Onderzoek naar de aanpak van milieudelicten door de politie in Europa: lessen voor de Nederlandse politie

In de reeks Politiewetenschap is het rapport De aanpak van milieudelicten door de politie in Europa. Strategische lessen voor de Nederlandse politie verschenen, geschreven door dr. Anna Matczak van De Haagse Hogeschool. Het kwalitatieve multi-casestudyonderzoek vergelijkt de politiële aanpak van milieucriminaliteit in Zweden, Frankrijk en Spanje en trekt daaruit lessen voor de Nederlandse politie. Het veldwerk vond plaats van januari tot en met maart 2025 en omvatte studiebezoeken van ongeveer twee weken per land, gesprekken met in totaal zeventig deelnemers en een bezoek aan INTERPOL in Lyon. De aanleiding ligt mede in de herziene Europese milieustrafrechtrichtlijn, Richtlijn (EU) 2024/1203, die uiterlijk op 21 mei 2026 in nationaal recht moet zijn omgezet. Het rapport typeert het Nederlandse stelsel als sterk gefragmenteerd en hybride, met circa zestig handhavende organisaties die namens 360 overheden optreden. Een rode draad in het rapport is de economische aard van milieucriminaliteit, met bedrijfsstructuren, financiële stromen en samenloop met fraude en georganiseerde criminaliteit. Deze blog zet de opzet van het onderzoek, de drie landenmodellen en de aanbevelingen voor Nederland op een rij, met bijzondere aandacht voor de raakvlakken met het financieel-economisch strafrecht.

Opzet van het onderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd binnen het onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap en verscheen als nummer 141 in de reeks Politiewetenschap. Matczak werkte samen met het Team Duurzaamheid en Milieuveiligheid van de politie en het High Impact Environmental Crime-team, en met mede-onderzoeker dr. Sylvia Bergh van het lectoraat Multilevel Regulation. De hoofdvraag luidt wat de Nederlandse politie kan leren van politiekorpsen in Zweden, Frankrijk en Spanje bij de aanpak van milieucriminaliteit. Aan het onderzoek namen 25 deelnemers in Frankrijk, 20 in Zweden en 25 in Spanje deel, afkomstig van politie, justitie, inspectiediensten en wetenschap. Als conceptueel kader gebruikt het rapport de literatuur over New Environmental Governance, waarin samenwerking tussen overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties centraal staat. Het rapport plaatst daar de praktijk tegenover, die in de onderzochte landen wordt gekenmerkt door versnippering, zwakke coördinatie en schaarste aan mensen en middelen.

Het Europese kader: Richtlijn (EU) 2024/1203

De context van het onderzoek wordt gevormd door Richtlijn (EU) 2024/1203 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, aangenomen op 11 april 2024. De richtlijn vervangt Richtlijn 2008/99/EG en moet uiterlijk op 21 mei 2026 zijn omgezet. Het aantal delictsomschrijvingen wordt uitgebreid van negen naar twintig en de richtlijn schrijft minimumniveaus voor maximumstraffen voor. Sancties gelden voor natuurlijke personen en voor rechtspersonen, en strafrechtelijke aansprakelijkheid is onder omstandigheden ook mogelijk wanneer is gehandeld binnen de kaders van een bestuurlijke vergunning. Het rapport wijst er verder op dat Europol milieucriminaliteit sinds 2017 in de SOCTA aanmerkt als ernstige criminaliteitsdreiging en dat het thema een EMPACT-prioriteit is. In december 2025 nam het parket van het Internationaal Strafhof beleid aan over de vervolging van milieuschade onder het Statuut van Rome. Op nationaal niveau noemt het rapport het initiatiefwetsvoorstel over ecocide, dat op 30 november 2023 bij de Tweede Kamer is ingediend en nog aanhangig is.

Nederland: een gefragmenteerd hybride stelsel

Het rapport beschrijft het Nederlandse stelsel als het meest versnipperde van de vier onderzochte landen. De handhaving is verdeeld over een bestuursrechtelijk spoor, met 29 omgevingsdiensten en landelijke inspecties zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, en een strafrechtelijk spoor met de politie en het Openbaar Ministerie. Daartussen opereren de bijzondere opsporingsdiensten, die binnen hun eigen domein voorrang hebben; de opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport telde 130 fte en die van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit circa 140 fte in 2023. De commissie Van Aartsen oordeelde in 2021 kritisch over deze versnippering. De vervolging van milieuzaken ligt bij het Functioneel Parket, dat tussen 2012 en 2020 38.212 standaardzaken en 3.659 maatwerkzaken behandelde; het beperkte aantal gespecialiseerde officieren van justitie geldt volgens het rapport als knelpunt. De coördinatie verloopt via de Strategische Milieukamer en de Landelijke Milieukamer.

Binnen de politie geldt sinds oktober 2022 de strategie Politiemilieutaak 2.0, met als doel dat elk van de 167 basisteams in 2026 beschikt over twee milieuagenten die driekwart van hun tijd aan milieutaken besteden. Volgens het rapport wordt die doelstelling waarschijnlijk niet gehaald; in het vierde kwartaal van 2025 was zij bij de meeste eenheden nog niet gerealiseerd. Het landelijke High Impact Environmental Crime-team telt 31 fte en het expertisecentrum NXT zeven specialisten. In 2025 liepen via de Landelijke Milieukamer 43 zaken in categorie 2 en 111 zaken in categorie 3, vooral structurele en economisch gemotiveerde delicten zoals illegale afvalverwerking en overtredingen met gevaarlijke stoffen, met raakvlakken met financiële, arbeids- en vervoersregelgeving. Er ligt een voorstel om de nationale milieuverantwoordelijkheid vanaf 2027 te beleggen bij de Nationale Onderzoeks- en Interventie-eenheid.

Spanje: SEPRONA als geïntegreerd model

Van de onderzochte landen kent Spanje volgens het rapport de minst gefragmenteerde aanpak. De milieubeschermingsdienst SEPRONA, in 1988 opgericht binnen de Guardia Civil, combineert opsporing en inlichtingen in gespecialiseerde teams die elk over een onderzoeks- en een inlichtingensubteam beschikken. De dienst telt circa 1.800 posities, waarvan er ongeveer 1.500 zijn bezet. Sinds 2021 beschikt SEPRONA over een eigen technische eenheid die rapporten opstelt over ecologische en economische schade; het opstellen daarvan duurt drie tot vier maanden. Het rapport noemt als voorbeeld een zaak over illegaal geoogste zeedadels, waarin bij vijf kilo aangetroffen exemplaren een ecologische schade van € 20 miljoen werd berekend. Complexe zaken vergen anderhalf tot twee jaar voordat zij vervolgbaar zijn. SEPRONA is internationaal sterk aanwezig, onder meer binnen EMPACT en bij Europol, waar het milieuteam mede is voortgekomen uit een Spaanse detachering.

Zweden: een OM-geleid en administratief geïnitieerd model

Zweden hanteert een model waarin het Openbaar Ministerie de leiding heeft over milieuonderzoeken en zaken vrijwel steeds beginnen met een melding van een inspectie-instantie. Sinds 1999 geldt op grond van hoofdstuk 26, paragraaf 2 van de Zweedse Milieuwet een meldplicht voor toezichthouders, waarna het aantal registraties steeg van circa 400 naar circa 4.000 per jaar. De nationale milieukamer van het Zweedse Openbaar Ministerie, opgericht in 2009, telt circa 26 gespecialiseerde milieuofficieren. De politie werkt met zeven regionale milieueenheden waarin dertig tot veertig procent van de rechercheurs civiele medewerkers met een milieuwetenschappelijke achtergrond zijn. In 2024 registreerde Zweden 2.747 milieudelicten en daalde de gemiddelde doorlooptijd van 329 dagen in 2020 naar 147 dagen. In 2023 werden 315 bedrijfsboetes opgelegd en werd in 112 gevallen een natuurlijke persoon aansprakelijk gesteld; voor een bedrijfsboete is naar Zweeds recht geen individuele schuld vereist. Het rapport bespreekt de zaak Think Pink, de grootste milieustrafzaak in Zweden, waarin tussen 2015 en 2020 circa 200.000 ton afval illegaal werd gestort op 21 locaties. De rechtbank Södertörn veroordeelde in juni 2025 tien van de elf verdachten; de hoofdverdachte kreeg zes jaar gevangenisstraf voor negentien ernstige milieudelicten en de veroordeelden werden hoofdelijk veroordeeld tot een schadevergoeding van circa 250 miljoen Zweedse kroon.

Frankrijk: fragmentatie die aan Nederland doet denken

Het Franse stelsel lijkt volgens het rapport het meest op het Nederlandse. Het Franse milieustrafrecht omvat meer dan 2.000 delictsomschrijvingen, verspreid over vijftien wetboeken. In 2021 werden 31.400 milieudelicten geregistreerd, terwijl milieuzaken tussen 2015 en 2019 minder dan één procent van de strafzaken bij de rechtbanken uitmaakten en ruim een op de vier zaken werd geseponeerd. Op nationaal niveau opereert sinds 2004 het gespecialiseerde politieonderdeel OCLAESP, sinds juli 2023 ondergebracht in een commando voor milieu en gezondheid van de gendarmerie. Daarnaast beschikt Frankrijk sinds 2020 over het Office français de la biodiversité, het Franse agentschap voor biodiversiteit, met circa 1.700 milieu-inspecteurs in een hybride positie. In de praktijk richt de gendarmerie zich vooral op zaken met grote financiële belangen en het agentschap op ecologische schade. De in 2022 aangekondigde 36 gespecialiseerde milieuafdelingen bij de parketten zijn niet van de grond gekomen omdat de posten niet werden ingevuld. Het rapport noemt de Belgisch-Franse Demeter-zaak, waarin circa 10.000 ton afval illegaal werd verwerkt en een winst van ruim € 1,5 miljoen werd behaald.

De economische aard van milieucriminaliteit

Het rapport benadrukt dat milieucriminaliteit inherent economisch van aard is. In de onderzochte zaken zijn geregeld bedrijfsstructuren, financiële stromen, grensoverschrijdende actoren en complexe vergunningsstelsels betrokken, en de literatuur waarop het rapport steunt wijst op samenloop met georganiseerde en financiële criminaliteit. Het onderscheid tussen milieucriminaliteit en economische criminaliteit noemt het rapport in veel gevallen kunstmatig. Dat werkt door in de organisatorische aanbevelingen: milieuteams zouden systematisch financiële specialisten moeten omvatten, en opsporingsonderzoeken zouden vanaf de start een financieel perspectief moeten kennen, gericht op de verdienmodellen achter de delicten. De Spaanse schaderapporten, die naast ecologische ook economische effecten kwantificeren, en de Zweedse bedrijfsboetes dienen daarbij als voorbeelden uit de onderzochte landen. Ook de Nederlandse zaakcijfers wijzen volgens het rapport in die richting, nu de zaken in categorie 3 vooral economisch gemotiveerde delicten betreffen met raakvlakken met financiële en arbeidsregelgeving.

Aanbevelingen voor de Nederlandse politie

Het rapport formuleert vier algemene lessen en vijf aanbevelingen voor Nederland. Algemeen pleit het rapport voor het vergroten van de kennisbasis over milieucriminaliteit, voor het meten van effecten in plaats van uitsluitend zaaksaantallen, voor het inrichten van opsporingsonderzoeken als systemisch leerproces met een sterk financieel perspectief en voor het versterken van de internationale aanwezigheid en samenwerking. Voor Nederland beveelt het rapport aan de gegevensverzameling en de toegankelijkheid van data te versterken, te werken aan een samenhangende identiteit van de milieupolitie naar het voorbeeld van de Spaanse en Franse gespecialiseerde diensten, specialistische capaciteit te bundelen met het High Impact Environmental Crime-team en het expertisecentrum NXT als knooppunten, opleidingstrajecten uit te wisselen met gezamenlijke trainingen voor inspectiediensten, politie en Openbaar Ministerie over onder meer bemonstering, financiële aspecten en digitaal bewijs, en gezamenlijke operationele protocollen en gedeelde bewijsnormen te ontwikkelen. Het rapport tekent daarbij aan dat expertise niet met een reorganisatie kan worden opgebouwd, maar tijd en aanhoudende investeringen vergt.

Afsluiting

Het rapport De aanpak van milieudelicten door de politie in Europa is verschenen als Politiewetenschap 141 in het onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap. Het beschrijft het Nederlandse stelsel als sterk gefragmenteerd en zet daar drie buitenlandse modellen tegenover: het geïntegreerde Spaanse model rond SEPRONA, het OM-geleide Zweedse model met civiele rechercheurs en bedrijfsboetes, en het Franse stelsel dat met vergelijkbare versnippering kampt. De implementatietermijn van Richtlijn (EU) 2024/1203 verstrijkt op 21 mei 2026. De doelstelling uit de strategie Politiemilieutaak 2.0 wordt volgens het rapport waarschijnlijk niet gehaald en er ligt een voorstel om de nationale milieuverantwoordelijkheid vanaf 2027 bij de Nationale Onderzoeks- en Interventie-eenheid te beleggen. De aanbevelingen van het rapport liggen bij de politie en haar ketenpartners.

Klik hier voor het volledige rapport.

Print Friendly and PDF ^