteert zich telkens als iemand die mobiele telefoons of andere goederen kan leveren, ontvangt de overeengekomen bedragen via betaalverzoeken en bankoverschrijvingen en levert vervolgens niet. De verdachte erkent dit ter zitting.

Het kernpunt van het oordeel is de verwerping van het verweer dat het handelen uitsluitend als oplichting kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt dat gelet op het aantal aangevers en de beschreven modus operandi sprake is van het meermalen verrichten van soortgelijke, in onderling verband staande feiten, gericht op het ontvangen van gelden van derden die de betaalde goederen niet geleverd krijgen. Daarmee is voldaan aan het gewoontebestanddeel van artikel 326e Sr. Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat de goederen en het geautomatiseerd werk weliswaar anders zijn, maar dat de insteek dezelfde is, namelijk het verkopen van goederen met het oogmerk niet te leveren maar het geld wel te innen, zodat ook hier van een gewoonte sprake is.

De begrenzing van het delict komt naar voren bij de twee aangevers met wie de verdachte niet via een geautomatiseerd werk, maar in persoon of telefonisch contact heeft. Omdat bij hen geen sprake is van gebruikmaking van een geautomatiseerd werk, spreekt de rechtbank de verdachte voor dat onderdeel van feit 1 primair vrij van online handelsfraude en acht zij de oplichting onder feit 1 subsidiair bewezen.

Ten aanzien van feit 3 van parketnummer 02-256044-25 verwerpt de rechtbank het verweer dat met één aangeefster geen gewoonte kan worden aangenomen. De rechtbank overweegt dat de handelwijze overeenkomt met die bij de feiten 1 primair en 2 van het andere parketnummer en dat een en ander in samenhang moet worden bezien, zodat ook bij dit feit aan de bestanddelen van artikel 326e Sr is voldaan. De diefstal en de diefstal met valse sleutel onder parketnummer 02-256044-25 acht de rechtbank bewezen op basis van de bekennende verklaring en de aangifte, met toepassing van artikel 359, derde lid, Sv.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen:

  • het maken van een gewoonte van online handelsfraude door via de servers van WhatsApp en Facebook Messenger mobiele telefoons te verkopen aan acht aangevers, telkens met het oogmerk zich zonder volledige levering van de betaling te verzekeren (parketnummer 02-042857-25, feit 1 primair);

  • oplichting, meermalen gepleegd, van twee aangevers door hen door een samenweefsel van verdichtsels te bewegen tot afgifte van geld voor niet geleverde mobiele telefoons (parketnummer 02-042857-25, feit 1 subsidiair);

  • het maken van een gewoonte van online handelsfraude door via Marktplaats Google Nest Hubs, een Wrepair model 45 en een Forward Blue lasermachine te verkopen aan twee aangevers zonder te leveren (parketnummer 02-042857-25, feit 2);

  • diefstal van een pinpas van het bedrijf (parketnummer 02-256044-25, feit 1);

  • diefstal van een geldbedrag van € 830 van het bedrijf door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas (parketnummer 02-256044-25, feit 2);

  • het maken van een gewoonte van online handelsfraude door via WhatsApp en Facebook Messenger een mobiele telefoon te verkopen aan één aangever voor € 425 zonder te leveren (parketnummer 02-256044-25, feit 3 primair).

De verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde voor zover dat de twee aangevers betreft met wie geen geautomatiseerd werk is gebruikt, en van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank betrekt bij de straf de aard en ernst van de feiten, het aanzienlijke aantal slachtoffers en de omstandigheid dat veel slachtoffers bekenden of vrienden van de verdachte zijn die hem volledig vertrouwden. De diefstal van de pinpas en het pinnen daarmee maken volgens de rechtbank inbreuk op het vertrouwen in het betalingsverkeer. De recidive werkt strafverzwarend, nu eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten de verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw te handelen. De stelling dat de verdachte onder druk stond door bedreiging en afpersing is op geen enkele wijze met objectieve gegevens onderbouwd, zodat de rechtbank daarmee geen rekening houdt. Gelet op de ernst van de feiten, het aantal slachtoffers en de recidive kan niet worden volstaan met een andere sanctie dan een gevangenisstraf; daarbij geldt het taakstrafverbod van artikel 22b Sr. Vanwege de positieve ontwikkelingen en het risico op terugval legt de rechtbank een deels voorwaardelijke straf op. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en wijkt daarmee in het onvoorwaardelijke deel naar beneden af van de eis van zestien maanden. Aan het voorwaardelijke deel verbindt de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, een ambulante behandeling bij Fivoor of een soortgelijke zorgverlener en medewerking aan middelencontrole. Daarnaast wijst de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen grotendeels toe, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^