Kort geding over de reikwijdte van het fiscale derdenonderzoek naar ledengegevens van een business club; verstrekking bevolen behoudens de opgave van aanwezigen bij evenementen
/Rechtbank Noord-Holland 2 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11306
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland veroordeelt een keten van luxe herenmodezaken om op grond van de artikelen 47, 49 en 53 AWR ledengegevens van haar business club aan de Belastingdienst te verstrekken over de jaren 2019 tot en met 2025. De Belastingdienst wil met die gegevens onderzoeken of het lidmaatschapsgeld ten onrechte als zakelijke kostenpost wordt opgevoerd en of loon-, dividend-, omzet-, vennootschaps- of inkomstenbelasting is verschuldigd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang voor deze tijdvakken voldoende is en dat het geschil zich leent voor afdoening in kort geding, zodat er geen aanleiding is voor prejudiciële vragen. Van een fishing expedition is geen sprake, want de uitvraag betreft een afgebakende groep leden en blijft binnen de grenzen van de bevoegdheid tot derdenonderzoek, waarbij de dienst handelt volgens de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De gevorderde opgave van de aanwezigen bij de door de business club georganiseerde evenementen gaat te ver vanwege het hoge privacykarakter van die gegevens, en ook de naam op de winkelpas hoeft niet te worden verstrekt. De voorzieningenrechter legt een dwangsom op in beperktere omvang en in een gematigder traject dan gevorderd en oordeelt dat de onderneming geen zelfstandig beroep op de AVG en artikel 8 EVRM toekomt.
Inleiding en context
De zaak speelt tussen de Staat der Nederlanden, in de persoon van de Belastingdienst, als eisende partij en een besloten vennootschap die een keten van luxe herenmodezaken exploiteert, als gedaagde. De onderneming biedt haar klanten een lidmaatschap van een door haarzelf opgerichte business club. Dat lidmaatschap geeft recht op een shoptegoed en op deelname aan besloten evenementen zoals diners, borrels, sporttoernooien, wijnproeverijen en reizen naar Napels of Antwerpen, en kan ook op naam van een rechtspersoon of onderneming worden aangegaan. Tegen een eenmalige inleg staat telkens een hoger shoptegoed, dat volgens de brochure een jaar na uitgifte van de membershippas vervalt en waarvan het restant niet wordt terugbetaald.
De Belastingdienst kondigt op 3 januari 2025 een onderzoek op grond van artikel 47 in verbinding met artikel 53 AWR aan. Na een gesprek op 22 januari 2025 verstrekt de onderneming een deel van de gevraagde informatie, maar weigert zij gegevens die tot individuele leden herleidbaar zijn. Een geconcretiseerd informatieverzoek volgt op 16 juli 2025, waarna de onderneming de herleidbare gegevens opnieuw niet verstrekt. Na verder overleg kondigt de Belastingdienst op 25 maart 2026 een kort geding aan, gevolgd door een sommatie met concept-dagvaarding op 13 mei 2026. De onderneming laat op 27 mei 2026 weten niet aan de sommatie te voldoen. De dagvaarding wordt op 20 juli 2026 uitgebracht en de mondelinge behandeling vindt plaats op 19 augustus 2026.
Vordering en wettelijk kader
De Belastingdienst vordert de onderneming te veroordelen om binnen twee weken volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de op grond van de artikelen 53, 47 en 49 AWR verzochte informatie over de jaren 2019 tot en met heden. Het gaat om een overzicht per jaar met de naam van het lid, de naam op de winkelpas, het adres waarop het lidmaatschap is afgegeven, het soort lidmaatschap met bijbehorend shoptegoed, het betaalde bedrag en de ingangsdatum, om het ongebruikte bestedingsbedrag van leden die hun tegoed niet volledig hebben benut, en om alle betaalbewijzen en facturen alsmede een opgave van de aanwezigen bij de georganiseerde evenementen.
Artikel 47 AWR verplicht de belastingplichtige desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor zijn belastingheffing van belang kunnen zijn. Artikel 53 lid 1 AWR verklaart die verplichting van overeenkomstige toepassing op administratieplichtigen ten behoeve van de belastingheffing van derden, het zogenoemde derdenonderzoek. De onderneming beroept zich daarnaast op de AVG, in het bijzonder de doelspecificatie van artikel 5 lid 1 onder b, het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 6 lid 1 onder e en het beginsel van dataminimalisatie, en op artikel 8 EVRM. Beide partijen betrekken het arrest Stad Rotterdam (HR 10 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB4412) en het arrest Berlioz (HvJ EU 16 mei 2017, C-682/15) in hun betoog.
Standpunt van de Belastingdienst
De Belastingdienst stelt aanwijzingen te hebben dat het lidmaatschap mede wordt ingezet om persoonlijke uitgaven, zoals de aanschaf van kleding of deelname aan evenementen, om te katten naar een zakelijke kostenpost in de vorm van lidmaatschapsgeld. De aankoop van kleding kan behoudens uitzonderingen niet als zakelijke kostenpost gelden, zodat de kosten in beginsel niet ten laste van het ondernemingsresultaat mogen worden gebracht en de btw niet mag worden teruggevraagd. Voor zover kleding wordt aangeschaft ten behoeve van een medewerker, bestuurder of aandeelhouder, kunnen loon- en dividendbelasting verschuldigd zijn.
Artikel 47 AWR biedt volgens de Belastingdienst een zeer ruime bevoegdheid om informatie op te vragen die op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing, ook ter controle van andere gegevens. Op grond van artikel 53 AWR geldt die bevoegdheid ook jegens administratieplichtigen, en het recht op inzage is niet beperkt tot vooraf aangeduide bescheiden of geïndividualiseerde derden. De Belastingdienst mag serievragen stellen en zo in één keer gegevens over een grote groep belastingplichtigen opvragen. Nakoming kan volgens vaste rechtspraak langs civielrechtelijke weg en op straffe van een dwangsom worden afgedwongen. De Belastingdienst vordert een dwangsom van € 25.000 per dag tot een maximum van € 1.500.000 en veroordeling van de onderneming in de proceskosten.
Standpunt van gedaagde
De onderneming concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwist het spoedeisend belang, omdat tussen de aankondiging van het onderzoek en de betekening van de dagvaarding ruim anderhalf jaar is verstreken en de Belastingdienst al sinds 2020 met het product bekend is. Het spoedeisend belang bij de jaren 2019 en 2020 acht zij niet aannemelijk gemaakt.
Inhoudelijk voert de onderneming aan dat de artikelen 53 en 47 AWR het informatieverzoek niet kunnen dragen. Serievragen zijn toegestaan, maar uitsluitend binnen het doel van artikel 47 AWR, en de bevoegdheid geeft de Belastingdienst niet het recht om eerst een populatie te creëren en daarna te bepalen of, bij wie en waarom een fiscale vraag speelt. De uitvraag verschuift daarmee van een verificatie-instrument naar een selectie-instrument en is disproportioneel, omdat zij alle leden raakt zonder concrete aanwijzing. De onderneming spreekt van een fishing expedition. Het arrest Stad Rotterdam is volgens haar door de technologische ontwikkelingen achterhaald, en de casus stelt een principiële, door de Hoge Raad nog niet beantwoorde vraag aan de orde over de reikwijdte van artikel 53 AWR bij een hedendaagse bulkuitvraag van herleidbare persoonsgegevens. Die vraag leent zich naar haar oordeel niet voor kort geding, en subsidiair verzoekt zij om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
De onderneming beroept zich verder op artikel 8 EVRM en op het arrest Berlioz, waaruit volgens haar volgt dat fiscale informatieverzoeken voorzienbaar relevant, gemotiveerd en begrensd moeten zijn. Zij acht de vordering in strijd met de AVG wegens ontbrekende doelspecificatie, onvoldoende nodzaak, strijd met dataminimalisatie en met het transparantiebeginsel, dat verlangt dat betrokkenen worden geïnformeerd. Een minder ingrijpend middel bestaat volgens haar in onderzoek bij de belastingplichtigen zelf. Meer subsidiair verzoekt zij de voorziening te beperken, te faseren en te clausuleren, met een termijn van ten minste zes weken, matiging of achterwege laten van de dwangsom, een verplichting voor de Belastingdienst om betrokkenen te informeren, en om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Oordeel voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter acht het belang van de Belastingdienst bij de gevraagde gegevens over de tijdvakken 2019 tot en met 2025 voldoende spoedeisend. Tijdsverloop kan gevolgen hebben voor de aan vervaltermijnen gebonden mogelijkheid om aanslagen op te leggen of na te vorderen of na te heffen, en het benodigde onderzoek naar mogelijk hybride verstrekkingen is tijdrovend. Voor het lopende tijdvak 2026 is onvoldoende spoedeisend belang gebleken. Dat tussen aankondiging en dagvaarding anderhalf jaar ligt, staat aan het spoedeisend belang niet in de weg, omdat de Belastingdienst op verzoek van de onderneming herhaaldelijk overleg en uitstel heeft toegestaan en de noodzaak van een procedure pas is gebleken toen de onderneming op 27 mei 2026 op de sommatie reageerde.
Ten gronde stelt de voorzieningenrechter voorop dat de artikelen 47 en 53 AWR een ruime bevoegdheid geven om bij administratieplichtigen gegevens op te vragen die voor de belastingheffing van derden van belang kunnen zijn. Die bevoegdheid is niet beperkt tot gevallen waarin al concrete aanwijzingen bestaan ten aanzien van iedere afzonderlijke belastingplichtige, wat zich ook slecht zou verdragen met de mogelijkheid van serievragen. Het beroep van de onderneming op de Vaktechnische Instructie Controle Derdenonderzoeken leidt niet tot een ander oordeel: het derdenonderzoek strekt niet uitsluitend tot verificatie van reeds verstrekte gegevens, maar ook tot het verkrijgen van ontbrekende informatie en het identificeren van belastingplichtigen bij wie nader onderzoek aangewezen kan zijn. De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen de omvang van de uitvraag begrenzen, maar rechtvaardigen niet de door de onderneming bepleite beperking van functie en bereik. Het beroep op détournement de pouvoir slaagt evenmin.
De voorzieningenrechter volgt de onderneming niet in haar betoog dat het arrest Stad Rotterdam door de technologische ontwikkelingen is achterhaald. Van een door moderne technologie mogelijk gemaakte ongerichte verzameling van grote hoeveelheden gegevens is geen sprake, omdat de uitvraag een vooraf bepaalde en inhoudelijk samenhangende groep betreft, te weten de leden van de business club gedurende een beperkt aantal fiscale jaren, met een beperkt aantal aan het lidmaatschap gerelateerde gegevens. Een dergelijke uitvraag had ook in 1974 kunnen plaatsvinden en laat zich vergelijken met de in Stad Rotterdam aan de orde zijnde uitvraag over een categorie verzekerden. De sedertdien gevolgde lijn geldt onverkort, zodat er geen aanleiding is voor prejudiciële vragen en het geschil zich leent voor kort geding.
De voorzieningenrechter acht toereikende gronden aanwezig om de uitvraag van belang te achten voor de belastingheffing. Bij belastingplichtigen zijn onjuist verwerkte facturen aangetroffen, uit een verzoek om vooroverleg blijkt dat de onderneming het lidmaatschap alleen aan ondernemers aanbiedt en als volledig aftrekbare faciliteit ziet, en het jaarlijks vervallende shoptegoed vormt een krachtig werkende prikkel om te besteden. Bezien in samenhang met het onzakelijke karakter van het kledingdeel biedt dat voldoende grondslag voor een gepersonaliseerde uitvraag.
Het argument dat de Belastingdienst de informatie bij de belastingplichtigen zelf kan opvragen, baat de onderneming niet in algemene zin, omdat de dienst eerst moet kunnen vaststellen wie die belastingplichtigen zijn en zij daarvoor een administratieplichtige mag benaderen. De concrete omvang van de uitvraag moet wel in redelijke verhouding staan tot het fiscale doel. Op dat punt gaat de gevorderde opgave van de aanwezigen bij alle door de business club georganiseerde evenementen te ver: het privacykarakter daarvan is verstrekkend, en een toelichting op die verstrekkingen kan ook in een vervolgonderzoek bij de betrokken belastingplichtige worden gegeven. Voor het overige voldoen de gevraagde gegevens aan de in Berlioz bedoelde voorzienbare relevantie, omdat zij de sleutel vormen tot een fiscaal onderzoek waaraan conclusies kunnen worden verbonden.
Op de AVG komt de onderneming geen zelfstandig beroep toe, omdat zij niet de natuurlijke persoon is op wie de gegevens betrekking hebben en zij aan de AVG geen eigen belang kan ontlenen. De gegevensverwerking wordt bovendien effectief, noodzakelijk en proportioneel geacht en gaat niet verder dan nodig, zodat ook aan het beginsel van dataminimalisatie is voldaan; de Belastingdienst is tot geheimhouding verplicht. Om dezelfde redenen slaagt het beroep op artikel 8 EVRM niet, nu het bevel op de wet is gebaseerd, noodzakelijk en proportioneel is.
Bij de inrichting van de toewijzing overweegt de voorzieningenrechter dat ook over 2019 en 2020 gegevens moeten worden verstrekt, omdat het verstrijken van de reguliere vervaltermijnen zonder nadere gegevens niet meebrengt dat voor de gehele populatie ieder fiscaal belang bij die jaren ontbreekt. Over 2026 hoeven geen gegevens te worden verstrekt en de opgave van de aanwezigen bij de evenementen blijft achterwege. Omdat de onderneming stelt niet meer over de namen op de winkelpas te beschikken en de uitgifte daarvan in 2019 te hebben gestaakt, wordt de vordering op dat punt afgewezen. De gevorderde termijn van twee weken acht de voorzieningenrechter te kort en wordt op vier weken gesteld. De dwangsom wordt in beperktere omvang en in een gematigder traject opgelegd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen niet tijdige medewerking en op onderdelen onvoldoende medewerking. Het verzoek om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wordt afgewezen, omdat de Belastingdienst niets heeft aan een niet uitvoerbaar verklaard vonnis en te weinig aan gepseudonimiseerde gegevens.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt de onderneming om binnen vier weken na het vonnis volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de op grond van de artikelen 53, 47 en 49 AWR verzochte informatie over de jaren 2019 tot en met 2025, in Excel per apart veld. Het gaat om een overzicht per jaar met de naam van het lid, het adres waarop het lidmaatschap is afgegeven, het soort lidmaatschap met bijbehorend shoptegoed, het betaalde bedrag per lidmaatschap en de ingangsdatum, om het ongebruikte bestedingsbedrag van leden die hun tegoed niet volledig hebben benut, en om alle betaalbewijzen en facturen die betrekking hebben op de lidmaatschappen van de business club.
De voorzieningenrechter legt een dwangsom op van € 5.000 per dag voor de eerste week, € 10.000 per dag voor de tweede week en € 20.000 per dag nadien, tot een maximum van € 500.000, voor het geval de onderneming niet tijdig aan de hoofdveroordeling voldoet. Levert de onderneming binnen vier weken met een toegelichte pretentie van volledigheid gegevens aan die op onderdelen onvolledig blijken, dan gelden dezelfde tarieven, maar gaat de dwangsom pas lopen nadat de Belastingdienst schriftelijk en concreet tot aanvulling heeft gesommeerd onder een redelijke termijn. De onderneming wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.845,02, te vermeerderen met wettelijke rente, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Lees hier de volledige uitspraak.
