Veroordeling water- en bodemverontreiniging, benadeelde waterschap en gemeente niet-ontvankelijk in vorderingen

Rechtbank Noord-Nederland 29 juni 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2307

Verdachte heeft opzettelijk zonder vergunning van het waterschap restlading uit een sloptank van zijn schip in de Farmsumer haven gebracht en daarnaast (tezamen en in vereniging) een deel van die lading in de berm gebracht, terwijl verdachten opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen ter voorkoming daarvan dan wel de verontreiniging en de gevolgen ervan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.  

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 en laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. Verdachte is niet degene geweest die de restlading in het water en in de bodem heeft gebracht; de lekkage waardoor de verontreiniging is ontstaan, is geheel aan de zijde van de tankwagen ontstaan. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het vastmaken van de koppeling van de slang aan de tankwagen. Nadat verdachte door een klap bemerkte dat de koppeling van de tankwagen was losgeschoten, heeft verdachte de pomp direct gestopt. Verdachte heeft dan ook niet als (mede-)pleger opzettelijk stoffen in het oppervlaktewater en in de bodem gebracht, noch behoefde hij redelijkerwijze te verwachten dat zulks het gevolg zou zijn van de lekkage door het losschieten van de koppeling. Verdachte heeft ook niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stoffen in het oppervlaktewater zijn gebracht. Een alledaagse handeling als het pompen van stoffen van een sloptank naar een tankwagen brengt niet zonder meer een reële mogelijkheid met zich mee dat een koppeling losschiet, met als gevolg het brengen van stoffen in het oppervlaktewater en in de bodem. Evenmin is er bij verdachte sprake van een bewuste en nauwe samenwerking met de chauffeur van de tankwagen geweest, aangezien verdachte geen intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het brengen van de stoffen in het oppervlaktewater of in de bodem, nu verdachte de koppeling van de slang niet zelf aan de tankwagen heeft aangebracht of die heeft laten aanbrengen. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Overwegingen rechtbank

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de economische politierechter het volgende. Niet betwist wordt dat verdachte met diens schip scheepsnaam 1 zaterdagavond 17 december 2016 om ongeveer 20.06 uur is aangemeerd in de Farmsumer haven (gemeente Delfzijl). Daarnaast staat vast dat verdachte zich heeft willen ontdoen van een restlading zogenoemde slops. Hij heeft daartoe een tankwagen, waarvan de eigenaar en/of chauffeur onbekend is gebleven, via tussenpersoon bedrijfsnaam 4 naar de kade in Farsum laten komen, welke wagen op het tijdstip waarop verdachte met diens schip aanmeerde, op de kade aanwezig was. Vervolgens is een reeks slangen aan elkaar gekoppeld, opdat de slop uit de tank van het schip naar de tankwagen kon worden gepompt. Op enig moment, tijdens het pompen van de slop van het schip naar de tankwagen, schiet een van de koppelingen waarmee de slangen aan elkaar en aan de tankwagen zijn verbonden, los. Naar alle waarschijnlijkheid is dit geschied op de plek waar de slang aan de tankwagen is gekoppeld. Daardoor ontstaat een lek, ten gevolge waarvan de sterk ruikende slop zich verspreidt over de weg, over de berm en de kade en vanuit daar op en in het oppervlaktewater van de Farmsumer haven terecht komt. Om ongeveer 20.25 uur maakt de scheepsnaam 1 zich los van de kade, om ongeveer twee minuten later de Farmsumer haven te verlaten.

‘Bodem’ in de betekenis van de Wet Bodembescherming

De verdediging heeft de stelling betrokken dat de olie en de vetten (de ‘slop’) niet in de bodem terecht zijn gekomen, nu asfalt en klinkerbestrating niet als ‘bodem’ als bedoeld in art. 1 Wet Bodembescherming kunnen worden beschouwd. Dit verweer verstaat de economische politierechter als een bewijsverweer. De economische politierechter overweegt dat ‘bodem’ in de Wet Bodembescherming wordt omschreven als ‘het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen’. Hieruit valt af te leiden dat de bestrating, of deze nu uit asfalt dan wel uit klinkerbestrating bestaat, weliswaar op de bodem rust, maar daar geen deel van uit maakt. Dat kan evenwel anders zijn, indien de bestrating (asfalt of klinkerbestrating) op een ondergrond rust, bijvoorbeeld een puinlaag, die dun genoeg is om doorlating van (verontreinigend) materiaal toe te staan. Uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting is echter niet in voldoende mate gebleken dat zich onder het asfalt en/of onder de klinkerbestrating van de adres te Farmsum geen of dunne ondergrond (bijvoorbeeld een puinlaag) bevindt. De economische politierechter gaat er derhalve van uit dat het asfalt en de klinkerbestrating die de adres vormen, worden gedragen door een meer dan dunne ondergrond. Een dergelijke ondergrond maakt geen deel uit van de bodem als bedoeld in voormelde wet (HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2976). Overigens volgt uit het rapport van bedrijfsnaam 1 d.d. 20-12-2017 dat geen bodemverontreiniging is opgetreden (p. 2, rapport).

Het moet er derhalve voor worden gehouden dat door de ‘kieren’ van de klinkerbestrating en door het asfalt geen slop in de bodem is gebracht, zoals in de feitelijke omschrijving van de tenlastelegging onder 2 is beschreven. Van dat gedeelte van de tenlastelegging dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken. De economische politierechter stelt, gelet op de aangifte en op het rapport van bedrijfsnaam 1 (p. 4), echter vast dat een deel van de slop, met een omvang van 2 bij 13 meter in de (bodem van de) berm van de adres terecht is gekomen. Anders dan het asfalt en de klinkerbestrating, vormt naar het oordeel van de economische politierechter de berm ‘bodem’ in de betekenis van voormelde bepaling, nu het oppervlak van de berm – zijnde een feit van algemene bekendheid – één- en ondeelbaar is met de direct daaronder liggende ‘bodem’. In zoverre wordt het verweer verworpen.

De verdediging heeft aangevoerd, kort gezegd, dat verdachte ten aanzien van beide feiten het daderschap ontbeert. Verdachte droeg geen verantwoordelijkheid voor het aansluiten van de slang aan de vrachtwagen. Daarnaast – zo begrijpt de economische politierechter het verweer – kon verdachte niet weten noch behoefde hij redelijkerwijze te vermoeden dat door het losschieten van de koppeling tussen de slang en de tankwagen de verontreiniging in de bodem en in het oppervlaktewater zou worden bewerkstelligd. Evenmin, zo is de stelling van de verdediging, kan gesproken worden van een bewuste en nauwe samenwerking en derhalve van medeplegen door verdachte. De economische politierechter zal de verweren in de hier gebezigde volgorde bespreken.

Daderschap

De economische politierechter overweegt het volgende. Blijkens de verklaring van verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie d.d. 7-1-2018, vaart hij weliswaar voor een bevrachter, maar is de scheepsnaam 1 van hemzelf. Hieruit leidt de economische politierechter af dat de schipper, als ‘eenmansbedrijf’, zelf de bedrijfsvoering doet en verantwoordelijk is voor de handelingen die in het kader en ten dienste van het vervoer per schip plaatsvinden. Uit het systeem van de Waterwet volgt dat niet zozeer de (in casu) schipper vergunningplichtig is, doch dat de handeling (het brengen van stoffen in het oppervlaktewater) daaraan onderhevig is. De economische politierechter ziet zich derhalve voor de vraag gesteld wie moet worden geacht de betreffende handeling te hebben verricht. Uit de verklaring van verdachte, leidt de economische politierechter af dat verdachte op eigen initiatief een contactpersoon heeft benaderd met vraag of en waar een restlading slop zou kunnen worden gelost. Kennelijk is toen afgesproken dat in de Farmsumer haven te doen op een afgesproken tijdstip. Dit leidt de economische politierechter af uit het feit dat, toen verdachte de haven van Farmsum binnenvoer, ter plaatse een tankwagen met chauffeur klaar stond om de slop over te nemen en af te voeren. Verdachte verklaart vervolgens dat hij, tezamen met zijn medewerker stuurman schip 1 en met de tankwagenchauffeur een reeks slangen heeft bevestigd tussen de tank op het schip en de vrachtwagen. Volgens de schipper is kort na het aansluiten de koppeling tussen de slang en de tankwagen los geschoten, als gevolg waarvan de slop over de straat richting de berm gaat en de haven in stroomt. Vrijwel direct na het lekken van de slop, hetgeen de verdachte blijkens de camerabeelden nauwelijks ontgaan kan zijn, laat verdachte zijn boot losgooien om onmiddellijk de Farmsumer haven te verlaten.

Uit het rapport d.d. 20-12-2016 dat door bedrijfsnaam 1 is opgemaakt, volgt dat onder meer het oppervlaktewater van de Farmsumer haven verontreinigd was met (een mengsel van) olie en vetten. Uit verdachtes verklaring volgt dat de bevoegde autoriteiten niet op de hoogte waren van de komst van de scheepsnaam 1 ; verdachte heeft zich naar eigen zeggen niet bij de Havendienst gemeld. Verdachte heeft tevens verklaard voor de handeling geen vergunning voor het brengen van de olie en de vetten in het water van de Farmsumer haven te hebben verkregen van het waterschap Hunze en Aa’s.

Dat verdachte, naar eigen zeggen, niet een van de slangen aan de tankwagen heeft gekoppeld, doet niet af aan het feit dat (ook) deze gedraging ten behoeve van hem en onder zijn verantwoordelijkheid is verricht. Uit de verklaring van verdachte en uit diens verklaring zoals hij deze schriftelijk heeft verstrekt aan de rechter-commissaris d.d. 24-7-2019, kan niet anders volgen dan dat verdachte het initiatief en de opdracht tot deze wijze van lossen van de slop heeft genomen, terwijl in samenwerking met de eerder genoemde bedrijfsnaam 4, met de door verdachte geïnstrueerde stuurman schip 1 en de chauffeur van de tankwagen, de feitelijke tenuitvoerlegging ervan heeft plaats gevonden. De vervuiling van het water van de Farmsumer haven kan, naar het oordeel van de economische politierechter, derhalve rechtstreeks aan verdachte worden toegerekend, aangezien hij als initiatiefnemer en opdrachtgever heeft nagelaten de zorg te betrachten om de verontreiniging te voorkomen, welke zorg in redelijkheid van verdachte in zijn hoedanigheid van schipper die slop overpompt, kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de verontreiniging van de Farmsumer haven. Naar het oordeel van de economische politierechter kan verdachte als dader worden beschouwd.

Naar het oordeel van de economische politierechter is dat ook het geval ten aanzien van het feit zoals dat onder 2 is tenlastegelegd voor zover het betreft de handeling die is verricht met betrekking tot de berm. Verdachte kan daarvan als dader worden beschouwd, nu hij niet alleen kort na het ontstaan van het lek en de daardoor veroorzaakte vervuiling is weggevaren maar ook dat hij geen enkele poging heeft ondernomen de nodige maatregelen ter voorkoming van (verdere) verspreiding van de verontreiniging van de berm te nemen.

De economische politierechter is derhalve van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten de verdachte als dader moet worden aangemerkt.

Opzet

De rechter-commissaris ziet zich thans voor de vraag gesteld of de verdachte in beide gevallen opzettelijk heeft gehandeld. De economische politierechter overweegt dat van zowel de tankwagenchauffeur als van medewerker stuurman schip 1 gezegd kan worden dat zij, ieder voor zich, opzettelijk de feitelijke handelingen hebben verricht die strekten tot het pompen van de slop van de boot naar de tankwagen. De economische politierechter neemt aan dat de slang niet door opzettelijk handelen van de chauffeur en/of van stuurman schip 1 is los geschoten van de tankwagen. Wel oordeelt de economische politierechter dat voormelde personen – door maatregelen ter voorkoming van verontreiniging, zoals het niet plaatsen van een lekbak onder de koppeling teneinde de gevolgen van defecten aan de koppeling te voorkomen, na te laten – ieder voor zich bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat in het geval de slangen los zouden schieten, daarmee de olie en de vetten uiteindelijk in het oppervlaktewater terecht zouden komen. Dat in elk geval de schipper zich daarvan bewust behoorde te zijn, ligt naar het oordeel van de economische politierechter besloten in de omstandigheid dat hij, gelet op diens kennis en ervaring daaromtrent, van de eventuele gevolgen op de hoogte kon zijn. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte heeft aangedrongen op het nemen van dergelijke maatregelen dan wel dat hij de twee voormelde personen daartoe heeft geïnstrueerd, toen hij hen de opdracht gaf de slangen aan de tankwagen te koppelen om de slop over te pompen. Op grond hiervan komt de economische politierechter tot het oordeel dat, nu de tankwagenchauffeur en stuurman schip 1 (voorwaardelijk) opzettelijk hebben gehandeld, dit ook ten aanzien van verdachte gezegd kan worden: doordat onder zijn verantwoordelijkheid deze zich aldus hebben gedragen, heeft daarmee ook verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een falen van de koppeling tot verontreiniging van het oppervlaktewater zou leiden.

Ten aanzien van feit 2 is de economische politierechter van oordeel dat verdachtes opzet, besloten ligt in de volgende feiten en omstandigheden. Na de door hem geconstateerde verontreiniging in de berm, is verdachte snel weggevaren, zonder aan diens verplichting te hebben voldaan om de nodige maatregelen te treffen die redelijkerwijze van hem gevergd kon worden om die verontreiniging te voorkomen dan wel te beperken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij, toen hij de verontreiniging waarnam, in paniek raakte en onmiddellijk is weggevaren.

Medeplegen

De verdediging heeft de stelling betrokken dat in beide gevallen niet van medeplegen sprake is, daar er geen bewuste en nauwe samenwerking van de zijde van de schipper is geweest. De economische politierechter overweegt hiertoe ten aanzien van feit 2 het volgende. Uit zowel de verklaring van verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie en die, verstrekt aan de rechter-commissaris d.d. 24-7-2019, als de verklaring van getuige stuurman schip 1, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, leidt de economische politierechter af dat er tussen verdachte, stuurman schip 1 en de chauffeur van de tankwagen bewust gezamenlijk de handelingen zijn verricht die vereist waren om de slop vanuit het schip in de tankwagen te pompen. Voorafgaande aan het pompen is door verdachte een afspraak gemaakt om de slop over te pompen op de wijze zoals dit is gebeurd, voor welke gelegenheid de tankchauffeur kennelijk was opgeroepen om ter plaatse aanwezig te zijn. Op grond van deze gezamenlijke uitvoering oordeelt de economische politierechter dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, matroos stuurman schip 1 en de tankwagenchauffeur, dat van medeplegen kan worden gesproken. De economische politierechter overweegt daarbij dat het opzet van ieder der medeplegers tevens in voorwaardelijke zin gericht was op de verontreiniging als gevolg van het losschieten van de koppeling tussen een van de slangen en de tankwagen en daarnaast op het nalaten van het treffen van voldoende maatregelen om het zich verspreiden van de slop tegen te gaan. Dit laatste volgt naar het oordeel van de economische politierechter genoegzaam uit de omstandigheid dat zowel tankwagen als boot na de (uitbreiding van) het lek de kade en de haven verlieten, zonder zich te bekommeren om de verontreinig die zichtbaar optrad.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de economische politierechter het volgende. Hoewel zowel de tankwagenchauffeur als medewerker stuurman schip 1 gezamenlijk hebben bewerkstelligd dat de slop, doordat de slang van de tankwagen was losgeschoten in het oppervlaktewater terecht kwam, ziet de economische politierechter in het dossier en in het verhandelde ter zitting geen aanleiding om aan te nemen dat zij op de hoogte waren dat voor de handeling door het waterschap Hunze en Aa’s geen vergunning was vertrekt aan de schipper. Nu het niet hebben van een dergelijke vergunning een essentieel bestanddeel van de tenlastelegging vormt, kan het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen onder feit 1, niet wettig en overtuigend bewezen worden, op grond waarvan hij van dat gedeelte van de tenlastelegging dient ter worden vrijgesproken.

Slotsom ten aanzien van de bewezenverklaring

De economische politierechter heeft op grond van het bovenstaande van oordeel dat op grond van de wettige bewijsmiddelen, zoals in dit vonnis opgenomen, de overtuiging bekomen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. Als dader heeft verdachte, kort gezegd opzettelijk zonder vergunning van het waterschap Hunze en Aa’s, slop in het oppervlaktewater van de Farmsumer haven gebracht. Daarnaast kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, slop in de berm van de adres heeft gebracht, terwijl verdachte en zijn medeverdachten wisten of redelijkerwijze moesten vermoeden dat door die handeling de berm kon worden verontreinigd, opzettelijk niet heeft voldaan aan hun verplichting alle maatregelen te nemen die van hen kon worden gevergd om de verontreiniging te voorkomen, tegen te gaan of te beperken.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, opzettelijk begaan;

  • Feit 2: medeplegen van overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, nu hij ten aanzien van de feiten verontschuldigbaar heeft gedwaald, hetgeen moet leiden tot de conclusie dat zijn schuld afwezig is. Verdachte kon immers niet weten dat de koppeling niet goed aan de tankwagen vast zat, hetgeen ook buiten zijn verantwoordelijkheid valt.

Oordeel politierechter

De economische politierechter overweegt hiertoe als volgt. Dat verdachte niet kon weten dat de koppeling kennelijk niet goed aan de tankwagen vast zat, leidt niet onomstotelijk tot de aanname van feiten en omstandigheden, die nopen tot de vaststelling dat verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten verontschuldigbaar heeft gedwaald. Gesteld kan worden dat verdachte, in de wetenschap dat hij zonder vergunning van het waterschap handelde, heeft beseft dat hij niet conform de ongetwijfeld hem bekende regeling (waarmee hij althans als schipper bekend had moeten zijn) omtrent het lossen van het materiaal, geen maatregelen heeft getroffen om eventueel lekken tegen te gaan. Bij het zien daarvan, is verdachte namelijk schielijk weggevaren. Naar het oordeel van de economische politierechter leveren deze feiten geen omstandigheid op, op grond waarvan gesteld kan worden dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten.

Strafoplegging

  • Geldboete van EUR 5.000 waarvan EUR 2.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vordering benadeelde partij

Door de volgende partijen zijn de navolgende vorderingen ingediend voor geleden materiële schade:

  • Waterschap Hunze en Aa's € 7.922,06

  • gemeente Delfzijl € 26.240,56

  • Groningen Seaports N.V. € 18.922,46

De economische politierechter ziet zich voor de vraag gesteld of de publiekrechtelijke regeling van het kostenverhaal op de voet van de Waterwet en Wet Bodembescherming (de artikelen 7.22 Waterwet resp. art. 75 WBB) van toepassing is, dan wel dat de algemene regeling van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) als grondslag van de vorderingen kunnen dienen, in elk geval waar het de Gemeente Delfzijl en Waterschap Hunze en Aa’s betreft. Hoewel in het algemeen gezegd kan worden dat in het geval van kostenverhaal van schade veroorzaakt door een derde aan een publiekrechtelijk lichaam een publiekrechtelijke afdoening vereist, en niet op grond van het privaatrecht (HR [geboortedatum] 2017, ECLI:NL:HR:2017:221), is in het onderhavige geval uit genoemde bepalingen af te leiden dat het kostenverhaal langs de weg van de civielrechtelijke vordering benadeelde partij verloopt. Zowel art. 7.22 lid 1 Waterwet als art. 75 lid 1 Wet Bodembescherming bepalen immers, voor zover hier van belang, dat de Staat de ten laste van het Rijk komende kosten van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging kan verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad de verontreiniging of de aantasting van de bodem en van het oppervlaktewater in het betrokken geval is veroorzaakt en die deswege of anderszins buiten overeenkomst jegens enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan. Uit de redactie van deze (in essentie gelijkluidende) bepalingen leidt de economische politierechter af dat zij geen zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid omvatten, doch verwijzen naar de civielrechtelijke regeling van de onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW c.a. De artt. 7.22 Waterwet en 75 Wet Bodembescherming laten onverlet dat publiekrechtelijke organen op grondslag van de onrechtmatige daad vergoeding van de dor hen geleden schade vorderen. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de gemeente Delfzijl en het waterschap Hunze en Aa’s hun onderscheiden vorderingen benadeelde partij op de juiste grondslag hebben ingediend

De economische politierechter heeft ter zitting vastgesteld dat de ondertekenaars van het voegingsformulier ten behoeve van Groningen Seaports NV en van de gemeente Delfzijl, blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel daartoe gemachtigd zijn. Aangever Waterschap Hunze en Aa’s heeft ook een vordering benadeelde partij ingediend, doch uit het tot het dossier behorende uittreksel van de Kamer van Koophandel kan niet blijken dat de ondertekenaar van het voegingsformulier gemachtigd is tot het indien ervan. Van een publiekrechtelijke instelling als waterschap Hunze en Aa’s mag verwacht worden dat het op de hoogte is van de vereisten voor het indienen van een vordering als de onderhavige. Ter zitting was een vertegenwoordiger het waterschap niet aanwezig. Naar het oordeel van de economische politierechter dient de vordering dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het waterschap kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de gemeente Delfzijl niet ontvankelijk is in haar vordering, nu zij een vordering heeft ingediend die €26.400 bedraagt, derhalve meer dan €25.000. De raadsvrouw stelt dat in dat geval de benadeelde partij ingevolge art. 51f lid 4 Sr jo art. 93, aanhef onder a Rv, zich had moeten laten bijstaan door een advocaat. Nu geen advocaat de gemeente ten behoeve van de civiele vordering bijstaat, dient zij om die reden niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard. De economische politierechter overweegt als volgt. De behandeling en de beoordeling van de vordering benadeelde partij gedurende en annex aan het strafproces, vindt plaats volgens de regels van het materiële burgerlijke recht, met name die rond de regels omtrent de onrechtmatige daad en de daaraan verwante regelgeving. Regels van rechtsvordering vinden niet zonder meer toepassing gedurende de behandeling van de vordering benadeelde partij in het strafproces, behalve dan dat in art. 51f lid 4 Sv de benadeelde partij de keuze heeft om zich door een advocaat te laten bijstaan geeft en dat die bepaling voorziet in verplichte rechtsbijstand aan jeugdigen of kwetsbare personen die zich als benadeelde partij in het strafgeding hebben gevoegd. De regeling als bedoeld in art. 51f lid 4 Sv voorziet in een van elke procedurele complexiteit gespeende regeling, welke complexiteit door de wetgever niet werd beoogd om te bewerkstelligen dat het voor een benadeelde partij vrij eenvoudig is om zich als zodanig te voegen in het strafgeding. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat een verplichte bijstand door een advocaat in het geval de vordering van de benadeelde partij het bedrag van €25.000 te boven gaat, niet vereist wordt. De economische politierechter is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij gemeente Delfzijl niet om de door de raadsvrouw aangevoerde argumenten niet-ontvankelijk is in haar vordering. Het waterschap kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gemeente Delfzijl en Groningen Seaports N.V. hebben hun vordering gegrond op, kort gezegd, de schade die is veroorzaakt door het lekken van de verontreinigde slop over het asfalt, de klinkerbestrating van en de berm langs de [adres] te Farmsum. Zoals hierboven is overwogen, is de economische politierechter van oordeel dat verdachte van feit 2, voor zover het gaat om de tenlastegelegde verontreiniging van de weg, vrijgesproken moet worden. Ten aanzien van de verontreiniging van de berm is een bewezenverklaring gevolgd. Nu daardoor niet duidelijk is welke delen van beide vorderingen kunnen worden toegewezen, levert naar het oordeel van de economische politierechter de behandeling van de vorderingen van Groningen Seaports N.V. en van de gemeente Delfzijl een onevenredige belasting van het strafgeding op, op grond waarvan Groningen Seaports N.V. en de gemeente Delfzijl niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Beide partijen kunnen hun vordering, ieder voor zich, slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De economische politierechter zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Ook dit onderzoek zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^