Voorwaardelijke geldboete voor recyclingbedrijf wegens geplande overbrenging van PU-schuim dat als afvalstof wordt gekwalificeerd

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4935

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een bedrijf dat afgedankte matrassen recyclet tot een geheel voorwaardelijke geldboete van 2.000 euro voor een geplande illegale overbrenging van polyurethaanschuim naar de Verenigde Arabische Emiraten. Kern van de zaak is de vraag of de balen geperst PU-schuim nog afvalstoffen zijn of door de bewerking bij het bedrijf de status van einde-afvalstof hebben verkregen. Het hof oordeelt dat de nuttige toepassing nog niet is voltooid, omdat het PU-schuim in het land van bestemming eerst nog versnipperd en verlijmd zou moeten worden tot rebonded foam. Het bedrijf heeft het schuim bovendien alleen visueel op hygiëne gecontroleerd, zodat niet vaststaat dat het schoon en gereed voor toepassing was. Het PU-schuim wordt daarom als afvalstof gekwalificeerd en de overbrenging naar een land dat de invoer van groenelijstafvalstoffen verbiedt levert overtreding op van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep legt het hof de geldboete geheel voorwaardelijk op.

Inleiding en context

De verdachte is een rechtspersoon, een bedrijf dat afgedankte matrassen van consumenten, hotels en milieustraten inneemt en daaruit herbruikbare materialen terugwint. De zaak dient in hoger beroep bij de economische kamer van het gerechtshof, na hoger beroep tegen een mondeling vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 oktober 2022. Op 18 juni 2020 voert de Belastingdienst/Douane op het bedrijfsterrein een fysieke controle uit op goederen die ten uitvoer zijn aangegeven en gereedstaan om in een zeecontainer te worden geladen. De zending bestaat uit balen geperste restanten PU-schuim, op een bijlage VII-formulier aangeduid als PU Foam Scrap, met de Verenigde Arabische Emiraten als bestemming. Het bedrijf heeft in 2020 een overeenkomst gesloten met een Italiaanse tussenpersoon over de verkoop en overbrenging van dit PU-schuim.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij op of omstreeks 18 juni 2020 al dan niet opzettelijk een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub f, van de EVOA (Verordening (EG) nr. 1013/2006), door een container met balen polyurethaanschuim (code B3010) van Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten over te brengen in strijd met artikel 36, eerste lid, sub f, van die verordening. Dat verbod ziet op de uitvoer van afvalstoffen naar landen waarvan de bestemming de invoer heeft verboden. Overtreding van dit voorschrift is strafbaar gesteld via artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in verbinding met de Wet op de economische delicten. Centraal staat het begrip afvalstof en de vraag of het PU-schuim door de bewerking de einde-afvalstofstatus heeft bereikt in de zin van artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) en artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Voor PU-schuim bestaan geen communautaire of nationale criteria die bepalen wanneer het na nuttige toepassing niet langer een afvalstof is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De samengeperste balen PU-schuim zijn groenelijstafvalstoffen met code B3010, en op grond van de Landenverordening geldt een verbod op overbrenging daarvan naar de Verenigde Arabische Emiraten. Het beroep van de verdediging op een einde-afvalstatus na de bewerking dient als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen, gelet op de procesbeschrijving van de Italiaanse tussenpersoon over de nuttige toepassing van het PU-schuim in het land van bestemming. Daaruit volgt dat ten tijde van de geplande overbrenging nog geen sprake was van een voltooide nuttige toepassing. De advocaat-generaal vordert een geldboete van 1.800 euro waarvan 1.000 euro voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak. Het bedrijfsproces is erop gericht herbruikbare materialen uit de matrassen te halen; het PU-schuim wordt in stroken gesneden, op kwaliteit en hygiëne gecontroleerd en in balen geperst. Het schuim is bestemd voor een meubelmaker in de Verenigde Arabische Emiraten om direct als vulmiddel voor kussens, bankstellen en ligbedden te worden toegepast. Na de bewerking is het PU-schuim volgens de verdediging geen afvalstof meer, maar een grondstof die direct geschikt is voor nieuwe toepassing, die een afgeronde recyclingbehandeling heeft ondergaan en voldoet aan de einde-afvalcriteria van artikel 1.1, achtste lid, van de Wet milieubeheer. Dat de verdachte het PU-schuim zelf eerder als afvalstof heeft aangemerkt, doet daar volgens de raadsman niet aan af. Voor het geval van een bewezenverklaring voert de raadsman geen strafmaatverweer.

Oordeel gerecht

Het hof stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van een afvalstof beslissend is of de houder zich van de stof heeft ontdaan of voornemens was zich daarvan te ontdoen, ongeacht of de stof economische waarde heeft of voor hergebruik geschikt is. Stoffen blijven afvalstoffen totdat zij die status hebben verloren (HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:433). Dat de ingezamelde afgedankte matrassen met PU-schuim afvalstoffen zijn, staat niet ter discussie. De vraag is of de bewerking door de verdachte tot een einde-afvalstofstatus leidt. Bij gebreke van specifieke criteria voor PU-schuim vindt het hof richtsnoer in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In ARCO Chemie Nederland (HvJ EG 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97) omschrijft het Hof van Justitie de einde-afvalfase als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en de stof dezelfde eigenschappen en kenmerken van een grondstof heeft verkregen. In Mayer Parry (HvJ EG 19 juni 2003, C-444/00) overweegt het Hof van Justitie dat het resultaat van omvorming tot nieuw materiaal met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke stof, niet langer als afval kan worden gekwalificeerd.

Op basis van de procesbeschrijving van de Italiaanse tussenpersoon stelt het hof vast dat het PU-schuim door de afnemer in het land van bestemming ten minste nog in kleine uniforme stukjes zou worden versnipperd en verlijmd voordat het als rebonded foam zou worden toegepast. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het PU-schuim zonder verdere bewerking in de meubelindustrie zou worden gebruikt. De verdachte heeft het schuim bovendien uitsluitend visueel op hygiënische kenmerken gecontroleerd, waardoor onduidelijk is of het schoon was in de zin van die procesbeschrijving en of geen verontreinigingen meer moesten worden verwijderd. Met de door de verdachte verrichte handelingen, het selecteren van geschikte matrassen, daaruit PU-schuim verwijderen en dit in stroken zagen, is nog geen sprake van een voltooide nuttige toepassing. De in hoger beroep overgelegde producties, waaronder een analyse van Europur van 1 juli 2026 over de einde-afvalstofstatus van PU-schuim uit matrassen, dwingen niet tot een ander oordeel. Het hof concludeert dat het PU-schuim als afvalstof moet worden gekwalificeerd. Nu het gaat om gepland vervoer naar een land dat de invoer van deze afvalstoffen heeft verboden, is sprake van een illegale overbrenging in de zin van artikel 2, onder 35, EVOA en heeft de verdachte het verbod van artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer overtreden. Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en kwalificeert dit als opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte:

  • op of omstreeks 18 juni 2020 in Nederland, al dan niet opzettelijk, een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, aanhef en onder f, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door een container met balen polyurethaanschuim (B3010), een afvalstof als bedoeld in Bijlage III van deze verordening, over te brengen van Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl die overbrenging geschiedde in strijd met artikel 36, eerste lid, aanhef en onder f, van die verordening.

Van de onderdelen van de tenlastelegging die niet bewezen zijn verklaard, spreekt het hof de verdachte vrij.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof bepaalt de straf op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de financiële draagkracht van de verdachte. De verdachte heeft zich als professionele marktdeelnemer schuldig gemaakt aan een geplande illegale overbrenging van geperste balen PU-schuim naar een land dat de invoer van deze afvalstoffen verbiedt. De regelgeving beoogt internationaal transport van afvalstoffen te reguleren om ongewenste gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat zij niet eerder is veroordeeld, dat geen sprake is van milieuschade en dat het PU-schuim uiteindelijk niet naar de Verenigde Arabische Emiraten is overgebracht.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. In eerste aanleg bedraagt de overschrijding ruim twee maanden, in hoger beroep een jaar en ruim zeven maanden. Als uitgangspunt acht het hof een geldboete van 2.000 euro waarvan 1.000 euro voorwaardelijk passend. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn legt het hof een geldboete van 2.000 euro geheel voorwaardelijk op, met een proeftijd van twee jaren. Het hof vernietigt het vonnis van de economische politierechter, dat een deels onvoorwaardelijke geldboete inhield, en de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 22 maart 2021. De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10.60 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2 en 36 EVOA.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^