Vrijspraak na aangifte faillissementsfraude: curator niet aansprakelijk

Rechtbank Den Haag 8 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8806

Een curator doet in 2014 aangifte van faillissementsfraude tegen onder meer de bestuurder van een Servische vennootschap en die vennootschap zelf. De bestuurder wordt strafrechtelijk vervolgd, door de rechtbank Rotterdam deels veroordeeld en in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag volledig vrijgesproken. De bestuurder en de vennootschap vorderen daarna een verklaring voor recht dat de curator met de aangifte onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor hun schade. De rechtbank Den Haag oordeelt dat de vordering van de vennootschap is verjaard, omdat de stuitingsbrief van 27 oktober 2020 alleen namens de bestuurder is verzonden. De vordering van de bestuurder toetst de rechtbank aan de Maclou-norm, ingevuld met de maatstaf voor een onrechtmatige aangifte. De rechtbank oordeelt dat de curator niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen af.

Inleiding en context

De zaak is een civiele procedure in eerste aanleg bij de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag. Eisers zijn de Servische vennootschap Ostrea en haar bestuurder en aandeelhouder, een natuurlijk persoon (hierna: de eiser). Gedaagde is de curator in het faillissement van een Nederlandse vennootschap waarmee de rechtsvoorgangster van Ostrea in januari 2008 een samenwerkingsovereenkomst sluit.

De vennootschap vraagt op 17 februari 2014 haar eigen faillissement aan, dat op 11 maart 2014 wordt uitgesproken. Op 5 september 2014 doet de curator aangifte van faillissementsfraude tegen de eiser, Ostrea en de toenmalige bestuurder van de failliet. De aangifte noemt de artikelen 341, 343 en 344 Sr. Volgens de aangifte ontvangt de curator geen volledige, tot de faillissementsdatum bijgewerkte administratie en bestaat het vermoeden dat de activiteiten van de failliet vóór het faillissement zijn voortgezet in Ostrea. De curator wijst onder meer op een brief aan relaties waarin staat dat de facturering en het onderhoud van bestaande structuren voortaan rechtstreeks door Ostrea worden verzorgd.

Het Openbaar Ministerie start een strafrechtelijk onderzoek, legt strafvorderlijk beslag op de bankrekening van Ostrea en op voertuigen, en dagvaardt de eiser. Hem wordt verweten dat hij als (feitelijk) bestuurder niet aan de administratieplicht voldoet en dat hij samen met de bestuurder van de failliet baten buiten de administratie houdt, het klantenbestand en geldbedragen aan de boedel onttrekt en witwast. De rechtbank Rotterdam verklaart op 31 juli 2019 het onttrekken van het klantenbestand aan de boedel bewezen en spreekt de eiser voor het overige vrij. Het gerechtshof Den Haag vernietigt dat vonnis op 6 december 2021 en spreekt de eiser volledig vrij. Bij brieven van 27 oktober 2020 en 26 april 2024 wordt de curator aansprakelijk gesteld.

Vordering en wettelijk kader

Ostrea en de eiser vorderen een verklaring voor recht dat de curator ten opzichte van ieder van hen onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade, met veroordeling in de proceskosten. Centraal staan de verjaring van artikel 3:310 lid 1 BW en de stuiting van artikel 3:317 lid 1 BW, de taak van de curator op grond van artikel 68 Fw, de norm voor persoonlijke aansprakelijkheid van de curator uit het Maclou-arrest (HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047) en de maatstaf voor een onrechtmatige aangifte.

Standpunt van de eisers

De eisers verwijten de curator dat hij zijn onderzoek naar faillissementsfraude onzorgvuldig verricht, geen hoor en wederhoor toepast en te lichtvaardig aangifte doet. Hij interpreteert de brief aan de debiteuren volgens hen verkeerd: de failliet heeft geen eigen klanten en Ostrea verzoekt haar eigen klanten slechts om voortaan rechtstreeks aan haar te betalen. Had de curator de eiser of de bestuurder van de failliet gehoord, dan was gebleken dat het klantenbestand, het DCO-systeem, aan Ostrea toebehoort. Omdat de failliet alleen bemiddelt voor buitenlandse partners, had de curator dat volgens de eisers ook zelf moeten concluderen.

De eisers voeren verder aan dat de curator ieder contact over een doorstartplan vermijdt, dat hij de strafrechtelijke procedure instrumenteel gebruikt om later civielrechtelijk verhaal te nemen en dat het Openbaar Ministerie zijn aangiften welwillend en met tunnelvisie beoordeelt. Zij stellen materiële en immateriële schade te lijden door het platleggen van de bedrijfsvoering van Ostrea.

Standpunt van de gedaagde

De curator beroept zich op verjaring. Hij betwist dat hij onrechtmatig handelt, voert verweer tegen de gestelde schade en betwist dat die schade hem kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW, althans dat een causaal verband bestaat. Hij voert aan dat hij ondanks meerdere verzoeken niet de volledige administratie ontvangt en dat hij met toestemming van de rechter-commissaris op meerdere locaties binnentreedt zonder het DCO-systeem aan te treffen. Uit de wel verstrekte gegevens blijken volgens hem betalingen op basis van door de failliet verzonden facturen met btw. Kort voor het faillissement zijn brieven aan relaties verstuurd over facturering via Ostrea.

Oordeel gerecht

De rechtbank behandelt eerst het verjaringsverweer. De stelplicht en bewijslast voor de verjaring rusten op de curator, die voor de stuiting op de eisers (artikel 150 Rv). De curator wijst op de datum van de aangifte. De eisers betwisten gemotiveerd dat zij toen met de aangifte bekend waren: de eiser krijgt het strafdossier pas na zijn uitlevering door Servië op 9 februari 2016. De rechtbank acht het standpunt van de curator onvoldoende onderbouwd. Dat uit de stukken niet blijkt wanneer de eisers met de aangifte bekend raken, komt voor zijn risico. Een bevel op grond van artikel 22 Rv om het complete strafdossier over te leggen acht de rechtbank disproportioneel. Zij houdt 9 februari 2016 aan, zodat de termijn van vijf jaren op 27 oktober 2020 niet is voltooid.

De brief van 27 oktober 2020 legt de rechtbank uit aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. De brief spreekt telkens van "mijn cliënt" in enkelvoud en gaat in op het strafvonnis, dat alleen de eiser betreft. Andere correspondentie die op verzending mede namens Ostrea wijst, is er niet. Dat Ostrea in de onderwerpregel staat, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Uit het vereiste van een ondubbelzinnig voorbehoud leidt zij af dat ook duidelijk moet zijn namens wie wordt gestuit, en de brief is opgesteld door een professionele rechtsbijstandverlener. De curator mag ervan uitgaan dat de brief alleen namens de eiser is verzonden. De vordering van Ostrea is verjaard, die van de eiser niet.

Bij de inhoudelijke beoordeling past de rechtbank de regelgeving toe zoals die gold op 5 september 2014. Het doen van aangifte van onregelmatigheden valt in beginsel onder de taak van de curator, ook vóór de Wet versterking positie curator (Stb. 2017, 124). De aansprakelijkheid wordt daarom getoetst aan de Maclou-norm. Beslissend is of een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot deze gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij die toets past terughoudendheid; vereist is dat de curator persoonlijk een verwijt treft (vgl. HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204, r.o. 3.4.2 en 3.4.3). De rechtbank merkt de eiser aan als derde met wiens belangen de curator rekening heeft te houden.

De norm wordt mede ingevuld door de maatstaf voor een onrechtmatige aangifte. Een aangifte kan in beginsel alleen onrechtmatig zijn als de aangever weet of behoort te weten dat de beschuldiging ongegrond is, als de aangifte een doel dient waartoe zij niet behoort te strekken, of als het gebruik ervan door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig is. Stelplicht en bewijslast rusten op de eisers.

De stellingen van de curator over de ontbrekende administratie, de facturen en de brieven zijn onvoldoende weersproken en staan vast. Daarvan uitgaande mag de curator aangifte doen wegens het niet voldoen aan de administratieplicht (artikelen 341 aanhef en onder a sub 4 en 343 aanhef en onder 4 Sr (oud)). De brief aan de debiteuren kan hij redelijkerwijs opvatten als aanwijzing voor het overhevelen van activiteiten of geldstromen naar een andere entiteit. Dat de failliet slechts bemiddelt, sluit niet uit dat de relaties voor haar een eigen inkomstenbron in de vorm van provisie zijn. Het DCO-systeem is voor de curator ook van belang voor inzicht in nog te innen vorderingen.

De curator is niet gehouden de eiser vóór de aangifte te horen. Hij spreekt uitvoerig met de bestuurder van de failliet over het ontbrekende systeem en die bestuurder staat in contact met de eiser. De bestuurder van de failliet, en niet de eiser, is destijds de formele bestuurder en verantwoordelijk voor de administratie. De keuze om niet over een doorstart te onderhandelen acht de rechtbank begrijpelijk en niet onzorgvuldig. Dat het Openbaar Ministerie op basis van de aangifte een onderzoek start, de eiser dagvaardt en de strafrechter hem aanvankelijk veroordeelt, biedt steun voor het oordeel dat geen sprake is van een lichtvaardige aangifte.

Het verwijt van instrumenteel gebruik van het strafrecht, onderbouwd met een interview met de curator en een proces-verbaal van zijn getuigenverhoor, is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd voor dit concrete geval. De gestelde status van de curator binnen het Openbaar Ministerie maakt het oordeel niet anders en valt hem niet te verwijten.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de gestelde schade met name het gevolg is van beslissingen die tot de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie behoren, zoals het uitleveringsverzoek, de aanhouding en het strafvorderlijk beslag. Het is volgens haar zeer de vraag in hoeverre die schade aan de curator had kunnen worden toegerekend. Zij acht aannemelijk en invoelbaar dat de strafvervolging verregaande gevolgen voor de eisers heeft gehad.

Beslissing

De rechtbank wijst de vorderingen af, die van Ostrea ook wegens verjaring. Ostrea en de eiser worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de curator van € 1.826, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^