Veroordeling voor onjuiste aangiften inkomstenbelasting wegens verzwegen aanmerkelijk belang in buitenlandse vennootschappen, vrijspraak van fraude met de vennootschapsbelasting
/Rechtbank Rotterdam 3 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10525
De rechtbank Rotterdam veroordeelt een verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar voor het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2020. De verdachte geeft zijn aanmerkelijk belang in buitenlandse vennootschappen en de inkomsten daaruit niet op en laat die inkomsten onder de schijn van een lening op buitenlandse bankrekeningen toevloeien. Het fiscale nadeel voor de inkomstenbelasting bedraagt € 639.050. Voor het verwijt dat de verdachte binnen een vennootschap gefingeerde licentiekosten heeft laten opnemen en zo onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan, volgt vrijspraak. De rechtbank oordeelt dat verklaringen over de licentieovereenkomst een grondslag voor de betalingen geven en dat het dossier onvoldoende gewicht heeft om die grondslag te weerleggen. Het Openbaar Ministerie eist 24 maanden gevangenisstraf; de rechtbank komt tot één jaar.
Inleiding en context
De zaak betreft een natuurlijke persoon die staat ingeschreven op een adres in het buitenland. De strafzaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer strafzaken van de rechtbank Rotterdam. De verdachte is uiteindelijke gerechtigde van een structuur van vennootschappen die is opgezet om belastingheffing te vermijden. In 2005 draagt de verdachte zijn intellectueel eigendom van een concept, een blauwdruk voor een behandelmethode voor patiënten met chronische vermoeidheids- en pijnklachten, over aan een van die vennootschappen. Een andere vennootschap binnen de structuur betaalt jaarlijks een licentievergoeding aan die vennootschap voor het gebruik van het concept. De verdachte procedeert op tegenspraak en neemt een ontkennende proceshouding aan.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2020 doet, door geen aanmerkelijk belang in buitenlandse ondernemingen op te geven en een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en uit sparen en beleggen (box 3) te vermelden. Onder feit 2 wordt hem in verschillende varianten verweten dat binnen een vennootschap kosten worden gefingeerd, waardoor over de jaren 2014 tot en met 2021 een te laag belastbaar bedrag in de aangiften vennootschapsbelasting wordt opgegeven. De subsidiaire varianten zien op het doen laten doen van die aangiften, op feitelijk leidinggeven door de rechtspersoon (artikel 51 Sr) en op valsheid in geschrift (artikel 225 Sr). Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert veroordeling voor de feiten 1 en 2, met bij feit 2 een partiële vrijspraak voor de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021, omdat de onjuistheid daarvan op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld. Het totale fiscale nadeel van beide feiten bedraagt volgens het Openbaar Ministerie € 1.100.000. Onder verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten, de ontkennende proceshouding van de verdachte als strafverzwarende omstandigheid en het ontbreken van strafverminderende omstandigheden vordert het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.
Standpunt van de verdediging
De uitspraak geeft geen afzonderlijk uitgewerkt standpunt van de verdediging weer, anders dan dat de verdachte de feiten ontkent. Wel blijkt uit de bewijsoverwegingen dat de verdachte verklaart dat het concept een blauwdruk vormt voor een behandelmethode en dat de vennootschap dit concept dankzij de licentieovereenkomst verder kan ontwikkelen en exploiteren.
Oordeel gerecht
De rechtbank acht feit 1 bewezen op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen. De verdachte laat een structuur van vennootschappen opzetten om geen belasting te hoeven betalen over onder meer de inkomsten die hij als uiteindelijke gerechtigde ontvangt uit de vennootschap waaraan hij zijn intellectueel eigendom heeft overgedragen.
Ten aanzien van feit 2 komt de rechtbank tot vrijspraak. De kern van dat verwijt is dat de verdachte in de aangiften vennootschapsbelasting steeds een gefingeerde kostenpost opneemt of laat opnemen, te weten de jaarlijkse licentiebetaling voor het gebruik van het concept, met een drukkend effect op de winst en de te heffen vennootschapsbelasting. De rechtbank oordeelt dat de belastingconstructie niet zonder meer meebrengt dat de vennootschap zonder grondslag licentiebetalingen als kostenpost opneemt, noch dat het opzet van de verdachte daarop is gericht. De verklaring van de bestuurder die in 2010 de licentieovereenkomst ondertekent, dat de vennootschap materiaal als factsheets, opleidingsmateriaal en toegang tot een ICT-systeem heeft ontvangen, geeft een grondslag voor de licentiebetalingen. Wat het Openbaar Ministerie aan de hand van het dossier aanvoert, heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht om in weerwil van die verklaringen zonder redelijke twijfel vast te stellen dat de licentiebetalingen steeds ten onrechte als kostenpost worden opgevoerd, of dat het opzet van de verdachte daarop is gericht. Het bewezen verklaarde feit 1 levert op het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard:
feit 1: het over de jaren 2014 tot en met 2020 opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, door geen aanmerkelijk belang in buitenlandse ondernemingen op te geven en een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en uit sparen en beleggen (box 3) te vermelden, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven
Voor feit 2 wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar op. De verdachte maakt zich ruim zeven jaar schuldig aan belastingfraude en schaadt het vertrouwen waarop het belastingsysteem berust. Omdat de verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken, vormt het benadelingsbedrag van € 639.000 het vertrekpunt bij het bepalen van de straf, waarbij de LOVS-oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen achttien en vierentwintig maanden noemen. Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank in aanmerking het voordeel dat de verdachte heeft genoten en dat hij de gedraging niet uit eigen beweging beëindigt. Als strafverminderende omstandigheden weegt de rechtbank de leeftijd van de verdachte, zijn gezondheidsproblemen en zijn belastingschuld bij de Belastingdienst mee. De verdachte is niet eerder veroordeeld, wat niet tot een hogere straf leidt. De strafoplegging berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De opgelegde straf ligt daarmee onder de eis van 24 maanden, mede door de vrijspraak van feit 2 en de meegewogen strafverminderende omstandigheden.
Lees hier de volledige uitspraak.
