Vrijspraak van gewoontewitwassen van contant ontvangen huurpenningen omdat een voorafgaand gronddelict ontbreekt

Gerechtshof Den Haag 30 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 en ECLI:NL:GHDHA:2026:2975

Het gerechtshof Den Haag spreekt op 30 september 2026 een verhuurster van woningen en haar partner vrij van medeplegen van gewoontewitwassen van ongeveer € 106.080 aan contant ontvangen huur en borg. In de vijf woningen uit de tenlastelegging worden bij doorzoekingen drugs, vuurwapens, munitie, kogelwerende vesten, grote contante geldbedragen en versnijdingsattributen aangetroffen. Volgens het hof kan een voorwerp alleen afkomstig zijn uit enig misdrijf in de zin van de artikelen 420bis en 420ter Sr als dat misdrijf voorafgaat aan de witwasgedragingen, en die vondsten doen zich telkens pas voor nadat de woningen zijn verhuurd en de huurpenningen zijn ontvangen. Onvolledige huurdersgegevens en het aannemen van contante huur zijn op zichzelf of in onderling verband onvoldoende voor een witwasvermoeden, ook niet samen met een waarschuwingsbrief van de bank over anti-witwasrisico's. Het hof spreekt beiden daarnaast vrij van het uit winstbejag behulpzaam zijn bij illegaal verblijf en van het voorhanden hebben van een vervalste Griekse identiteitskaart, omdat wetenschap of ernstige reden tot vermoeden niet kan worden vastgesteld. Beide vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2020, met voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en geldboete, worden vernietigd.

Inleiding en context

Het gerechtshof Den Haag wijst op 30 september 2026 twee arresten tegen medeverdachten in hetzelfde feitencomplex. Beide zaken worden op tegenspraak behandeld.

De verdachte in ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 is een natuurlijk persoon, een vrouw geboren in 1964. Zij drijft een aantal ondernemingen die zich bezighouden met de aan- en verhuur van vastgoed, met een portefeuille van ongeveer zestig à zeventig woningen. De huur wordt voor een groot deel contant voldaan, ook bij de woningen uit de tenlastelegging. De verdachte in ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 is haar partner, een natuurlijk persoon, een man geboren in 1964. Hij is in dienst van een van de rechtspersonen, verricht onderhoudswerkzaamheden en ondersteunt haar bij haar werkzaamheden, zoals het innen van de huur. In elk arrest wordt de ander als medeverdachte aangeduid.

Beide zaken betreffen hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2020, met parketnummers 10-750350-17 en 10-750353-17. De verhuurster is in eerste aanleg vrijgesproken van de feiten 3 en 4 en van feit 2 voor zover eerste, tweede en vierde cumulatief tenlastegelegd, en veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 5. Haar partner is vrijgesproken van feit 4 en veroordeeld voor de feiten 1, 2, 3 en 5. Beiden krijgen dezelfde straf: een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 10.000 subsidiair 85 dagen hechtenis.

De omvang van het hoger beroep verschilt. De verhuurster stelt het rechtsmiddel onbeperkt in, zodat het mede is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken. Haar partner beperkt het hoger beroep blijkens de akte rechtsmiddel van 9 december 2020 tot feit 1, feit 2 voor zover derde cumulatief tenlastegelegd, feit 3 en feit 5.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Beide verdachten wordt onder 1 verweten dat zij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 21 februari 2018 te Wassenaar, Amsterdam, Berkel en Rodenrijs en Rotterdam samen met een ander een gewoonte maken van witwassen, door geldbedragen van in totaal ongeveer € 106.080 aan huur en borg te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen, om te zetten of te gebruiken, terwijl zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat die bedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. De tenlastelegging splitst dat bedrag uit over vijf zaaksdossiers: ongeveer € 7.500 voor een woning in Amsterdam, € 39.830 voor een woning in Berkel en Rodenrijs, € 24.500 voor een tweede woning in Amsterdam, € 20.250 voor een woning in Rotterdam en € 14.000 voor een tweede woning in Rotterdam. Het hof toetst dit feit aan de artikelen 420bis en 420ter Sr.

Onder 2 wordt beiden verweten dat zij in dezelfde periode in de uitoefening van hun beroep of uit gewoonte uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie aan personen met de Albanese nationaliteit, terwijl zij weten of ernstige redenen hebben te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, door een woning te verhuren aan personen die illegaal in Nederland verblijven. Onder 5 wordt beiden verweten dat zij in de periode van 1 september 2015 tot en met 21 februari 2018 te Wassenaar een vervalste Griekse identiteitskaart voorhanden hebben en gebruiken bij het afsluiten van huurcontracten, terwijl zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat het document vals of vervalst is. De vervalsing bestaat eruit dat de kaart is voorzien van de foto van een ander en sinds 21 april 2015 als vermist, gestolen of verduisterd geregistreerd staat. Voor de feiten 2 en 5 noemen de arresten geen wetsartikel; door de integrale vrijspraak komen de kwalificatie en de toepasselijke wettelijke voorschriften niet aan de orde.

Alleen aan de partner is onder 3 tenlastegelegd dat hij op 21 februari 2018 te Wassenaar opzettelijk ongeveer 1370 gram hasjiesj aanwezig heeft, een middel als bedoeld op lijst II, strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 Opiumwet.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 vordert de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis waarvan beroep. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 vordert zij eveneens bevestiging, behoudens ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, waarvoor volgens haar vrijspraak dient te volgen, met veroordeling tot dezelfde straffen als in eerste aanleg zijn opgelegd.

In beide zaken voert het Openbaar Ministerie ter terechtzitting in hoger beroep aan dat de panden en de huurders in direct verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen en met vuurwapenbezit. Dat gegeven, in combinatie met het ontbreken van bescheiden waaruit blijkt dat de verdachte en de medeverdachte zich hebben vergewist van legale inkomsten, maakt volgens het Openbaar Ministerie dat sprake is van een criminele herkomst, waarbij de verdachten geen maatregelen hebben genomen.

Standpunt van de verdediging

In ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 geeft het arrest het standpunt van de verdediging niet weer. Het hof vermeldt uitsluitend dat het kennis heeft genomen van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

In ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 bepleit de raadsvrouw op gronden zoals vermeld in haar overgelegde pleitnotities dat de verdachte van het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Die gronden zijn in het arrest niet weergegeven.

Oordeel gerecht

In ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 beoordeelt het hof eerst de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep. Omdat het rechtsmiddel onbeperkt is ingesteld, is het mede gericht tegen de vrijspraken van het onder 2 eerste, tweede en vierde cumulatief en van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. Gelet op artikel 404, vijfde lid, Sv staat daartegen voor de verdachte geen hoger beroep open, zodat het hof haar in zoverre niet-ontvankelijk verklaart. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 stelt het hof vast dat alleen de feiten 1, 2 derde cumulatief, 3 en 5 aan zijn oordeel zijn onderworpen.

Over feit 1 overweegt het hof in beide arresten gelijkluidend. Naar bestendige jurisprudentie is voor het bestanddeel afkomstig uit enig misdrijf niet vereist dat uit de bewijsmiddelen een nauwkeurig aangeduid misdrijf kan worden afgeleid, maar wel dat vaststaat dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Ontbreekt een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf, dan kan dat bestanddeel bewezen worden als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij moet eveneens worden vastgesteld dat het voorwerp afkomstig is uit een misdrijf dat is gepleegd voorafgaand aan de tenlastegelegde witwasgedragingen. Pas als het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden aandraagt die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig voorafgaand misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd.

Het hof stelt per woning vast wat het dossier inhoudt. Bij de woning in Amsterdam loopt de huur van 1 maart 2017 tot 25 april 2017; op die laatste datum vindt een doorzoeking plaats waarbij drugs, verpakkingsmaterialen en geld in beslag worden genomen. Bij de woning in Berkel en Rodenrijs loopt de huur van 1 juni 2017 tot 8 juli 2017; op 8 juli 2017 worden bij een doorzoeking een vuurwapen en munitie, drie kogelwerende vesten en een geldbedrag in beslag genomen. Bij de tweede woning in Amsterdam loopt de huur van 11 maart 2017 tot 23 september 2017; in de bijbehorende parkeergarage wordt een persoon aangehouden in wiens auto een verborgen ruimte zit en die 28 kilogram cocaïne bij zich heeft. Bij de eerste woning in Rotterdam loopt de huur van 1 januari 2016 tot 4 augustus 2016; op 4 augustus 2016 wordt bij een doorzoeking € 88.000 aangetroffen en ligt in de auto van de huurder in een verborgen ruimte een vuurwapen. Bij de tweede woning in Rotterdam loopt de huur van 1 oktober 2016 tot 21 maart 2017; op 21 maart 2017 worden bij een doorzoeking een geldtelmachine, sealbags, een grammenweegschaal en sporttassen met pakketten verdovende middelen aangetroffen. De informatie over de huurders in de administratie van de rechtspersonen blijkt in veel gevallen onvolledig. Voor de woning in Berkel en Rodenrijs houdt de tenlastelegging een aanvangsdatum van 1 juni 2016 in, terwijl het hof 1 juni 2017 vaststelt; de bron bevat op dit punt een discrepantie.

Het hof stelt voorop dat het dossier geen bewijs bevat voor een specifiek gronddelict voorafgaand aan de tenlastegelegde witwashandelingen. De vraag of het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan het niet anders kan zijn dan dat de huurpenningen voor de vijf woningen uit enig misdrijf afkomstig zijn, beantwoordt het hof ontkennend. Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf in de zin van de artikelen 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf dat is gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen, en uit de vaststellingen volgt dat de wapens, geldbedragen en hoeveelheden drugs telkens pas in de woningen worden aangetroffen nadat de verdachte die woningen heeft verhuurd en de huurpenningen in ontvangst heeft genomen. Noch de onvolledige informatie over de huurders, noch het aannemen van contante huurpenningen is op zichzelf of in onderling verband voldoende om een witwasvermoeden te rechtvaardigen. De brief van de bank van 28 november 2016 over het niet acceptabele risico in het licht van anti-witwasmaatregelen en de aanwezigheid van de verdachte bij zienswijzegesprekken met de gemeente maken dat niet anders.

Over feit 2 overweegt het hof in beide arresten dat een huurder voor het huren van de woning in Amsterdam gebruikmaakt van een Albanese identiteitskaart, een chipcard, die in Nederland niet geldig is als legitimatie en evenmin als verblijfsdocument, en dat die persoon geen rechtmatig verblijf heeft. Het enkele feit dat de verdachte en de medeverdachte een woning verhuren aan iemand die zich met een Albanese chipcard identificeert, leidt niet tot de conclusie dat de verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk is. Van omstandigheden die noopten tot een nadere vergewisplicht is in het dossier niet gebleken.

Over feit 5 stelt het hof vast dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte en de medeverdachte ordners met bedrijfsadministratie worden aangetroffen, waaronder een kopie van een Grieks identiteitsbewijs met pasfoto dat blijkens de huurcontracten meermalen is gebruikt bij het afsluiten van huurovereenkomsten en dat sinds 21 april 2015 gesignaleerd staat ter zake van diefstal, verduistering of vermissing. In een tas in de slaapkamer op de begane grond wordt een internationaal rijbewijs op naam van een derde aangetroffen waarop de pasfoto ontbreekt, terwijl de in de strafrechtketendatabank geregistreerde foto van die derde overeenkomt met de foto op het Griekse identiteitsbewijs. Daaruit leidt het hof af dat de kopie van het Griekse identiteitsbewijs vals is. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 verklaart de medeverdachte de persoon op die foto te herkennen; in ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 legt de verdachte zelf die verklaring af. Uit die enkele omstandigheden kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het document vals is. Dat op naam van die persoon meerdere huurcontracten staan waarvan de huurperioden deels overlappen, kan evenmin tot die conclusie leiden, en van overige omstandigheden is niet gebleken.

Over feit 3 oordeelt het hof in ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en dat vrijspraak volgt overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, zonder nadere motivering. In beide zaken kan het vonnis waarvan beroep niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

In geen van beide arresten wordt iets bewezen verklaard. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 verklaart het hof niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt het haar daarvan vrij. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 verklaart het hof niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt het hem daarvan vrij. Een kwalificatie en een opsomming van bewezen verklaarde feiten blijven daarmee achterwege.

Strafoplegging en maatregelen

Geen van beide arresten bevat een strafoplegging. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2977 verklaart het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraken in eerste aanleg, vernietigt het het vonnis en doet het opnieuw recht met een integrale vrijspraak. In ECLI:NL:GHDHA:2026:2975 vernietigt het hof het vonnis voor zover aan zijn oordeel onderworpen en spreekt het de verdachte vrij van alle vier de feiten. De in eerste aanleg opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en geldboete komen daarmee te vervallen. De arresten bevatten geen beslissing over vorderingen van benadeelde partijen en geen bijkomende straffen of maatregelen.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de verhuurster en hier die tegen haar partner.

Print Friendly and PDF ^