Veroordeling vrouw voor mensenhandel, vrijspraak overtreding Arbeidsomstandighedenwet en toewijzing van de vordering benadeelde partij wegens gemist nettoloon, vakantiegeld en immateriële schade
/Rechtbank Oost-Brabant 13 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4876
De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een vrouw tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor mensenhandel en dwang. Zij huisvest en neemt een kwetsbare vrouw op met het oogmerk van uitbuiting en laat haar ruim elf jaar dagelijks zwaar fysiek werk verrichten op haar paardenbedrijf zonder haar daarvoor te betalen. Het slachtoffer woont in die periode onder erbarmelijke omstandigheden in een chalet op het erf en ondergaat verbaal en fysiek geweld. Van het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet volgt vrijspraak, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat daardoor levensgevaar of ernstig gevaar voor de gezondheid ontstaat of te verwachten is. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot € 201.523,71 aan gemist nettoloon, vakantiegeld en immateriële schade. Over het gestelde overbeslag laat de rechtbank zich niet uit, omdat de actieve onderzoeksplicht uit het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2026 volgens haar alleen geldt voor de beklagrechter in procedures op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1970, die een bedrijf exploiteert in Kamerik waar paarden worden gestald. De zaak komt aan het rollen door een melding van fraude bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van 16 augustus 2022, die signalen van arbeidsuitbuiting bevat. Het slachtoffer, geboren in 1990, zou in ruil voor kost en inwoning zeven dagen per week lange dagen werken en op het terrein van de verdachte zijn gehuisvest. Zij wordt in de melding omschreven als autistisch en niet in staat goed voor zichzelf te zorgen.
De verdachte wordt op 27 juni 2023 aangehouden op haar bedrijf. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer, verspreid over tien zittingsdagen tussen 27 september 2023 en 2 juli 2026. Twee parketnummers zijn op de zitting van 20 december 2023 gevoegd. Gelijktijdig is een ontnemingsvordering inhoudelijk behandeld; de beslissing daarop is in een apart vonnis vastgelegd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij zich in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4 en 6 Wetboek van Strafrecht, door het slachtoffer te werven, huisvesten en opnemen met het oogmerk van uitbuiting, haar te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en opzettelijk voordeel te trekken uit die uitbuiting. Daarbij is telkens tenlastegelegd dat de verdachte weet dat het slachtoffer autistisch, verstandelijk beperkt, kwetsbaar of gemakkelijk te beïnvloeden is en geen onderkomen elders heeft.
In de gevoegde zaak is onder feit 1 dwang tenlastegelegd, strafbaar gesteld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht, en onder feit 2 het als werkgever opzettelijk handelen of nalaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet, waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid ontstaat of te verwachten is. Centraal staan daarbij artikel 1, eerste lid, en artikel 3, eerste lid onder a en tweede lid van die wet.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Bij de mensenhandel wijst de officier van justitie op de dwangmiddelen dreiging met geweld en andere feitelijkheden, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. Gelet op de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor het slachtoffer meebrengt en het economisch voordeel voor de verdachte is sprake van een oogmerk van uitbuiting, terwijl uit de uiterlijke verschijningsvorm vol opzet volgt.
Voor de dwang verwijst de officier van justitie grotendeels naar zijn betoog over de mensenhandel, met dien verstande dat ook daadwerkelijk geweld en dwang door andere feitelijkheden zijn ingezet. Uitzondering vormen het afstaan van de inkomsten uit de krantenwijk en de pinpas.
Voor de Arbeidsomstandighedenwet stelt de officier van justitie dat de verdachte werkgever is in de zin van artikel 1, eerste lid, en dat zij tekortschiet door de arbeid niet zo te organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en gezondheid van het slachtoffer. Hij wijst op schreeuwen, slaan, schoppen, het trekken aan haar haren en het grijpen naar haar keel, op het ontbreken van bedrijfskleding en werkschoenen en op het werken met ongekeurde machines zonder remmen.
Geëist wordt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en aftrek van het voorarrest, met een contactverbod als bijzondere voorwaarde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de belastende getuigen om uiteenlopende redenen onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zijn en dat zij zijn beïnvloed doordat hun aan het begin van de politieverhoren is gevraagd wat zij onder arbeidsuitbuiting verstaan. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op, waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken. Primair moeten die verklaringen van het bewijs worden uitgesloten, subsidiair moet bij de bewijswaardering met de beïnvloeding rekening worden gehouden.
Ten aanzien van de mensenhandel betoogt de verdediging dat geen dwangmiddel is ingezet, dat van uitbuiting geen sprake is en dat het oogmerk van uitbuiting ontbreekt. De verdachte vangt het slachtoffer met goede intenties op wanneer zij rond haar achttiende dakloos dreigt te raken. Het slachtoffer komt bewust en vrijwillig bij haar wonen, benadrukt haar liefde voor het werken met paarden en verklaart dat het bedrijf voor haar een veilige haven is. Structureel aanwezige getuigen verklaren dat het paardenwerk twee tot drie uur per dag in beslag neemt, dat het geen fulltime baan is en dat de werkzaamheden vrij zijn in te delen. Objectief bewijs voor structureel excessieve arbeid ontbreekt; de deskundigenrapportage van Paard en Advies wordt uitdrukkelijk betwist. Het slachtoffer woont zonder huur te betalen in haar eigen chalet, beschikt over een sleutel en kan het terrein vrijelijk verlaten. Van voordeel trekken kan geen sprake zijn omdat het bedrijf een hobby is zonder economische doelen. Primair wordt vrijspraak bepleit, subsidiair partiële vrijspraak van het in vereniging plegen en van het misbruik van een kwetsbare positie.
Ook voor de dwang bepleit de verdediging vrijspraak, grotendeels op dezelfde gronden, met de toevoeging dat het dreigen met wegsturen geen wederrechtelijke dwang oplevert. Voor het feit uit de Arbeidsomstandighedenwet geldt volgens de verdediging dat geen arbeidsverhouding bestaat en dat het slachtoffer geen levensgevaar loopt.
Voorwaardelijk verzoekt de verdediging om het horen van zes getuigen en om een contra-expertise.
Oordeel gerecht
De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.
De rechtbank verwerpt het vormverzuimverweer. Dat de verbalisanten aan het begin van de verhoren naar het begrip arbeidsuitbuiting vragen, betekent niet dat de getuigen zo zijn beïnvloed dat hun verklaringen onwaar zijn; zij verklaren juist duidelijk wanneer zij iets niet hebben gezien of niet weten. Voor drie van de vier gebruikte getuigen geldt bovendien dat de verdediging hen hierover bij de rechter-commissaris heeft kunnen bevragen, zonder dat dit aanknopingspunten voor beïnvloeding oplevert.
De verklaringen van het slachtoffer acht de rechtbank betrouwbaar. Zij verklaart door de tijd heen consistent en gedetailleerd, verklaart al belastend op een moment dat zij het bedrijf en de verdachte nadrukkelijk niet wil verlaten, belicht ook positieve elementen en vindt steun in camerabeelden, bevindingen over haar woonsituatie, opgenomen telefoongesprekken, chatberichten, getuigenverklaringen en deels de verklaringen van de verdachte zelf.
De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer na een mondelinge afspraak maandelijks eerst € 200 en later € 300 huur betaalt voor het chalet, terwijl zij voor gas, water en licht en voor de stalling van haar pony in ruil werkt. De uitleg van de verdachte ter zitting dat het bedrag geen huur is, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Verbalisanten treffen in het chalet een verwaarloosde situatie aan met beschimmelde etensresten, uitwerpselen van ongedierte en losliggende vloerdelen; de verdachte weet dat het chalet vies is.
Op grond van de verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, camerabeelden en het rapport van Paard en Advies gaat de rechtbank uit van gemiddeld 7,25 werkzame uren per dag van maandag tot en met zaterdag en ongeveer 4 uur op zondag, gedurende ruim elf jaar. Tot en met 2018 ligt dat aantal 1 tot 2 uur per dag lager, omdat het slachtoffer dan samen met een betrokkene de stallen mest. Loon, vakantiedagen en ziekteverlof ontbreken volledig.
De verdachte mishandelt het slachtoffer meermalen door haar te slaan, te schoppen, aan haar haren te trekken en haar bij de keel te grijpen, telkens uit frustratie over de werkzaamheden, en bejegent haar regelmatig verbaal agressief, intimiderend en denigrerend. Het slachtoffer is kwetsbaar: zij is op haar zeventiende uit huis gezet, heeft geen sociaal vangnet, beschikt volgens deskundigenonderzoek over zeer zwakke verbale capaciteiten en afhankelijke trekken, en verkeert in een sociaal isolement zonder eigen computer en gedurende grote delen van de periode zonder eigen telefoon.
De rechtbank oordeelt dat de dwangmiddelen dreiging met geweld, dreiging met andere feitelijkheden, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie zijn ingezet. Het slachtoffer moet er ernstig rekening mee houden dat de verdachte geweld gebruikt wanneer het werk niet naar tevredenheid wordt gedaan, en de dreiging haar met haar pony op straat te zetten treft haar in een vertrouwde woonomgeving waarvoor zij geen alternatief heeft.
Voor sub 1 oordeelt de rechtbank dat de verdachte het slachtoffer huisvest en opneemt met het oogmerk van uitbuiting. Dat oogmerk kan niet worden vastgesteld voor het werven, omdat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte aanvankelijk goede bedoelingen heeft. Vanaf de start van de tenlastegelegde periode is het oogmerk er wel, gelet op de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die daaruit voortvloeien en het economisch voordeel dat de verdachte behaalt aan bespaarde loonkosten en vrijgekomen eigen tijd voor een ander bedrijf waarvan zij mede-eigenaar is. Voor sub 4 stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer in een uitbuitingssituatie is gebracht en gehouden waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan te blijven werken; dat zij deels plezier heeft in het werk met paarden doet daaraan niet af. Voor sub 6 geldt dat de verdachte opzettelijk voordeel trekt, vooral doordat zij ruim elf jaar geen salaris betaalt en niemand anders hoeft in te schakelen.
De rechtbank spreekt partieel vrij van het medeplegen, van het gedwongen afstaan van de inkomsten uit de krantenwijk en de eindejaarsfooien, van het ontbreken van beschikking over de eigen pinpas en bankrekening, van het onthouden van vrije tijd en pauze en van werkzaamheden ten huize van de verdachte. Bij de dwang volgt daarnaast partiële vrijspraak van het opzettelijk aangaan en onderhouden van een vriendschappelijke relatie om het slachtoffer onder haar invloedssfeer te brengen: het slachtoffer ziet de verdachte weliswaar als surrogaatmoeder, maar de rechtbank is er niet van overtuigd dat de verdachte die relatie daartoe heeft doen ontstaan.
De voorwaardelijke verzoeken wijst de rechtbank af aan de hand van het noodzaakcriterium, onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beslissingen van de rechtbank en de rechter-commissaris en naar de aanvullende schriftelijke beantwoording door Paard en Advies.
Van het feit uit de Arbeidsomstandighedenwet volgt vrijspraak. De verdachte is wel werkgever, omdat het slachtoffer onder haar gezag arbeid verricht en zij aanstuurt, opdrachten geeft, boos wordt en toezicht houdt. Het dossier bevat echter geen stukken waaruit concreet blijkt hoe het veiligheids- en gezondheidsbeleid had moeten worden ingericht en welke standaard daarbij geldt, zodat een opzettelijke overtreding niet kan worden vastgesteld. Voor het beleid tegen psychosociale arbeidsbelasting komt daarbij dat de steller van de tenlastelegging de verweten gedragingen heeft beperkt tot de verbale en fysieke agressie, en die agressie leidt volgens de rechtbank niet tot levensgevaar of ernstig gevaar voor de gezondheid.
Bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard dat de verdachte in de periode van 1 november 2011 tot en met 27 juni 2023 te Kamerik:
het slachtoffer door dreiging met geweld en andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting;
haar heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid;
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die uitbuiting;
haar woongelegenheid heeft verschaft in een caravan op het erf, haar onderdeel heeft laten zijn van de dagelijkse gang van zaken, haar een groot aantal uren per dag gedurende zeven dagen per week werkzaamheden heeft laten verrichten zonder geregistreerd dienstverband, zonder loon en zonder vakantie, en haar heeft laten doorwerken tijdens ziekte;
haar aan de arbeid gerelateerd fysiek heeft mishandeld door haar met vlakke hand in het gezicht te slaan, tegen been en rug te schoppen, aan haar haren te trekken en met twee handen naar haar keel te grijpen, en haar dreigend, schreeuwend, agressief, intimiderend en denigrerend heeft bejegend;
haar door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging daarmee wederrechtelijk heeft gedwongen die werkzaamheden te verrichten, door te werken tijdens ziekte, te wonen onder erbarmelijke omstandigheden in de caravan en onderdeel te zijn van de dagelijkse gang van zaken op het bedrijf, waarbij zij dreigde haar eruit te zetten, haar vertelde dat zij moest blijven en een sfeer van agressie en angst creëerde.
De bewezen verklaarde feiten leveren eendaadse samenloop op van mensenhandel en het wederrechtelijk dwingen van een ander iets te doen of te dulden.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank weegt de aard, de ernst en vooral de zeer lange duur van de feiten. Het slachtoffer is voor de verdachte feitelijk een gratis en voortdurend beschikbare medewerkster; de verdachte misbruikt haar liefde voor paarden en haar verantwoordelijkheidsgevoel. Dat het slachtoffer niet toekomt aan zelfverzorging en aan de verzorging van haar woonruimte is tekenend voor hoe hard zij werkt. De rechtbank rekent de verdachte aan dat zij de ernst van haar handelen niet inziet en daarvoor geen verantwoordelijkheid neemt.
Uit het uittreksel justitiële documentatie volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De persoonlijkheidsrapportage van 15 december 2023 concludeert tot volledige toerekeningsvatbaarheid. De reclassering rapporteert op 24 september 2024 dat de verdachte zich aan de afspraken van het toezicht houdt, dat het risico op recidive niet kan worden ingeschat en dat door de beslagleggingen problemen ontstaan met haar ondernemingen en financiën; geadviseerd wordt een contactverbod. De rechtbank betrekt verder het persoonlijke en zakelijke nadeel dat de verdachte van de verdenking en de media-aandacht ondervindt.
De redelijke termijn vangt aan op 27 juni 2023 en is met ruim een jaar overschreden. Die overschrijding kan niet aan de verdachte of haar raadslieden worden toegerekend, mede omdat de aanvankelijk geplande inhoudelijke behandeling vertraging oploopt door personele problemen bij de rechtbank.
Zonder die overschrijding acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren passend, waarbij zij rekening houdt met de eendaadse samenloop. Wegens de termijnoverschrijding legt zij een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel is als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer verbonden, waarop de politie toeziet. De rechtbank volgt daarmee de geëiste strafduur en strafverdeling, maar stelt de proeftijd op 2 in plaats van 3 jaren.
Vordering van de benadeelde partij
Het slachtoffer vordert € 5.000 immateriële schade en € 307.019,60 materiële schade, waaronder een belastingschuld van € 6.666. Het Openbaar Ministerie verzoekt toewijzing tot € 305.663,60.
De rechtbank kan niet vaststellen dat het slachtoffer geestelijk letsel heeft opgelopen, maar oordeelt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gevorderde bedrag van € 5.000 is redelijk en passend.
De vordering tot vergoeding van niet ontvangen loon is op grond van artikel 3:310, vierde lid, Burgerlijk Wetboek niet verjaard zolang het recht tot strafvordering niet is verjaard. Omdat het slachtoffer als medewerkster moet worden aangemerkt, heeft zij recht op loon conform de geldende wet- en regelgeving. De rechtbank corrigeert de op het ontnemingsrapport gebaseerde berekening voor de periode tot en met 2018 naar 5,5 werkuren per dag van maandag tot en met zaterdag en 2,5 uur op zondag. Alleen het nettoloon en het nettovakantiegeld zijn vergoedbaar; een exacte berekening levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de rechtbank de netto-inkomsten schat op 75 procent van de bruto-inkomsten. Dat leidt tot € 168.972,38 aan onbetaald salaris, € 13.517,79 aan vakantiegeld en € 14.033,53 aan niet genoten vakantie-uren, samen € 196.523,71.
Toegewezen wordt € 201.523,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2023, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en 365 dagen gijzeling bij niet volledig verhaal. Voor het meer gevorderde loon en voor de belastingschuld wordt het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard; die schuld houdt verband met de inkomsten uit haar krantenwijk en zou ook zonder de bewezen verklaarde feiten zijn ontstaan. De proceskosten worden begroot op nihil, met veroordeling in de nog te maken tenuitvoerleggingskosten.
Beslag
Het Openbaar Ministerie vordert teruggave van in totaal € 14.785 aan contant geld aan het slachtoffer, omdat de verdachte zelf bij de politie verklaart dat dit fooiengeld van de krantenwijk betreft. Daarnaast vordert het teruggave van € 59.900 aan de verdachte, met de kanttekening dat op dat bedrag ook conservatoir beslag rust, zodat alleen het klassieke beslag vervalt.
De verdediging verzoekt primair de inbeslaggenomen geldbedragen en bankrekeningen te toetsen op overbeslag, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:334, waaruit volgens haar een actieve onderzoeksplicht van de rechter volgt. Gelet op de onderbouwing over de waarde van het onroerend goed van de verdachte kan volgens de verdediging niet langer worden volgehouden dat de beslagen ontoereikend zijn voor welke vordering dan ook. Subsidiair verzoekt zij opheffing van het beslag op de bankrekeningen en, bij toewijzing van een vordering die het inbeslaggenomen contante geld niet overstijgt, ook opheffing van de beslagen op de onroerende zaken.
De rechtbank laat zich niet uit over mogelijk overbeslag en neemt daarover geen beslissing. Zij begrijpt het aangehaalde arrest zo dat de beklagrechter in verzoekschriftprocedures op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering een actieve onderzoeksplicht heeft om overbeslag te constateren en daarmee in zijn beslissing rekening te houden. Het arrest houdt nadrukkelijk niet in dat de strafrechter in reguliere strafzaken zo'n onderzoeksplicht heeft en bij zijn beslissing met overbeslag rekening moet houden. De rechtbank heft het conservatoir beslag op de bankrekeningen en de onroerende zaken dan ook niet op en neemt ook anderszins geen beslissing over het conservatoire beslag.
De rechtbank gelast teruggave van de contante geldbedragen op de beslaglijst van 21 oktober 2025 onder de voorwerpen 8 tot en met 22, in totaal € 14.785, aan het slachtoffer als redelijkerwijs rechthebbende, op grond van de eigen verklaring van de verdachte in het politieverhoor van 29 juni 2023 dat dit geld aan het slachtoffer toebehoort en bestaat uit fooien voor het bezorgen van kranten. Van het contante geldbedrag van € 59.900 onder voorwerp 23 gelast de rechtbank teruggave aan de verdachte, die dit bedrag feitelijk niet op dit moment terugkrijgt omdat daarop eveneens conservatoir beslag rust.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis af. De twaalfjaarsgrond met geschokte rechtsorde is nog steeds van toepassing, juist omdat de verdachte wordt veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de mensenhandel waarvoor eerder alleen ernstige bezwaren bestaan. Gelet op de voortdurende aandacht van nieuwsplatformen is aannemelijk dat opheffing tot maatschappelijke beroering leidt. Onder verwijzing naar onder meer Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987, en omdat de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden houdt, oordeelt de rechtbank dat de schorsing van de voorlopige hechtenis voortduurt.
Lees hier de volledige uitspraak.
