Veroordeling voor btw-fraude waarbij de rechtbank de getuigenverklaring bij de FIOD betrouwbaarder acht dan de latere, afwijkende verklaring bij de RC
/Rechtbank Midden-Nederland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3240
De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een ondernemer tot een taakstraf van 150 uren voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het gebruik van valse facturen. Centraal in de bewijsvraag staat de waardering van twee tegenstrijdige getuigenverklaringen: de rechtbank acht de verklaring die de getuige kort na het feit bij de FIOD aflegt betrouwbaarder dan zijn latere, afwijkende verklaring bij de rechter-commissaris. De getuige verklaart bij de FIOD stellig dat hij de facturen niet kent en niet opmaakt, terwijl hij bij de rechter-commissaris belangrijke details niet kan reproduceren. De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten onrechte voorbelasting claimt voor zijn eenmanszaak en dat het ten onrechte geclaimde bedrag uitkomt op € 35.592. Daarnaast stuurt de verdachte vijfentwintig valse facturen naar de Belastingdienst die de indruk wekken dat een onderaannemer voorbelasting in rekening brengt. De rechtbank spreekt de verdachte gedeeltelijk vrij, omdat de omzet over een deel van de periode toerekenbaar is aan een besloten vennootschap en niet aan de eenmanszaak.
Inleiding en context
De zaak betreft een verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1976 in Marokko, die terechtstaat voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht. Op 27 maart 2025 worden tegen de verdachte twee strafbeschikkingen uitgevaardigd, waartegen hij op 1 mei 2025 verzet instelt. De politierechter verwijst de strafzaak op 2 december 2025 naar de meervoudige kamer. De twee zaken worden ter terechtzitting gevoegd en inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 13 mei 2026, op tegenspraak. De verdachte drijft een eenmanszaak en is daarnaast directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap.
Tenlastelegging en wettelijk kader
In de eerste zaak wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 3 juli 2018 tot en met 22 december 2020 elf keer onjuist of onvolledig kwartaalaangiften omzetbelasting doet, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Dit feit is toegesneden op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In de tweede zaak wordt de verdachte verweten dat hij op 14 november 2022 opzettelijk gebruikmaakt van valse of vervalste geschriften alsof deze echt zijn, door valse facturen naar de Belastingdienst te sturen. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte beide feiten pleegt. De officier van justitie eist een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de strafbeschikkingen te vernietigen en de verdachte van beide feiten vrij te spreken. Bij een bewezenverklaring acht de verdediging een geheel voorwaardelijke straf met een lange proeftijd passend. Daarbij verzoekt de verdediging rekening te houden met de aanzienlijke schulden van de verdachte, zijn slechte gezondheid en de negatieve gevolgen die hij al van deze zaak ondervindt.
Oordeel gerecht
De rechtbank spreekt de verdachte in de eerste zaak gedeeltelijk vrij van het opzettelijk onjuist doen van kwartaalaangiften over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2018 en het derde en vierde kwartaal van 2019. De overboekingen door twee opdrachtgevers gaan naar de bankrekening van de besloten vennootschap, de bijbehorende facturen zijn facturen van de vennootschap en de werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van een overeenkomst van opdracht met de vennootschap. De rechtbank gaat er daarom van uit dat in de tenlastegelegde periode alle omzet door de vennootschap wordt gemaakt en dat de vennootschap aangifte- en belastingplichtig is voor de omzetbelasting, en niet de eenmanszaak. Dat op de facturen van de vennootschap het btw-nummer van de eenmanszaak staat, maakt dit niet anders. De verdachte verklaart dat hij met een gratis boekhoudprogramma werkt en vergeet sommige gegevens te wijzigen, waardoor het btw-nummer van de eenmanszaak op die facturen terechtkomt. De rechtbank vindt deze uitleg voorstelbaar en wijst erop dat de eenmanszaak per 15 april 2020 is opgeheven, waardoor onwaarschijnlijk is dat in het derde en vierde kwartaal van 2020 nog omzet wordt gemaakt. In de vijf genoemde aangiften wordt bovendien geen voorbelasting teruggevraagd, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte onjuist aangifte doet.
Voor de overige aangiften acht de rechtbank het feit bewezen. In de tenlastegelegde periode claimt de verdachte zes keer voorbelasting. De rechtbank oordeelt dat dit onjuist is en dat de verdachte dit opzettelijk doet, omdat niet blijkt dat de eenmanszaak in die periode activiteiten verricht en er dus geen kosten kunnen zijn waarvoor door derden btw in rekening wordt gebracht. De verdachte verstrekt ondanks herhaalde verzoeken geen informatie of administratie. Het opvoeren van btw die niet is voldaan als voorbelasting is naar zijn aard geschikt om te weinig belasting te heffen. In totaal claimt de verdachte € 35.592 ten onrechte aan voorbelasting. Het verweer dat voor sommige aangiften de indieningstermijn al is verstreken, verwerpt de rechtbank: de tenlastelegging ziet niet op het niet of niet tijdig doen van aangifte, maar op de onjuistheid van de wel gedane aangiften, en ook een onverplicht gedane aangifte is een bij de belastingwet voorziene aangifte in de zin van artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
In de tweede zaak stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 14 november 2022 vijfentwintig valse facturen naar de Belastingdienst stuurt. De facturen wekken de indruk afkomstig te zijn van een onderaannemer, de eenmanszaak van een getuige, maar zijn dat niet. Op één factuur staat het bankrekeningnummer van de besloten vennootschap als begunstigde, de opmaak, lay-out en het gebruik van hoofdletters zijn gelijk aan facturen van de vennootschap aan andere bedrijven, en een groot deel van de facturen draagt een datum van na de opheffing van de onderaannemer per 1 september 2019.
De kern van de bewijsbeslissing ligt in de waardering van twee tegenstrijdige verklaringen van de getuige op wiens naam de onderaannemer handelt. In zijn verhoor bij de FIOD verklaart de getuige dat hij de facturen niet kent en niet opmaakt. Bij de rechter-commissaris legt hij later een afwijkende verklaring af. De rechtbank gaat aan die latere verklaring voorbij en acht de verklaring bij de FIOD het meest authentiek. Daarvoor geeft de rechtbank verschillende redenen. De verklaring bij de FIOD volgt het kortst op het tenlastegelegde feit en de getuige is op dat moment zeer stellig dat hij de facturen niet opmaakt, terwijl hij dan nog niet weet waarover hij wordt verhoord. De verklaring bij de rechter-commissaris oogt daarentegen warrig. De getuige kan belangrijke details niet meer reproduceren, zoals de naam van zijn eigen bedrijf, terwijl hij de naam van een specifiek boekhoudprogramma wel weet, juist het programma waarvan het gebruik het verhaal van de verdachte zou bevestigen. De getuige kan zich evenmin herinneren of hij de facturen wel of niet op de laptop van de verdachte maakt en hij reproduceert de naam van de vennootschap van de verdachte onjuist. Op grond van deze tegenstrijdigheden en gebreken hecht de rechtbank geen waarde aan de verklaring bij de rechter-commissaris.
De rechtbank betrekt verder dat de verklaring van de verdachte over uitbetalingen aan de onderaannemer op geen enkele manier te verifiëren is en dat hij geen kwitanties aanlevert, terwijl hij verklaart dat een deel van de betalingen in contanten plaatsvindt en daarvan vastleggingen bestaan. De rechtbank oordeelt dat de facturen vals zijn en dat de verdachte het oogmerk heeft deze als echt en onvervalst te gebruiken. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de verdachte met zijn vennootschap daadwerkelijk ritten uitbesteedt aan onderaannemers, maar stelt vast dat die betalingen administratief nooit goed zijn verantwoord.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de periode van 1 mei 2019 tot en met 22 december 2020 in Zeist, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften voor de omzetbelasting, te weten over het eerste en tweede kwartaal van 2019 en het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2020, onjuist doet door telkens een onjuist bedrag aan voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven;
op 14 november 2022 in Zeist, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruikmaakt van valse geschriften, te weten een reeks facturen, als ware deze echt en onvervalst, door die geschriften naar de Belastingdienst te sturen, terwijl hij weet dat die geschriften bestemd zijn voor gebruik als ware deze echt en onvervalst.
Het overige dat is tenlastegelegd, acht de rechtbank niet bewezen en daarvan spreekt zij de verdachte vrij. De bewezen feiten leveren op het opzettelijk onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank weegt de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de verdachte deze pleegt, zijn strafblad en zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte maakt zich schuldig aan btw-fraude door onterecht voorbelasting in te vullen en door valse facturen aan de Belastingdienst toe te sturen, waardoor de Belastingdienst niet in staat is de juiste belastingverplichtingen vast te stellen. Uit het strafblad van 3 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank houdt verder rekening met de gezondheidsproblemen van de verdachte, het ontbreken van werk en inkomen en zijn aanzienlijke schulden.
De rechtbank acht een taakstraf op zijn plaats en legt een taakstraf op van 150 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis doorbrengt naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag, en met bevel dat bij niet of niet naar behoren verrichten 75 dagen hechtenis in de plaats treedt. De rechtbank legt een lagere taakstraf op dan bij de strafbeschikkingen tezamen is opgelegd en dan de officier van justitie eist, omdat zij uitgaat van minder fiscaal nadeel en de verdachte gedeeltelijk vrijspreekt. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte gevolgen van de zaak ondervindt door zijn schulden en dat het om oudere feiten gaat, hoewel de vertraging deels bij de verdachte zelf ligt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de door het Openbaar Ministerie geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf. De eerder uitgevaardigde strafbeschikkingen vernietigt de rechtbank.
Lees hier de volledige uitspraak.
