Taakstraffen voor twee medeverdachten wegens fiscale fraude bij verhuur van vakantieparken buiten de administratie, afgedaan met procesafspraken in hoger beroep

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 augustus 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 en ECLI:NL:GHSHE:2026:2196

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt op 4 augustus 2026 twee medeverdachten uit hetzelfde onderzoek Rabarber wegens fiscale fraude bij een onderneming die vakantieparken exploiteert. Binnen de onderneming is jarenlang een specifieke verhuur aan zogenoemde rangers buiten de administratie gehouden en contant afgerekend, waardoor te weinig belasting is geheven. De zaken worden in hoger beroep afgedaan op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. De bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid uit de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant blijven in stand. Het hof vernietigt uitsluitend de strafoplegging en legt in beide zaken een deels voorwaardelijke taakstraf op, zonder de door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. De ene verdachte krijgt een taakstraf van 240 uren en de andere een taakstraf van 180 uren, telkens met 40 uren voorwaardelijk en een proeftijd van één jaar.

Inleiding en context

Beide verdachten zijn natuurlijke personen en beide zaken betreffen hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 15 april 2025. Het gaat om medeverdachten in hetzelfde onderzoek Rabarber. De feiten spelen bij een onderneming die onder leiding van de leidinggevende medeverdachte in Nederland en België een groot aantal vakantieparken exploiteert. Tijdens een in 2016 door de Belastingdienst gestart boekenonderzoek komt naar voren dat er binnen de onderneming een geldstroom is die niet in de administratie zichtbaar is, niet bekend is bij de eigen accountant en niet is opgegeven bij de Belastingdienst. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat een specifieke verhuur van langere duur voor permanente bewoning, binnen de organisatie aangeduid als verhuur aan rangers of sociale verhuur, buiten het reserverings- en boekingssysteem wordt gehouden en contant wordt afgerekend. Verhuur aan rangers is alleen toegestaan met toestemming van de leidinggevende medeverdachte. De contante betalingen worden in enveloppen op het hoofdkantoor afgegeven of opgehaald. Deze huurders worden niet in het nachtregister geregistreerd, of de registratie wordt nadien vernietigd. Ook de urenregistratie en urenbriefjes van buitenlandse Europese medewerkers moeten in opdracht van het hoofdkantoor worden vernietigd. Deze gebrekkige administratie wordt gevoerd gedurende de gehele ten laste gelegde periode van 1 januari 2014 tot en met 21 mei 2019.

De rol verschilt per verdachte. In de zaak met nummer ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 gaat het om de verdachte geboren in 1994, dochter van de leidinggevende medeverdachte. Zij instrueert de parken over de afspraken voor het plaatsen van rangers, verwerkt de blokkeringen in het reserveringssysteem Newyse en geldt daarvoor als aanspreekpunt binnen de organisatie. In de zaak met nummer ECLI:NL:GHSHE:2026:2196 gaat het om de verdachte geboren in 1965. Zij is verantwoordelijk voor de administratie op alle parken en verwerkt de contante gelden per park in een aparte map ten behoeve van de kasadministratie. Enveloppen met geld die bij haar terechtkomen, geeft zij zonder vragen door zonder deze te verwerken.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verwijten zijn gebaseerd op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, telkens in de vorm van medeplegen (artikel 47 Sr) en met toepassing van meerdaadse samenloop (artikel 57 Sr). Steeds geldt het strekkingsvereiste dat het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 gaat het om twee feiten. Feit 1 betreft het medeplegen van het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de eisen van de belastingwet en het medeplegen van het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, beide meermalen gepleegd. Feit 2 betreft het medeplegen van het opzettelijk onjuist en of onvolledig verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen.

In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2196 gaat het om één feit: het medeplegen van het opzettelijk niet voeren van een administratie en het medeplegen van het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, meermalen gepleegd. Het verwijt over het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen ontbreekt hier.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert in het verlengde van de procesafspraken dat het vonnis wordt bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 vordert de advocaat-generaal een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2196 vordert de advocaat-generaal een taakstraf van 180 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich in beide zaken aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van de feiten en de verdachte, en conformeert zich aan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. In het kader van het afdoeningsvoorstel berust de verdediging in de bewezenverklaring zoals bij vonnis gewezen en voert daartegen geen verweren. De verdediging voert evenmin verweer tegen de strafeis. Op dit punt lopen beide zaken gelijk.

Oordeel gerecht

Het hof stelt in beide zaken vast dat tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken zijn gemaakt in de vorm van een afdoeningsvoorstel, die erop neerkomen dat de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid uit het vonnis in stand blijven en dat daartegen geen verweer meer wordt gevoerd. Het afdoeningsvoorstel houdt in dat de verdediging in de bewezenverklaring berust, dat openstaande onderzoekswensen komen te vervallen, dat het Openbaar Ministerie de overeengekomen taakstraf eist, dat de verdediging daartegen geen verweer voert en dat de verdachte haar verantwoordelijkheid erkent en de strafrechtelijke aansprakelijkheid aanvaardt.

Het afdoeningsvoorstel is ter terechtzitting van 19 maart 2026 en 21 juli 2026 integraal besproken in aanwezigheid van de raadsman. De verdachte verklaart op 19 maart 2026 dat zij vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en met besef van de rechtsgevolgen, tot de ondubbelzinnige beslissing is gekomen mee te werken aan het voorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Het hof bespreekt tijdens het onderzoek ter terechtzitting de vragen van de artikelen 348 en met name 350 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de procesafspraken worden meegewogen. Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de strafoplegging. Deze gang van zaken is in beide zaken identiek.

Bewezenverklaring

De bewezenverklaring uit de vonnissen van de rechtbank blijft door de procesafspraken in stand. Bewezen is:

In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2197:

  • feit 1: medeplegen van het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de eisen van de belastingwet en medeplegen van het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

  • feit 2: medeplegen van het opzettelijk onjuist en of onvolledig verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2196:

  • medeplegen van het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de eisen van de belastingwet en medeplegen van het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Van vrijspraak is in beide zaken geen sprake.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof let bij de strafbepaling op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof neemt de strafoverweging van de rechtbank deels over en past deze op punten aan. Er is sprake van langdurig kwalijk en laakbaar handelen: het niet registreren van de sociale verhuur aan rangers en het buiten zicht houden van de daaraan verbonden zwarte omzet zijn een georganiseerd, structureel onderdeel van de bedrijfsvoering, van het hoofdkantoor tot de parken. Administratieve bescheiden zoals notities, nachtregisters en urenlijsten worden niet opgemaakt of vernietigd. Beide verdachten zijn first offender. Het hof weegt mee dat zij verantwoordelijkheid nemen, dat de zaak veel media-aandacht heeft getrokken en een grote impact heeft gehad, dat het relatief oude feiten betreft en dat het maatschappelijk belang gebaat is bij afdoening overeenkomstig het afdoeningsvoorstel, waarmee verdere overschrijding van de redelijke termijn wordt voorkomen en op kortere termijn een disciplinerend effect kan uitgaan van het strafrecht.

De rolwaardering en de persoonlijke omstandigheden verschillen per zaak. In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 acht het hof de rol van de verdachte bij het buiten de boeken houden van de verhuur groot, omdat zij de parken instrueert, de blokkeringen in Newyse verwerkt en daarvoor het aanspreekpunt is. Als persoonlijke omstandigheid weegt het hof mee dat zij de zaak wenst af te doen vanwege de druk en stress op haarzelf en haar gezin. In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2196 acht het hof de rol van de verdachte eveneens groot, omdat zij verantwoordelijk is voor de administratie op alle parken, de contante gelden per park verwerkt en enveloppen met geld zonder vragen doorgeeft, waardoor de administratie op belangrijke onderdelen een onvolledig beeld geeft. Als persoonlijke omstandigheid weegt het hof mee dat zij de zaak wenst af te doen vanwege haar gezondheid.

Het hof volgt het Openbaar Ministerie en de verdediging in het afdoeningsvoorstel en vernietigt in beide zaken het vonnis uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging. Voor het overige bevestigt het hof het vonnis.

In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 legt het hof een taakstraf op van 240 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

In de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2196 legt het hof een taakstraf op van 180 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

De opgelegde straffen komen in beide zaken overeen met de eis van de advocaat-generaal in hoger beroep. Ten opzichte van de rechtbank wijkt het hof in beide zaken af doordat de door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren vervalt en de proeftijd bij het voorwaardelijke deel van de taakstraf wordt bepaald op één jaar.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2197 en in de zaak ECLI:NL:GHSHE:2026:2196.

Print Friendly and PDF ^