Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor advocaat wegens jarenlange onjuiste btw-aangiften over toevoegingsvergoedingen Raad voor Rechtsbijstand

Gerechtshof Amsterdam 8 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1209 (natuurlijk persoon) en ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 (rechtspersoon)

Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt op 8 april 2026 in twee parallelle uitspraken een advocaat en zijn besloten vennootschap wegens het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift in de bedrijfsadministratie en het niet doen van aangiften omzetbelasting. De vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand worden jarenlang in de administratie verwerkt als onbelaste omzet, terwijl deze ontvangsten zijn belast met btw. De advocaat verstrekt zijn boekhouders overzichten met een onjuist tarief van nul procent, op basis waarvan onjuiste aangiften worden ingediend. Het hof verwerpt het beroep op afwezigheid van opzet en het rechtmatigheidsverweer over de cautie bij het boekenonderzoek en oordeelt dat een suppletieaangifte juridisch geen aangifte is. Wegens een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vijf jaar en zeven maanden volgt voor de bestuurder een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een taakstraf van 120 uren. De vennootschap krijgt een geheel voorwaardelijke geldboete van € 100.000 opgelegd.

Inleiding en context

Het hof doet op dezelfde dag uitspraak in twee samenhangende strafzaken: één tegen de advocaat als natuurlijk persoon en één tegen zijn besloten vennootschap. De advocaat voert sinds 1 oktober 1993 een advocatenpraktijk. Tot 14 juli 2011 zijn zijn zakelijke activiteiten ondergebracht in een eenmanszaak. Vanaf die datum gaan deze activiteiten over in een besloten vennootschap, waarvan de advocaat middellijk bestuurder is via een houdstervennootschap. De vennootschap is op 2 februari 2020 ontbonden. Zowel de eenmanszaak als de vennootschap ontvangt vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand voor verleende rechtsbijstand op basis van toevoegingen. Het algemene tarief voor de omzetbelasting bedraagt 19% tot 1 oktober 2012 en 21% vanaf die datum. In december 2013 kondigt de Belastingdienst een boekenonderzoek aan bij de bestuurder en in maart 2014 bij de vennootschap. Aanleiding zijn spontane mededelingen van de voormalige boekhouder aan een ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD rond juni 2013, inhoudende dat de bestuurder onjuiste jaarcijfers verstrekt en de ontvangsten van de Raad ten onrechte als onbelaste omzet aangeeft. De rechtbank Amsterdam veroordeelt de bestuurder op 5 augustus 2021 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 180 uren. De vennootschap wordt door de rechtbank schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a Sr). Beide verdachten stellen hoger beroep in.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan de bestuurder wordt onder feit 1 verweten dat hij in de periode van 29 februari 2008 tot en met 28 september 2011 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting van de eenmanszaak doet of laat doen. Feit 2 ziet op het feitelijk leidinggeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting van de vennootschap in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012. Feit 3 betreft valsheid in geschrift in de bedrijfsadministratie van zowel de eenmanszaak als de vennootschap in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 december 2013. Feit 4 ziet op het niet of niet tijdig doen van aangiften omzetbelasting van de vennootschap in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014. Aan de vennootschap worden drie feiten verweten: onjuiste aangiften omzetbelasting in dezelfde tenlastegelegde periode, valsheid in geschrift in haar bedrijfsadministratie en het niet doen van aangiften over het vierde kwartaal van 2012 tot en met het vierde kwartaal van 2013. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 51 Sr en de deelnemingsvormen feitelijk leidinggeven en medeplegen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal rekwireert in beide zaken tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, steeds in de primaire variant. Met betrekking tot de straf vordert het Openbaar Ministerie ten aanzien van de bestuurder dezelfde straffen als in eerste aanleg zijn opgelegd. Ten aanzien van de vennootschap eist het Openbaar Ministerie in hoger beroep een onvoorwaardelijke geldboete van € 100.000.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit in beide zaken integrale vrijspraak. Niet wordt betwist dat in de ontvangsten van de Raad voor Rechtsbijstand btw is begrepen en dat de aangiften omzetbelasting achteraf bezien onjuist zijn. Wel betwist de verdediging dat de bestuurder en de vennootschap opzet hebben gehad. De aangiften zijn uitbesteed aan boekhouders en de bestuurder verkeert in de veronderstelling dat zij juist worden ingediend. Subsidiair voert de verdediging aan dat partiële vrijspraak moet volgen omdat in 2012 alsnog aangifte is gedaan door middel van een suppletieaangifte. Daarnaast voert de verdediging een rechtmatigheidsverweer: bij aanvang van het boekenonderzoek in 2013 zou reeds sprake zijn van een strafrechtelijk onderzoek, waarbij ten onrechte geen cautie is gegeven. Ten slotte verzoekt de verdediging om toepassing van artikel 9a Sr in beide zaken.

Oordeel gerecht

Het hof verwerpt in beide zaken het rechtmatigheidsverweer. De Belastingdienst is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd tot een boekenonderzoek. Aangezien sprake is van een bestuursrechtelijke controle en niet van een strafrechtelijk onderzoek, hoeven de verdachten niet op het nemo-teneturbeginsel te worden gewezen. Uit niets blijkt dat ten tijde van het boekenonderzoek reeds sprake is van een strafrechtelijke verdenking. De enkele mededeling van de oud-boekhouder over onjuiste aangiften leidt niet zonder meer tot een strafrechtelijk onderzoek.

Het hof acht het verweer dat de bestuurder geen opzet heeft niet aannemelijk. De bestuurder verwerkt de ontvangsten van de Raad in zijn financieel administratief programma Unique alsof deze geen omzetbelasting bevatten. Beide boekhouders verklaren dat zij aangifte doen op basis van overzichten die de bestuurder aan hen verstrekt en dat zij geen toegang hebben tot het administratiesysteem. In een e-mail van 21 januari 2011 stuurt de bestuurder zijn boekhouder omzetgegevens van 2010 waarin een bedrag van € 1.288.267 is opgenomen dat zou zijn belast met nul procent btw. Het hof concludeert dat de bestuurder opzettelijk onjuiste aangiften door zijn boekhouders laat doen.

In de zaak tegen de vennootschap oordeelt het hof dat de bestuurder volledige zeggenschap heeft over de bedrijfsvoering en zijn opzet kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Het indienen van aangiften omzetbelasting valt binnen de normale bedrijfsvoering en kan op grond van de toerekeningsmaatstaven uit het Drijfmest-arrest aan de vennootschap worden toegerekend. In de zaak tegen de bestuurder wordt hij gekwalificeerd als feitelijk leidinggever, nu de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het door hem gevoerde algemene beleid. Het tenlastegelegde medeplegen wordt in beide zaken niet bewezen geacht. Voor de bestuurder geldt dat de enkele omstandigheid dat een verboden gedraging aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, niet meebrengt dat de feitelijk leidinggever het feit met die rechtspersoon medepleegt.

Ten aanzien van de valsheid in geschrift oordeelt het hof in beide zaken dat de bedrijfsadministratie waarop de aangiften worden gebaseerd, de betalingen van de Raad onjuist als onbelast opneemt. In de zaak tegen de bestuurder wordt deze partieel vrijgesproken voor zover de tenlastegelegde valsheid ziet op de administratie van de vennootschap, omdat geen feitelijk leidinggeven is tenlastegelegd. In de zaak tegen de vennootschap wordt partieel vrijgesproken voor de periode vóór 14 juli 2011, aangezien de rechtspersoon op die datum is opgericht.

Ten aanzien van het niet doen van aangiften wordt het verweer dat alsnog aangifte is gedaan door middel van een suppletie verworpen. De suppletie van 30 december 2016 is gedaan nadat de inspecteur op 27 januari 2016 met de geconstateerde onjuistheden is geconfronteerd. Bovendien is een suppletie volgens de parlementaire geschiedenis bij de Overige fiscale maatregelen 2012 juridisch geen aangifte en ontbeert deze elke wettelijke grondslag. Een tijdige suppletie kan het verzuim om aangifte te doen niet helen. Het hof oordeelt in beide zaken dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr tussen het onjuist doen van aangiften en de valsheid in geschrift, nu de feiten zodanig met elkaar zijn verweven dat de onjuiste aangifte niet zonder de valsheid in geschrift kan worden begaan.

Bewezenverklaring

In de zaak tegen de bestuurder acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 29 februari 2008 tot en met 28 september 2011 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting van zijn eenmanszaak doet of laat doen, dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 juli 2011 geschriften in de bedrijfsadministratie van zijn eenmanszaak valselijk opmaakt, dat hij in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 feitelijk leiding geeft aan het opzettelijk onjuist laten doen door de vennootschap van vijf kwartaalaangiften omzetbelasting en dat hij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 feitelijk leiding geeft aan het opzettelijk niet doen van aangiften door de vennootschap. In de zaak tegen de vennootschap acht het hof bewezen dat de vennootschap in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 opzettelijk vijf onjuiste kwartaalaangiften laat doen, dat zij in de periode van 14 juli 2011 tot en met 10 december 2013 geschriften in haar bedrijfsadministratie valselijk opmaakt of laat opmaken en dat zij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 de aangiften omzetbelasting over vijf kwartalen niet of niet tijdig doet. Beide verdachten worden vrijgesproken van het meer of anders tenlastegelegde, waaronder het medeplegen.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof acht in beide zaken in beginsel een onvoorwaardelijke straf passend, gelet op de ernst van de feiten, de lange periode van strafbaar handelen, het aanzienlijke belastingnadeel en, voor de bestuurder, zijn voorbeeldfunctie als advocaat. Voor de bestuurder gaat het hof uit van een gevangenisstraf van zes maanden; voor de vennootschap van een geldboete van € 100.000. Toepassing van artikel 9a Sr wordt in beide zaken afgewezen.

Het hof constateert echter een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De redelijke termijn vangt aan op 27 januari 2016, het moment van het eerste strafrechtelijk verhoor. In eerste aanleg is de termijn overschreden met drie jaar; in hoger beroep met ongeveer twee jaar, zeven maanden en drie weken. De totale berechting in twee feitelijke instanties is met meer dan vijf jaar, zeven maanden en drie weken overschreden, hetgeen in belangrijke mate niet aan de verdachten kan worden toegerekend. Voor de vennootschap weegt het hof tevens mee dat de rechtspersoon inmiddels is ontbonden en draagkracht ontbreekt.

Gelet hierop legt het hof aan de bestuurder een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Aan de vennootschap wordt een geheel voorwaardelijke geldboete van € 100.000 opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Het hof wijkt daarmee af van het vonnis in eerste aanleg en van de strafeis van het Openbaar Ministerie.

Lees hier de volledige uitspraken: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1209 en https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1208

Print Friendly and PDF ^