Hoge Raad over de bewijsmotivering van het voorwaardelijk opzet op benadeling van schuldeisers en van het feitelijk leidinggeven bij bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon
/Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1620
De Hoge Raad laat de veroordeling van de voormalig enig bestuurder van een melkproductenfabriek wegens feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door die rechtspersoon in stand. Kern van de zaak is een overboeking van € 5.940.000 op 3 juni 2010 van de fabriek naar een vennootschap waarachter de verdachte schuilgaat, terwijl de fabriek al een groot risico op faillissement loopt. Het hof leidt uit de bewijsmotivering af dat de fabriek bij die overboeking bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de rechten van een of meer schuldeisers worden benadeeld, en dat de verdachte feitelijk leiding geeft aan de overboeking. De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsklachten daarover niet tot cassatie leiden en verwijst daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Volgens die conclusie is het oordeel van het hof op beide punten niet onbegrijpelijk, niet ontoereikend gemotiveerd en getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 30 naar 29 maanden.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1950. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem op 3 juli 2024 wegens, onder 1, valsheid in geschrift en, onder 2, bedrieglijke bankbreuk gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, artikel 341 (oud) Sr, tot een gevangenisstraf van dertig maanden. Het wetsartikel voor feit 1 blijkt niet uit het aangeleverde materiaal. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2; de beslissing in eerste aanleg ten aanzien van feit 1 blijkt niet uit de stukken.
Uit de conclusie van de advocaat-generaal volgt dat een vennootschap waarvan de verdachte enig bestuurder is, in 2010 80 procent van de aandelen in Lyempf B.V. te Kampen verwerft, een fabriek die melkproducten verwerkt. De verdachte is van 20 mei 2010 tot 7 februari 2011 enig bestuurder van Lyempf. Op 26 mei 2010 sluit hij namens Lyempf een overeenkomst met DSM Food Specialties B.V. en verkoopt hij de rechten daaruit dezelfde dag voor € 13.990.000 aan Deutsche Bank AG te Londen, dat de volgende dag € 12.490.000 op een rekening van Lyempf stort. Op 3 juni 2010 maakt Lyempf € 5.940.000 over naar een vennootschap waarachter de verdachte en zijn vennootschap schuilgaan. In hoger beroep voert de verdediging aan dat die overboeking een investering is waarmee de verdachte geld voor de fabriek wil verdienen. Lyempf wordt op 7 april 2011 failliet verklaard.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stellen de advocaten A.M. de Koning en G. Spong ieder bij schriftuur cassatiemiddelen voor, in totaal zeven. Het derde middel van De Koning en het eerste middel van Spong klagen dat de bewezenverklaring van feit 2 niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid voor zover die inhoudt dat is gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, en in dat verband over het voorwaardelijk opzet op de bedrieglijke bankbreuk. Het vierde middel van De Koning klaagt in de kern over de bewezenverklaring voor zover die inhoudt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het onder 2 bewezenverklaarde.
De overige middelen betreffen de valsheid in geschrift en de strafbaarheid van de bankbreuk onder artikel 341 (oud) Sr (eerste en tweede middel van De Koning), de verwerping van een beroep op afwezigheid van alle schuld (tweede middel van Spong) en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie doordat het hof de stukken te laat inzendt (vijfde middel van De Koning). De advocaat-generaal Aben concludeert tot vernietiging uitsluitend wat betreft de gevangenisstraf, vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en verwerping van het beroep voor het overige. De raadslieden reageren ieder schriftelijk.
Beoordeling Hoge Raad
De middelen over het handelen ter bedrieglijke verkorting en over het feitelijk leidinggeven leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad verwijst voor de redenen naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 22, 23 en 25.
Over het voorwaardelijk opzet houdt de conclusie in dat de bewijsmotivering inhoudt dat ten tijde van de overboeking al een groot risico op faillissement bestaat, en dat het hof vervolgens vaststelt dat de overboeking een aanmerkelijke kans op dat faillissement doet ontstaan. Het hof overweegt daarnaast dat van de door de verdachte aangevoerde reden voor de overboeking, een investering, niet binnen afzienbare tijd enig financieel resultaat te verwachten is. Uit de bewijsmotivering blijkt dat de verdachte op de hoogte moet zijn van de penibele financiële situatie van de fabriek toen de overboeking plaatsvindt. Dat het hof daaruit afleidt dat de fabriek bij de overboeking bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dit leidt tot benadeling van de rechten van een of meer schuldeisers, is volgens de advocaat-generaal niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Over het feitelijk leidinggeven wijst de conclusie erop dat het hof oordeelt dat de verdachte feitelijk leiding geeft aan de overboeking op 3 juni 2010. Vast staat dat de verdachte op dat moment als enig bevoegd directeur van de fabriek staat ingeschreven. Uit de bewijsmotivering blijkt verder dat hij vóór 3 juni 2010 namens de fabriek al twee financiële beslissingen neemt: het sluiten van de overeenkomst met DSM en de verkoop van de vordering op DSM aan de bank. Het hof stelt bovendien vast dat de interim-manager die sinds begin juni 2010 bij de fabriek werkt, verklaart dat alle bevoegdheden binnen het bedrijf bij de verdachte liggen en dat hij op financieel vlak overal zijn fiat aan moet geven. Uit deze omstandigheden leidt het hof kennelijk af dat de verdachte verantwoordelijk is voor de overboeking. Dat oordeel getuigt volgens de advocaat-generaal niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarover kan volgens de conclusie ook moeilijk twijfel bestaan, omdat de kern van het verweer in hoger beroep juist is dat de overboeking een investering is waarmee de verdachte geld voor de fabriek wil verdienen.
Het eerste en het tweede middel van De Koning en het tweede middel van Spong leiden evenmin tot cassatie; de Hoge Raad doet die af met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. Het vijfde middel van De Koning is gegrond. Omdat de Hoge Raad bovendien uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, is de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM overschreden, wat leidt tot vermindering van de gevangenisstraf van 30 maanden.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, vermindert deze tot 29 maanden en verwerpt het beroep voor het overige.
Lees hier de volledige uitspraak.
