Vrijspraak rechtspersoon omdat styreenlekkage aan boord van schip niet in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvond
/Rechtbank Rotterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6699
De landelijke WED-kamer van de rechtbank Rotterdam spreekt een rechtspersoon die een walinstallatie op de Maasvlakte exploiteert integraal vrij van twee economische delicten. De zaak draait om een lekkage van ongeveer 150 liter styreenmonomeer die op 14 september 2022 in de Europahaven terechtkwam tijdens het laden van een binnenvaartschip. De rechtbank oordeelt dat de gedragingen die tot de lekkage leidden zich aan boord van het schip voordeden en niet in de sfeer van de verdachte rechtspersoon plaatsvonden, zodat zij niet kunnen worden toegerekend. Daarmee gaat de beschuldiging van het opzettelijk brengen van een stof in oppervlaktewater zonder vergunning niet op. Ook de verweten valsheid in geschrift op de ADN-controlelijst wordt niet bewezen, omdat de verdachte uitsluitend verantwoordelijk is voor het deel van die lijst dat ziet op de walinstallatie. De rechtbank verklaart beide feiten niet bewezen en spreekt de verdachte rechtspersoon vrij.
Inleiding en context
De verdachte is een rechtspersoon die op de Maasvlakte in Rotterdam een walinstallatie exploiteert. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige economische kamer. Dit vonnis is gewezen door de landelijke WED-kamer bestaande uit gespecialiseerde rechters van de rechtbanken Oost-Brabant, Rotterdam en Overijssel. De WED-kamers behandelen strafzaken die vallen onder de Wet op de economische delicten (WED). Op 14 september 2022 ligt het binnenvaartschip afgemeerd bij de installatie van de verdachte om styreenmonomeer te laden, een stof die gevaarlijk is voor de gezondheid en het watermilieu. De bemanning voert voorafgaand aan het laden een veiligheidsrondje uit en meldt de schipper dat het schip laadbereid is. De schipper vult de kolom 'schip' van de ADN-controlelijst in, een medewerker van de verdachte vult namens de installatie de kolom 'walinstallatie' in. Tijdens het laden lekt styreen via een leiding waarop nog de ontgassingsventilator is aangesloten en die niet was afgeflensd, iets dat de bemanning bij het veiligheidsrondje over het hoofd heeft gezien. Ongeveer 150 liter styreen komt in het water terecht voordat het proces wordt stilgelegd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij op 14 september 2022, al dan niet in vereniging, opzettelijk styreenmonomeer in de Europahaven heeft gebracht zonder dat daarvoor een vergunning of vrijstelling was verleend, in strijd met artikel 6.2 van de destijds geldende Waterwet (feit 1). Dit feit betreft een economisch delict. Daarnaast wordt haar verweten dat zij valsheid in geschrift heeft gepleegd door op de ADN-controlelijst een 'X' bij 'Ja' in te vullen bij vraag 7 en vraag 14 en het document vervolgens te ondertekenen, met het oogmerk het als echt en onvervalst te gebruiken (feit 2). De brontekst noemt voor feit 2 geen specifiek wetsartikel; valsheid in geschrift is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr. De ADN-controlelijst vloeit voort uit de Europese overeenkomst voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren (ADN).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert veroordeling voor beide feiten. De brontekst vermeldt geen concreet geëiste straf.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor beide feiten. Zij betwist daarbij onder meer dat artikel 6.2 van de destijds geldende Waterwet van toepassing is op de Europahaven.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt eerst vast dat de Europahaven een oppervlaktewaterlichaam is als bedoeld in de toenmalige Waterwet, zodat die wet van toepassing is. Voor feit 1 staat de rechtbank voor de vraag of de gedragingen die tot de lekkage hebben geleid aan de verdachte rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Toerekening hangt af van de concrete omstandigheden, waarbij een belangrijk oriëntatiepunt is of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat de lekkage zich aan boord van het schip heeft voorgedaan door menselijk handelen of nalaten van personen die niet voor de verdachte werkzaam zijn, dat wat aan boord gebeurt niet past in de normale bedrijfsvoering van de verdachte, die zich uitsluitend met de wal bezighoudt, dat de gedragingen de verdachte geen voordeel maar juist nadeel hebben opgeleverd, en dat de verdachte geen invloed of bemoeienis heeft met de beslissingen van de schipper. De rechtbank concludeert dat de gedragingen niet in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden en daarom in redelijkheid niet aan haar kunnen worden toegerekend.
Voor feit 2 overweegt de rechtbank dat de ADN-controlelijst twee kolommen bevat, één voor het schip en één voor de walinstallatie, wat erop wijst dat de schipper de vragen over het schip beantwoordt en de walpersonen de vragen over de walinstallatie. Die gescheiden verantwoordelijkheid blijkt ook uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte en de schipper en uit de ADN, die de vervoerder en de vuller ieder hun eigen deel laten invullen. De rechtbank volgt het standpunt van het Openbaar Ministerie dat beide partijen voor alle punten verantwoordelijk zijn niet. Omdat de lekkage aan boord van het schip is ontstaan en de verdachte alleen verantwoordelijk is voor het deel over de walinstallatie, kan niet worden vastgesteld dat namens de verdachte dat deel onjuist is ingevuld. Reeds daarom kan de valsheid in geschrift niet worden bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart niet bewezen dat de verdachte rechtspersoon de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt haar integraal vrij. Er volgt geen opsomming van bewezen verklaarde feiten.
Strafoplegging en maatregelen
Gelet op de integrale vrijspraak legt de rechtbank geen straf of maatregel op.
Lees hier de volledige uitspraak.
