Veroordeling voor oplichting van reizigers via een reisorganisatie, vrijspraak van medeplegen en taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4862

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een man voor oplichting, meermalen gepleegd, omdat hij via de website van een reisorganisatie klanten vliegtickets liet betalen zonder die reizen daadwerkelijk te boeken. De verdachte had zijn bedrijf op papier verkocht aan een ander, maar het hof stelt vast dat die verkoop een schijnconstructie was en dat de verdachte zelf de bedrijfsvoering bleef uitvoeren. Onderzoek naar de bij het internetbankieren gebruikte IP-adressen koppelt de verdachte aan de zakelijke rekening tot ver na de gestelde overdracht. Boekingen van voor 1 maart 2015 blijven buiten de bewezenverklaring omdat niet vaststaat dat de verdachte toen al opzet op oplichting had. Van het ten laste gelegde medeplegen wordt de verdachte vrijgesproken. Anders dan de rechtbank legt het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op maar een taakstraf van 240 uren, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties.

Inleiding en context

De zaak betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1969, die een online reisorganisatie exploiteerde en via de bijbehorende website vliegtickets verkocht. In de periode vanaf 7 juli 2015 deed een groot aantal klanten aangifte: zij hadden voor tickets betaald, maar ontdekten dat hun namen niet op de passagierslijsten voorkwamen. De aangevers hoorden dat de reisorganisatie failliet zou zijn, terwijl bij navraag bij de luchtvaartmaatschappijen bleek dat er nooit een vlucht op hun naam was geboekt. Sommigen kwamen hier kort voor vertrek achter, anderen pas op de luchthaven.

Het hof oordeelt in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 december 2019. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Het hof komt tot een andere bewijsconstructie en een andere strafoplegging dan de rechtbank, vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 4 oktober 2014 tot en met 31 augustus 2015, al dan niet met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling een groot aantal personen door oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. In de tenlastelegging is een totaal van 251 aangevers opgenomen en een totaalbedrag van € 233.228. De oplichtingsmiddelen bestaan volgens de tenlastelegging uit het zich voordoen als bonafide verkoper van vliegtickets, het gebruikmaken van de in de branche geldende gewoonte dat vooraf wordt betaald, en het toezenden van bevestigingen en reisbescheiden die in werkelijkheid geen recht op een vlucht gaven.

Centraal staat oplichting als bedoeld in artikel 326 Sr, met de vraag of de verdachte oplichtingsmiddelen heeft aangewend waardoor de aangevers zijn bewogen tot afgifte, en of sprake is van medeplegen in de zin van een nauwe en bewuste samenwerking.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en stelt zich op het standpunt dat de verdachte 251 aangevers heeft opgelicht door hen te laten betalen voor tickets die niet werden geleverd of geen recht op een vlucht gaven. Het medeplegen acht de advocaat-generaal niet bewezen, omdat het dossier te weinig aanknopingspunten biedt voor een nauwe en bewuste samenwerking. De brontekst vermeldt niet welke straf de advocaat-generaal concreet heeft geëist.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit primair vrijspraak wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Zij voert aan dat de verdachte de reisorganisatie te goeder trouw heeft verkocht aan de medeverdachte, dat er naast de belastende verklaring van die medeverdachte geen bewijs is dat de verkoop een schijnconstructie was, dat de verdachte geen opzet op oplichting had en geen oplichtingsmiddelen heeft aangewend, en dat hij niet verantwoordelijk is voor boekingen die na de verkoop zijn gedaan. Subsidiair bepleit zij vrijspraak van het medeplegen, omdat niet bewezen kan worden dat de oplichting in nauwe en bewuste samenwerking met een ander is gepleegd.

Oordeel gerecht

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens oplichting is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen om daarvan misbruik te maken, door gebruik van een of meer oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr, waardoor het slachtoffer is bewogen tot afgifte. Of het slachtoffer daadwerkelijk is bewogen, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de vereiste maatschappelijke omzichtigheid en de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de leugenachtige mededelingen.

Het hof stelt vast dat de verdachte ruim € 160.000 aan zakelijke en privéschulden had en dat hij eerst een ander als bestuurder liet aantreden en vervolgens de handelsnaam op papier verkocht aan een medeverdachte. Die medeverdachte betaalde in werkelijkheid niets, maar ontving juist een fors bedrag; de op papier overeengekomen koopsom van € 85.000 werd verhoogd tot € 125.000, terwijl de onderneming volgens het onderzoek van het IMK niet levensvatbaar was en geen € 69.000 waard was. De verdachte bleef alle bedrijfsactiviteiten zelf uitvoeren. Dat volgt uit de verklaring van de medeverdachte en uit onderzoek naar de bij het internetbankieren op de zakelijke rekening gebruikte IP-adressen: een aan de verdachte te relateren IP-adres kwam 513 keer voor op zijn in beslag genomen harde schijf en werd tot 28 mei 2015, bijna vier maanden na de gestelde overdracht, gebruikt voor het internetbankieren op de zakelijke rekening. Op dagen waarop grote bedragen naar een andere door de verdachte beheerde rekening werden overgeboekt, bestond een relatie tussen dat IP-adres en de zakelijke rekening. Een gedupeerde herkende bij een telefonisch contact de stem van de verdachte. Dat de werkzaamheden na de verkoop door een zekere derde zouden zijn verricht, wordt door de bewijsmiddelen weersproken; uit het dossier volgt niet dat die persoon werkelijk bestaat.

Het hof acht de verklaringen van de medeverdachte, voor zover als bewijsmiddel gebruikt, betrouwbaar, omdat hij consistent en ook belastend over zichzelf als katvanger verklaart en zijn verklaringen bevestiging vinden in ander bewijs. Op grond hiervan gaat het hof ervan uit dat de verkoop een constructie was om te verhullen dat de verdachte de werkzaamheden voortzette en de beschikking had over de binnenkomende bedragen. De inkomsten op de zakelijke rekening bestonden geheel uit betalingen van klanten voor tickets, maar een groot deel daarvan werd niet gebruikt voor de inkoop van tickets. Omdat de verdachte bekend was met de geringe of ontbrekende winstmarges, wist hij dat klanten betaalden voor een reis die zij niet zouden krijgen, en heeft hij de constructie gebruikt om te doen voorkomen dat een ander de leiding had.

Het hof oordeelt dat sprake is van oplichting. De professioneel ogende website was via Google te vinden, vooruitbetaling was in de branche gebruikelijk en gaf daarom geen reden tot achterdocht, en de toegezonden documenten hielden bij de klanten het beeld in stand van een bonafide bedrijf. Boekingen van voor 1 maart 2015 worden niet meegenomen, omdat onvoldoende vaststaat dat de verdachte toen al van plan was die klanten op te lichten. Voor de periode van 1 maart 2015 tot en met 8 juli 2015 acht het hof bewezen dat de verdachte een groot aantal aangevers heeft opgelicht.

Het medeplegen acht het hof niet bewezen. Het procesdossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2015 tot en met 8 juli 2015, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, personen door oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen als betaling voor vliegtickets. De bewezen verklaarde oplichtingshandelingen bestaan uit:

  • zich voordoen en blijven voordoen als betrouwbare verkoper van vliegtickets via de reisorganisatie, met misbruik van de in het handelsverkeer geldende gewoonte dat dergelijke aankopen vooraf worden betaald, terwijl de vluchten niet werden geleverd;

  • doen voorkomen dat de geboekte tickets definitief waren, door het toesturen van bevestigingen en van vliegtickets, vluchtcoupons of andere reisbescheiden die in werkelijkheid geen recht op de vlucht gaven;

  • doen voorkomen dat er een vlucht was geboekt, terwijl in werkelijkheid geen vlucht voor die personen was geboekt.

Het bewezenverklaarde levert op: oplichting, meermalen gepleegd. Het hof spreekt de verdachte vrij van het medeplegen en van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op boekingen van voor 1 maart 2015.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof stelt vast dat voor een oplichtingszaak van deze omvang, met zoveel aangevers, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, zoals de rechtbank die ook heeft opgelegd. Uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Het hof houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep, waardoor de zaak inmiddels oud is geworden, en met de omstandigheid dat de verdachte zijn leven weer op orde heeft. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou nu onevenredig grote negatieve gevolgen hebben. Op die grond komt het hof tot een andere strafmodaliteit dan de rechtbank en legt het een taakstraf op van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest naar de maatstaf van twee uren per dag.

Van de 251 aangevers in de tenlastelegging hebben zich 161 personen als benadeelde partij gevoegd. Het hof wijst de vorderingen toe van de benadeelde partijen ten aanzien van wie de oplichting bewezen is, telkens uitsluitend tot het daadwerkelijk aan de reisorganisatie betaalde bedrag voor de niet geleverde of ongeldige tickets, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015. Voor die vorderingen legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op, met per benadeelde partij een aantal dagen gijzeling naar het uitgangspunt van één dag per € 1.000. Benadeelde partijen die voor 1 maart 2015 hebben geboekt worden niet-ontvankelijk verklaard, omdat ten aanzien van hen niet bewezen is dat zij zijn opgelicht; hetzelfde geldt voor twee onvoldoende onderbouwde vorderingen en voor gevorderde schadeposten waarvan de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Eén vordering wordt afgewezen omdat de schade reeds volledig is vergoed. De verzoeken tot ambtshalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffers die zich niet of niet tijdig hebben gevoegd, wijst het hof af. De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 326 Sr.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^