Visfraude: maatschap veroordeeld voor valsheid in geschrift door visreizen te registreren op naam van kapot vaartuig
/Rechtbank Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1812
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een maatschap tot een geheel voorwaardelijke geldboete van 25.000 euro voor valsheid in geschrift in de visserijsector. De maatschap registreert tussen 2021 en 2023 fictieve visreizen in het digitale vangstregistratiesysteem E-Lite op naam van een vaartuig dat al jaren niet meer vaart. De zeebaarsvangsten die op dit vaartuig worden weggeschreven, zijn in werkelijkheid gevangen met een ander vaartuig dat over een beperktere vismachtiging beschikt. De rechtbank verwerpt het verweer dat de Uitvoeringsregeling Zeevisserij als specialis aan vervolging op grond van artikel 225 Sr in de weg staat. Het verweer dat pas sprake is van een geschrift na verzending van de gegevens wordt eveneens verworpen: de rechtbank oordeelt dat het geschrift al bestaat op het moment van invoer in het systeem. Bij de strafmaat weegt de rechtbank mee dat ook een ontnemingsvordering van ruim 83.000 euro loopt, waardoor een geheel voorwaardelijke geldboete volstaat.
Inleiding en context
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een maatschap voor het opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften in het digitale vangstregistratiesysteem E-Lite. De verdachte is een rechtspersoon, een maatschap die meerdere vissersvaartuigen exploiteert. De zaak draait om het registreren van visreizen op naam van een vaartuig dat sinds 2021 niet meer vaart omdat het kapot is. De vangsten die op dit vaartuig worden weggeschreven, betreffen in werkelijkheid zeebaars die met een ander vaartuig is gevangen. Het betreft een eerste aanleg bij de meervoudige strafkamer. Twee afzonderlijke zaken, aangeduid als zaak A en zaak B, worden ter terechtzitting gevoegd behandeld. Zaak A heeft betrekking op visreizen in 2021 en 2022, zaak B op visreizen in 2023.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben, afleveren en/of gebruikmaken van valse geschriften, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat concreet om opgaven in het E-Lite systeem waarin verschillende visreizen in 2021, 2022 en 2023 op naam van het vaartuig van de verdachte worden doorgegeven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, terwijl dat vaartuig die visreizen niet heeft gemaakt. De tenlastelegging omvat ook het bestanddeel medeplegen. Het wettelijk kader wordt verder bepaald door de artikelen 104a en 141 van de Uitvoeringsregeling Zeevisserij, die verplichten dat een vissersvaartuig kleiner dan tien meter binnen 24 uur na aanlanding via het E-Lite systeem opgave doet aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De gegevens dienen volledig en naar waarheid te worden bijgehouden of verstrekt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht beide tenlastegelegde feiten bewezen. De officier van justitie vordert een geldboete van 25.000 euro, waarvan 15.000 euro voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Bij het bepalen van de strafeis houdt de officier van justitie rekening met een ontnemingsvordering in zaak A, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel van in totaal ruim 83.000 euro wordt teruggevorderd. Volgens het Openbaar Ministerie registreert de verdachte de visreizen op het niet-varende vaartuig om zeebaars die met een ander vaartuig is gevangen te kunnen wegschrijven op de ruimere zeebaarsmachtiging van het eerste vaartuig. Het andere vaartuig beschikt slechts over een beperkte machtiging voor de onvermijdelijke bijvangst van zeebaars, terwijl het geregistreerde vaartuig een ruimere machtiging heeft voor het vangen van zeebaars met handlijn en/of hengelsnoer. Ten aanzien van de specialisverhouding stelt de officier van justitie dat geen sprake is van een specialis-generalisverhouding, omdat de bepalingen uit de Uitvoeringsregeling Zeevisserij en artikel 225 Sr verschillende belangen dienen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert verschillende verweren. Ten eerste stelt de verdediging dat de verdachte geen vals geschrift voorhanden heeft gehad, heeft afgeleverd of hiervan gebruik heeft gemaakt, omdat pas van een geschrift sprake is nadat de in het E-Lite systeem ingevoerde gegevens naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zijn verstuurd. Wat de verdachte heeft gedaan is hooguit het opmaken van een vals geschrift, maar dat is niet ten laste gelegd. Ten tweede verzoekt de verdediging vrijspraak van het bestanddeel medeplegen. Ten derde stelt de verdediging dat artikel 225 Sr buiten toepassing moet worden verklaard, omdat de artikelen 104a en 141 van de Uitvoeringsregeling Zeevisserij moeten worden gezien als een geprivilegieerde logische specialis, subsidiair als een systematische specialis van artikel 225 Sr. Vervolging op grond van de generalis benadeelt de verdachte, omdat overtreding van de Uitvoeringsregeling geen misdrijf maar een overtreding met lagere strafbedreiging oplevert. De verdediging stelt verder dat is gevist met de oorspronkelijke bijboot van het geregistreerde vaartuig en dat het enige verwijt is dat deze bijboot pas in 2024 als nieuw vaartuig is geregistreerd. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging een geheel voorwaardelijke geldboete, met inachtneming van een vormverzuim wegens stelselmatige observatie voorafgaand aan de verkrijging van een daartoe strekkend bevel, de beperkte strafwaardigheid van het feit en de moeilijke economische omstandigheden in de visserijbranche.
Oordeel gerecht
De rechtbank bespreekt allereerst het juridisch kader. Het samenstel van de door de verdachte in het E-Lite systeem ingevoerde gegevens wordt aangemerkt als een geschrift in de zin van artikel 225 Sr, ook al zijn die gegevens elektronisch ingevuld. Anders dan de verdediging betoogt, is van een geschrift al sprake op het moment dat de gegevens in het systeem zijn ingevoerd, niet pas op het moment van verzending. De ingevoerde visreizen zijn niet gemaakt met het vaartuig waarop zij zijn geregistreerd. De geschriften zijn dus vals. Het geschrift dient als bewijs voor de gemaakte visreis en wordt door de overheid gebruikt voor het bijhouden van de uitputting van het individuele visquotum. Het is daarom bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Door de valse geschriften via het E-Lite systeem aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland te versturen, worden zeebaars-vangsten geregistreerd op de zeebaarsmachtiging van een vaartuig dat niet heeft gevist. De controlerende instantie wordt daarmee misleid en belemmerd in haar taak om de uitputting van de per houder toegestane quota te bewaken. De rechtbank merkt dit aan als gebruikmaken van een vals geschrift.
Ten aanzien van het kwalificatieverweer oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een generalis-specialisverhouding. Voor een geprivilegieerde logische specialis is vereist dat de specialis alle bestanddelen van de generalis bevat plus een of meer bijzondere bestanddelen. Daarvan is geen sprake, omdat in de bijzondere bepaling een bestanddeel dat opzet impliceert ontbreekt. Van een systematische specialis is evenmin sprake, nu de wetgeschiedenis van de Uitvoeringsregeling geen aanwijzingen bevat dat de wetgever een specialisverhouding ten opzichte van valsheid in geschrift heeft beoogd. Bovendien verschilt het doel van beide regelingen: de Uitvoeringsregeling richt zich op het monitoren van de visstand, terwijl artikel 225 Sr het vertrouwen in de juistheid van geschriften beschermt.
De rechtbank gaat mee in de visie van het Openbaar Ministerie dat de op het niet-varende vaartuig geregistreerde zeebaars in werkelijkheid vangst van het andere vaartuig betreft. De lezing van de verdachte dat met de bijboot is gevist, is niet onderbouwd. Tijdens een van de geregistreerde visreizen is twee keer per dag gecontroleerd of de bijboot op haar ligplaats lag, wat steeds het geval was. De stelling van de verdediging dat de boot precies op niet-gecontroleerde tijdstippen is gebruikt, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze waarnemingen bevestigen ook de anonieme meldingen dat met het andere vaartuig grote hoeveelheden zeebaars worden gevangen. Het bestanddeel medeplegen wordt niet bewezen verklaard. Het feitelijk handelen van een van de maten wordt aan de maatschap toegerekend.
Het vormverzuimverweer wordt verworpen. De veronderstelde stelselmatige observatie betreft het vijftien keer bekijken van de ligplaats van een boot in een periode van twee weken. De rechtbank oordeelt dat hierdoor de persoonlijke levenssfeer van de maatschap niet is geschonden.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in zaak A op of omstreeks 9 oktober 2021 en in de periodes van 16 juni 2022 tot en met 17 juni 2022 en 27 juni 2022 tot en met 28 juni 2022 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten opgaven in het E-Lite systeem voor visreizen met het betreffende vaartuig, door deze opgaven digitaal op te sturen naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, terwijl het schip die visreizen niet had gemaakt;
in zaak B in de periodes van 4 september 2023 tot en met 9 september 2023 en 11 september 2023 tot en met 16 september 2023 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften op dezelfde wijze.
De verdachte wordt vrijgesproken van het bestanddeel medeplegen. De feiten worden gekwalificeerd als opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke geldboete op van 25.000 euro, met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van het Openbaar Ministerie, dat een deels onvoorwaardelijke geldboete had gevorderd. De rechtbank overweegt dat de verdachte gedurende een langere periode niet-gemaakte visreizen heeft doorgegeven en vervolgens zeebaarsvangsten van het andere vaartuig op de ten onrechte geregistreerde visreizen heeft weggeschreven. De verdachte is zo in staat geweest zeebaars te verkopen die volgens de vismachtiging niet verkocht kon worden. De rechtbank kwalificeert dit als sterk financieel gedreven delicten. Dat de verdachte de opgetelde totaalquota van beide vaartuigen niet heeft overschreden, doet aan die conclusie niet af. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat ook een ontnemingsprocedure loopt waarin een betalingsverplichting voor het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd. Het voornaamste doel van de straf is de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de ontnemingsmaatregel ziet de rechtbank geen aanleiding voor een onvoorwaardelijk strafdeel. De toepasselijke wettelijke voorschriften betreffen de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 51, 57 en 225 Sr.
Lees hier de volledige uitspraak.
