Vrijspraak van meineed in twee zaken na bewijsuitsluiting van getuigenverhoren bij de rechter-commissaris wegens het niet wijzen op het verschoningsrecht van artikel 219 Sv
/Rechtbank Overijssel 15 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5777 en ECLI:NL:RBOVE:2026:5778
De rechtbank Overijssel spreekt op 15 september 2026 in twee afzonderlijke vonnissen twee vrouwen vrij van meineed. Beide verdachten wordt verweten dat zij in januari 2025 als beëdigd getuige bij de rechter-commissaris in Zwolle opzettelijk vals hebben verklaard, onder meer over hun aankomst in Nederland en het bezit van een Rwandees paspoort. De officier van justitie stelt zich in beide zaken op het standpunt dat vrijspraak moet volgen wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank stelt vast dat de getuigen vragen zijn gesteld bij de beantwoording waarvan zij zich aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling konden blootstellen, terwijl zij niet zijn gewezen op het verschoningsrecht van artikel 219 Sv. Het proces-verbaal van verhoor kan daarom niet bijdragen aan het bewijs en wordt daarvan uitgesloten. Daarmee vervalt volgens de rechtbank de grondslag voor vervolging voor meineed.
Inleiding en context
De meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, wijst in eerste aanleg vonnis in twee zaken tegen natuurlijke personen, beiden geboren in 2005 en in de inhoudsindicatie aangeduid als 21-jarige vrouw. Beide verdachten zijn in januari 2025 door de rechter-commissaris onder ede als getuige gehoord in de strafzaken tegen twee medeverdachten, zonder bijstand van een raadsman of raadsvrouw. ECLI:NL:RBOVE:2026:5777 (parketnummer 71.147136.25) is een vonnis op tegenspraak en betreft een verhoor van 30 januari 2025. ECLI:NL:RBOVE:2026:5778 (parketnummer 71.147150.25) is een verstekvonnis en betreft een verhoor van 28 januari 2025. Deze verdachte staat ingeschreven in de BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Beide verdachten wordt verweten dat zij meineed hebben gepleegd door, na het afleggen van de eed, bij de rechter-commissaris mondeling, persoonlijk en opzettelijk vals en ten dele in strijd met de waarheid te verklaren. De vonnissen noemen het wetsartikel waarop de tenlastelegging berust niet.
In ECLI:NL:RBOVE:2026:5777 gaat het om de verklaringen dat de verdachte op 17 juni 2022 op het vliegveld in Nederland is aangekomen, dat zij niet op 8 maart 2022 op de luchthaven van Brussel is geland, dat zij de twee medeverdachten niet kent, dat zij geen Rwandees paspoort heeft en dat zij de personen op de voorgehouden afbeeldingen niet herkent.
In ECLI:NL:RBOVE:2026:5778 gaat het om de verklaringen dat de verdachte in juni 2022 op het vliegveld in Nederland is aangekomen, dat zij drie medeverdachten niet kent, dat zij op 8 maart 2022 niet door de politie in een auto in Nederland is aangetroffen, dat zij zich op die datum nog in Congo bevond, dat zij geen Rwandees paspoort heeft en dat zij de personen op de voorgehouden afbeeldingen niet herkent.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich in beide zaken op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde feit. Een straf wordt niet gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De vonnissen geven het standpunt van de verdediging niet weer. Uit ECLI:NL:RBOVE:2026:5777 blijkt alleen dat de verdachte op de zitting iets naar voren heeft gebracht, uit ECLI:NL:RBOVE:2026:5778 dat haar raadsman het woord heeft gevoerd. De inhoud daarvan is niet vermeld.
Oordeel gerecht
De overwegingen zijn in beide vonnissen gelijkluidend. De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris van het verhoor een proces-verbaal heeft opgemaakt. Daaruit volgt dat de verdachte, als getuige, vragen zijn gesteld bij de beantwoording waarvan zij zich aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling kon blootstellen. Desondanks is zij niet gewezen op het verschoningsrecht van artikel 219 Sv. Het proces-verbaal van verhoor kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet bijdragen aan het bewijs en wordt daarvan uitgesloten. Daarmee vervalt de grondslag voor vervolging voor meineed.
De rechtbank merkt op dat het wijzen op het verschoningsrecht in deze zaken van groot belang was. De verdachte zou zichzelf bij de beantwoording van de vragen hoe dan ook belasten: zij moest verklaren over het gebruik van een vals document, of zij laadde de verdenking van meineed op zich. Onder die omstandigheden klemt het volgens de rechtbank temeer dat de rechterlijke autoriteiten een getuige die niet wordt bijgestaan door een raadsman of raadsvrouw, naast haar plichten ook op haar rechten wijzen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart in beide zaken niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij. Een bewezenverklaring ontbreekt.
Strafoplegging en maatregelen
Gelet op de vrijspraak legt de rechtbank in geen van beide zaken een straf of maatregel op.
