Voorwaardelijk sepot herroepen ondanks vrijspraak: Hof Den Haag bevestigt vaste lijn en wijkt af van vordering AG

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 21 april 2026 geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in een vervolging die voortkomt uit de herroeping van een voorwaardelijk sepot, ook nu de verdachte is vrijgesproken van het feit dat tot die herroeping aanleiding gaf. Het hof bevestigt daarmee de jurisprudentielijn die de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2015:3639 heeft uitgezet en die het hof zelf eerder al toepaste in ECLI:NL:GHDHA:2020:1408. Opvallend is dat zowel de raadsman als de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van het OM bepleitten; het hof volgt deze gezamenlijke vordering niet. Daarnaast komt het hof tot een ander oordeel dan de politierechter over de vraag of het bij verdachte aangetroffen vuurwapen voor onttrekking aan het verkeer in aanmerking komt.

De zaak: mishandeling op het voetbalveld en een aangetroffen vuurwapen

De zaak betreft een verdachte die op 25 maart 2023 tijdens een amateurvoetbalwedstrijd in Den Haag een tegenspeler tweemaal tegen het hoofd heeft geslagen. Het OM heeft deze mishandeling aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerd. Vervolgens werd verdachte aangetroffen in een auto waarin een geladen vuurwapen lag, waarop op meerdere plaatsen zijn DNA werd gevonden. Het OM beschouwde dat als overtreding van de sepotvoorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet aan een nieuw strafbaar feit zou schuldig maken, herriep het sepot en dagvaardde alsnog ter zake van de mishandeling. Daarnaast werd verdachte vervolgd voor verboden wapenbezit. De politierechter sprak verdachte vrij van dat wapenbezit, maar veroordeelde hem wel voor de mishandeling tot een taakstraf van 40 uren. Het inbeslaggenomen vuurwapen werd door de politierechter onttrokken aan het verkeer. Verdachte stelde hoger beroep in.

Het ontvankelijkheidsverweer en de reactie van het hof

In hoger beroep voerde de raadsman aan dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De redenering: nu de politierechter onherroepelijk heeft vrijgesproken van het wapenbezit, staat niet vast dat verdachte zich aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De sepotvoorwaarde is daarmee volgens de verdediging niet overtreden, zodat het voorwaardelijk sepot in stand blijft en in de weg staat aan de huidige vervolging. De advocaat-generaal sloot zich bij dit standpunt aan en vorderde eveneens niet-ontvankelijkverklaring van het OM.

Het hof verwerpt dit verweer. Onder verwijzing naar HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3639 overweegt het hof dat het ontstaan van een redelijke verdenking van een nieuw strafbaar feit voldoende is om ondanks een eerder voorwaardelijk sepot alsnog tot vervolging over te gaan. Dat verdachte uiteindelijk is vrijgesproken van dat nieuwe feit, omdat de politierechter niet kon vaststellen dat verdachte op de tenlastegelegde datum beschikkingsmacht had over het vuurwapen, doet daaraan niet af. De verdenking als zodanig was, gelet op de aanwezigheid van het wapen in de auto en de DNA-sporen van verdachte daarop, redelijk en werd bovendien niet betwist.

Achtergrond: de Hoge Raad-lijn en de rol van het opportuniteitsbeginsel

De redenering van het hof past in een vaste lijn. De Hoge Raad heeft in 2015 geoordeeld dat de uitleg dat de sepotvoorwaarde "geen nieuw strafbaar feit plegen of zich anderszins misdragen" niet ziet op een veroordeling voor een nieuw feit, maar op het ontstaan van een redelijke verdenking, niet onbegrijpelijk is. De achterliggende gedachte is dat het OM op grond van artikel 167 Sv en het daarin verankerde opportuniteitsbeginsel een ruime beslissingsbevoegdheid heeft over het al dan niet vervolgen. Een rechterlijke marginale toetsing aan de beginselen van een goede procesorde, zoals het vertrouwens- en het verbod van willekeur, kan daaraan grenzen stellen, maar niet zonder meer leiden tot niet-ontvankelijkheid wanneer een redelijke verdenking ten tijde van de herroeping bestond.

In de literatuur is opgemerkt dat een voorwaardelijk sepot het OM in beginsel de bevoegdheid laat om, ook indien beginselen van een behoorlijke procesorde zich daartegen niet verzetten, alsnog tot dagvaarding over te gaan, óók als de gestelde voorwaarden zijn nageleefd. Bij een latere vrijspraak van het feit dat tot herroeping aanleiding gaf, blijft de toets dus gericht op het moment waarop het OM zijn beslissing nam. Het Hof Den Haag heeft die lijn eerder bevestigd in ECLI:NL:GHDHA:2020:1408, in een zaak waarin de verdachte was vrijgesproken van een tweede ten laste gelegd feit (bedreiging) maar werd vervolgd voor het oorspronkelijk geseponeerde feit.

Een hof dat afwijkt van de vordering van de advocaat-generaal

Een opmerkelijk aspect van het arrest is dat het hof afwijkt van de vordering van de advocaat-generaal. Beide partijen, verdediging én OM in hoger beroep, bepleitten niet-ontvankelijkheid van het OM. Dat het hof daar niet in meegaat, illustreert dat de rechter zelfstandig de ontvankelijkheidsvraag toetst en zich daarbij niet zonder meer laat leiden door een eensluidend standpunt van procespartijen. Voor de praktijk onderstreept dit dat een door de AG gevorderde niet-ontvankelijkheid niet automatisch wordt gevolgd, ook niet wanneer de verdediging zich daarbij aansluit.

De beslagvraag: vrijspraak verhindert onttrekking aan het verkeer

Naast de ontvankelijkheidsvraag oordeelt het hof anders dan de politierechter over de in het beslag genomen voorwerpen. De politierechter had het vuurwapen onttrokken aan het verkeer. Het hof corrigeert dat. Door de onherroepelijke vrijspraak van het verboden wapenbezit is volgens het hof niet voldaan aan de vereisten van artikel 36b, 36c en 36d Sr. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat door de vrijspraak ten aanzien van het wapenbezit niet kan worden vastgesteld dat in relatie tot het inbeslaggenomen voorwerp een strafbaar feit is begaan, terwijl de wel bewezenverklaarde mishandeling geen verband houdt met het vuurwapen.

Voor onttrekking aan het verkeer geldt dat het inbeslaggenomen voorwerp in een door artikel 36c of 36d Sr beschreven verband moet staan tot een begaan strafbaar feit. Artikel 36b lid 1 onder 3 Sr voorziet in onttrekking ondanks vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, mits de rechter vaststelt dat een strafbaar feit is begaan. Wanneer dat verband ontbreekt, zoals het hof vaststelt, ontvalt aan de maatregel haar wettelijke grondslag. Het hof markeert daarmee dat een latere veroordeling voor een ander feit, zonder verband met het inbeslaggenomen voorwerp, geen zelfstandige basis biedt voor onttrekking aan het verkeer.

Het hoger beroep tegen de vrijspraak

Een procesrechtelijke nevenvraag betreft de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep tegen de vrijspraak van het wapenbezit. Op grond van artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen een vrijspraak geen hoger beroep open. Het hof verklaart verdachte op dit punt dan ook niet-ontvankelijk. Dat oordeel is in lijn met vaste rechtspraak.

Strafmaat

Inhoudelijk veroordeelt het hof verdachte tot dezelfde taakstraf als de politierechter: 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof neemt in aanmerking dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit en dat geweld op het voetbalveld bijdraagt aan in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid in het amateurvoetbal.

Afsluiting

Met dit arrest zet het Hof Den Haag de jurisprudentielijn voort die de Hoge Raad in 2015 vastlegde: voor het doorzetten van een vervolging na herroeping van een voorwaardelijk sepot is een redelijke verdenking ten tijde van die herroeping toereikend, ook wanneer de verdachte later wordt vrijgesproken van het feit dat de sepotvoorwaarde zou hebben geschonden. Tegelijkertijd laat het arrest zien dat een veroordeling voor het oorspronkelijk geseponeerde feit niet automatisch alle juridische gevolgen van de eerdere verdenking met zich brengt: het inbeslaggenomen vuurwapen is, bij gebreke van het vereiste verband met het bewezenverklaarde feit, niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Dat het hof daarbij afwijkt van een gezamenlijke gevorderde niet-ontvankelijkheid van verdediging en advocaat-generaal, onderstreept de zelfstandige rol van de rechter in de toets aan de ontvankelijkheid van het OM.

Print Friendly and PDF ^