Matiging van bestuurlijke boete voor het vervoeren van een niet transportwaardig varken wegens late toezending van het rapport van bevindingen

College van Beroep voor het bedrijfsleven 8 september 2026, ECLI:NL:CBB:2026:415

Een veevervoerder krijgt een bestuurlijke boete van € 3.000 omdat zij een varken met een zeer grote navelbreuk en een ernstige open wond naar een slachthuis vervoert. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de vervoerder de overtreding van de Transportverordening kan worden verweten, ook al zijn andere partijen bij het aanbieden betrokken. De gronden over de bevoegdheid van de toezichthouder, de cautie, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel slagen niet. De staatssecretaris verklaart op de zitting dat volgens een vaste gedragslijn met 10% wordt gematigd als het rapport van bevindingen niet binnen 37 weken na de constatering is toegezonden. Het College matigt de boete voor de overtreding tot € 1.350 en stelt de totale boete inclusief recidiveverhoging vast op € 2.850. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten in beroep en hoger beroep.

Inleiding en context

De onderneming is een vervoerder van dieren. Op 16 augustus 2022 voert een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit een inspectie uit bij een slachthuis waar mestvarkens worden geslacht. Uit een veewagen van de onderneming wordt een varken gelost met een zeer grote navelbreuk die over de grond sleept. Aan de onderkant is een grote ernstige open wond ontstaan met een centrale opening naar het inwendige deel van de breuk. Aan de rand van de wond is granulatieweefsel gevormd, wat volgens de toezichthouder betekent dat de wond al minimaal vijf dagen aanwezig is en dus al bestond bij het laden op dezelfde dag. Het dier heeft moeite met lopen en liggen. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 10 mei 2023. Bij besluit van 3 november 2023 legt de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur een boete op van € 3.000, hoger dan het standaardbedrag wegens recidive. Het bezwaar wordt op 20 februari 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaart het beroep bij uitspraak van 4 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:7739) ongegrond. De onderneming stelt hoger beroep in bij het College. Aan de zitting van 28 juli 2026 neemt alleen de gemachtigde van de staatssecretaris deel.

Overtreding en wettelijk kader

De onderneming wordt verweten dat zij een varken vervoert dat niet geschikt is voor het voorgenomen transport omdat het een ernstige open wond vertoont. Dit is een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 Regeling houders van dieren en artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening). Bijlage I, hoofdstuk I, van die verordening bepaalt dat gewonde dieren niet geschikt worden geacht voor vervoer, in het bijzonder wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen. De overtreding valt in boetecategorie 2 (€ 1.500) van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Artikel 2.5 van dat besluit regelt de verhoging bij recidive binnen vijf jaar. Artikel 5:41 Awb bepaalt dat geen boete wordt opgelegd voor zover de overtreding de overtreder niet kan worden verweten.

Standpunt van de staatssecretaris

De staatssecretaris stelt dat de onderneming als vervoerder verantwoordelijk is voor het vervoeren van uitsluitend transportwaardige dieren en dat de chauffeur gelet op de zichtbare afwijkingen had moeten vaststellen dat het varken niet transportwaardig was. Aanvankelijk stelt hij dat de boete niet voor matiging in aanmerking komt, omdat de chauffeur op 16 augustus 2022 direct van de bevindingen op de hoogte is gebracht. Op de zitting verklaart hij echter dat op grond van voortschrijdend inzicht een vaste gedragslijn wordt toegepast, nog niet opgenomen in de Werkinstructie matiging langdurige processen, waarbij het boetebedrag met 10% wordt gematigd als de overtreding weliswaar direct is aangezegd, maar het rapport van bevindingen niet binnen 37 weken na de constatering is toegezonden. Hij concludeert dat de boete daarom alsnog voor matiging in aanmerking komt.

Standpunt van de onderneming

De onderneming bestrijdt in hoger beroep de bevindingen van de toezichthouder niet meer. Zij voert aan dat de toezichthouder niet bevoegd was tot handhaving, omdat onduidelijk is of deze dierenarts is. Zij stelt dat de chauffeur ten onrechte geen cautie heeft gekregen en niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand, en dat haar niet bekend is dat het rapport van bevindingen aan de chauffeur is aangezegd. De overtreding kan haar volgens haar niet worden verweten, omdat andere partijen verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van het dier en het om een transport van 117 varkens ging. Zij beroept zich op het gelijkheidsbeginsel omdat onduidelijk is of ook andere partijen zijn beboet, op het rechtszekerheidsbeginsel omdat de boete niet binnen dertien weken na het rapport is opgelegd, en op het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij zich na jaren moet verweren over een feit waarmee zij onbekend is gebleven. Ten slotte voert zij aan dat de boete op grond van het matigingsbeleid met 10% had moeten worden gematigd.

Oordeel College

Het College gaat voorbij aan de gronden waarvoor de onderneming slechts verwijst naar wat zij in bezwaar en beroep heeft ingebracht, omdat een op het hoger beroep toegespitste motivering ontbreekt. De staatssecretaris heeft op verzoek van het College de identiteit en het registratienummer van de toezichthouder in het diergeneeskundig register kenbaar gemaakt; de onderneming heeft daarop niet gereageerd. Het College ziet geen aanleiding aan de bevoegdheid te twijfelen en stelt vast dat uit het rapport niet blijkt dat de toezichthouder een boete heeft aangezegd. Uit het rapport blijkt evenmin dat de chauffeur is verhoord en de staatssecretaris gebruikt geen verklaring van hem als bewijs, zodat van een vormverzuim rond de cautie of rechtsbijstand geen sprake is. Het rapport vermeldt dat de chauffeur op 16 augustus 2022 op de hoogte is gebracht en dat een rapport is aangezegd; de enkele stelling dat dit de onderneming niet bekend is, is onvoldoende om daaraan te twijfelen.

Over de verwijtbaarheid overweegt het College dat het bestuursorgaan die niet hoeft te bewijzen, maar mag veronderstellen als het daderschap vaststaat, mits tegenbewijs mogelijk is. Het is aan de onderneming om aannemelijk te maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. De overtreden bepalingen zijn specifiek gericht tot vervoerders. Dat andere partijen een eigen verantwoordelijkheid hebben, staat los van de op de onderneming rustende verplichting alleen transportwaardige dieren te vervoeren. Het aantal van 117 varkens maakt dat niet anders; de chauffeur had gelet op de zichtbare afwijkingen moeten vaststellen dat het dier niet transportwaardig was.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, al omdat van een vergelijkbaar geval niet is gebleken. De staatssecretaris heeft op de zitting bovendien verklaard dat ook de varkenshouder is beboet, zonder dat daartegen bezwaar is gemaakt. De termijn van dertien weken van artikel 5:51, eerste lid, Awb is volgens vaste rechtspraak van het College (onder meer CBb 29 oktober 2024, ECLI:NL:CBB:2024:744, onder 9.2) een termijn van orde, aan de overschrijding waarvan geen gevolgen voor de boetebevoegdheid zijn verbonden. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt evenmin: nu de chauffeur op de dag van de inspectie op de hoogte is gebracht en een rapport is aangezegd, wordt de onderneming als werkgever vanaf dat moment geacht van de bevindingen op de hoogte te zijn en had zij direct tegenbewijs kunnen verzamelen. Dat bijna negen maanden zijn verstreken tot de dagtekening van het rapport, maakt dat niet anders.

De grond over het matigingsbeleid slaagt. Het College sluit aan bij de op de zitting door de staatssecretaris bevestigde vaste gedragslijn dat ook bij directe aanzegging met 10% wordt gematigd als het rapport van bevindingen niet binnen 37 weken na de constatering is toegezonden, en stelt vast dat die termijn hier is overschreden.

Vastgestelde overtreding

  • Het vervoeren van een varken dat wegens een ernstige open wond niet geschikt was voor het voorgenomen transport (artikel 6.2, eerste lid, Wet dieren juncto artikel 4.8 Regeling houders van dieren en artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid, Transportverordening)

Boeteoplegging en proceskosten

Het College matigt de boete van € 1.500 voor de overtreding tot € 1.350 en stelt de totale boete, vermeerderd met de recidiveverhoging van € 1.500, vast op € 2.850. Het vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 februari 2024 voor zover deze de hoogte van de boete betreffen, herroept het boetebesluit in zoverre en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte. Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris moet het griffierecht van € 950 vergoeden en wordt veroordeeld in de proceskosten in beroep en hoger beroep, vastgesteld op € 1.868. Een vergoeding van bezwaarkosten blijft achterwege, omdat het boetebesluit wordt herroepen wegens een na dat besluit vastgestelde vaste gedragslijn en niet wegens een aan de staatssecretaris te wijten onrechtmatigheid.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^