Jaarverslag 2025 Huis voor Klokkenluiders: Tien jaar verbod op benadeling, nog geen tanden
/Het Huis voor Klokkenluiders publiceerde op 10 maart 2026 zijn jaarverslag over 2025. De cijfers laten een organisatie zien die structureel overbelast raakt door een vraag die jaar na jaar met bijna 50% stijgt. Opvallender is wat de cijfers zeggen over de werking van de Wet bescherming klokkenluiders zelf: een wettelijk verbod op benadeling dat al tien jaar bestaat, maar zonder tanden.
De cijfers: aanhoudende groei, structurele knel
Het totaal aantal contacten steeg van 1.232 in 2023 naar 3.262 in 2025. Dat is een verdubbeling in twee jaar. Het aantal adviesverzoeken over vermoedelijke misstanden groeide van 467 naar 697, een stijging van bijna 50% voor het derde achtereenvolgende jaar. Nog opvallender: het aantal verzoeken tot onderzoek meer dan verdrievoudigde, van 28 naar 93.
De capaciteit groeide niet mee. In de zomer van 2025 liep de wachtrij op tot zes weken. Eind 2025 was die teruggebracht tot drie weken, maar dat betekende nog steeds dat melders wekenlang in onzekerheid zaten, vaak terwijl ze al benadeling ervoeren.
Het kernprobleem: benadeling is de norm, niet de uitzondering
Het meest opvallende gegeven in het jaarverslag is tegelijk het meest zorgwekkende: 88% van de adviesverzoekers ervaart een vorm van benadeling nadat zij een melding hebben gedaan. In 25% van de gevallen gaat het om ontslag. Ruim 20% meldt zich ziek, en 12% voelt zich gepest, geïsoleerd of bedreigd.
Dit is geen nieuw probleem. Het benadelingsverbod geldt al tien jaar, eerst op grond van de Wet Huis voor Klokkenluiders uit 2016, daarna onder de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) die op 18 februari 2023 in werking trad. De cijfers laten zien dat dit verbod in de praktijk weinig betekent zolang het niet gehandhaafd kan worden.
De wetgever voorzag dit probleem en nam in de Wbk een toezichts- en sanctietaak op voor het Huis, inclusief de bevoegdheid om schending van het benadelingsverbod te sanctioneren (art. 3a lid 3 sub e Wbk). Deze bepaling is echter nog niet in werking getreden. De minister heeft de activering ervan voorlopig "on hold" gezet en de toezichtstaken beperkt tot de verplichte meldregeling, de informatieplicht voor grotere organisaties en de identiteitsbescherming van melders. Handhaving van het benadelingsverbod zelf blijft buiten beeld.
De strafrechtelijke dimensie
Voor lezers van bijzonderstrafrecht.nl is relevant dat een aanzienlijk deel van de meldingen die bij het Huis binnenkomen, betrekking heeft op gedragingen die strafrechtelijk gekwalificeerd kunnen worden: fraude, valsheid in geschrifte, verduistering, corruptie, onjuist gebruik van overheidsgeld en AVG-schendingen. Het jaarverslag signaleert ook dat zaken vaak meerdere vermoedens combineren, zoals gelijktijdig machtsmisbruik en belangenverstrengeling, of angstcultuur en valsheid in geschrifte.
In de semi-publieke sector komt de sector Zorg & Welzijn het vaakst voor. Werknemers uit de jeugdzorg klopten in 2025 verhoudingsgewijs veel aan, over verkeerde omgang met zorgdeclaraties en de kwaliteit van zorg. Werknemers uit de culturele sector meldden vermoedens over verkeerd gebruik van publiek geld en angstcultuur. Dit zijn thema's die ook in de bijzondere strafrechtspleging (fraude met zorggeld, subsidiefraude) regelmatig terugkeren.
Een interessante uitspraak van de Hoge Raad
Uit het jaarverslag blijkt dat de Hoge Raad op 7 februari 2025 heeft beslist dat bij een beroep op het benadelingsverbod van de Wbk een omgekeerde bewijslast geldt: de werkgever moet bewijzen dat er geen sprake is geweest van benadeling (HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190). Dat is een relevante ontwikkeling in het civiele arbeidsrecht, maar onderstreept tegelijk de lacune op handhavingsvlak: de klokkenluider die benadeeld is, kan een civiele procedure starten, maar moet dat zelf doen en zelf financieren, tenzij hij via het Huis wordt doorverwezen naar de regeling kosteloze rechtsbijstand.
Die regeling bestaat overigens per 1 februari 2024: via de Raad voor Rechtsbijstand kunnen melders kosteloos een advocaat inschakelen. In 2025 kregen 38 mensen een verwijsbrief.
Het moment van melding: onduidelijkheid in de rechtspraak
Een ander opvallend punt betreft het moment waarop bescherming intreedt. Het Huis signaleert dat medewerkers die intern een misstand aan de orde stellen zonder dat expliciet als "melding" te benoemen, soms buiten de bescherming vallen, terwijl zij al wel benadeld worden. Verschillende rechtbanken interpreteren het begrip "melding van een vermoeden van een misstand" bovendien verschillend: de ene rechter eist melding via een formele meldregeling, de andere acht een e-mail voldoende. Een consistente rode draad is dat een melding herkenbaar en aantoonbaar moet zijn.
Naleving door werkgevers schiet tekort
10% van de werkgevers heeft helemaal geen meldprocedure. Dat geldt ook voor 10% van de grote vennootschappen die daartoe wettelijk verplicht zijn, zo blijkt uit de monitoring van de Corporate Governance Code. Een substantieel deel van de werkgevers met een meldprocedure heeft deze niet aangepast aan de eisen van de Wbk.
Zolang hier geen consequenties aan verbonden zijn, verwacht het Huis geen verbetering. Dat is een politiek-bestuurlijk vraagstuk, maar ook een rechtsstatelijk: als wetgeving die klokkenluiders beschermt stelselmatig niet wordt nageleefd en niet kan worden gehandhaafd, verliest die bescherming haar waarde. En dat heeft uiteindelijk gevolgen voor de bereidheid van mensen om misstanden te melden, ook die met een strafrechtelijke component.
