Veroordeling van feitelijk leidinggever voor het jarenlang negeren van een stilleggingsbevel en het niet treffen van maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen bij een BRZO-bedrijf
/Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1194
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt een 83-jarige bestuurder als feitelijk leidinggever voor overtredingen van veiligheidsvoorschriften die voor zijn onderneming als BRZO-bedrijf golden. De onderneming negeert jarenlang een bevel tot stillegging van de Inspectie SZW dat afvul- en overslagwerkzaamheden met explosiegevaarlijke stoffen in productiehal P1 verbiedt. Daarnaast treft de onderneming opzettelijk niet alle maatregelen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen, onder meer door het gebruik van niet-explosieveilige apparatuur en het achterwege laten van een vereiste Management of Change-procedure. Het hof verwerpt de verweren dat het stilleggingsbevel onbevoegd is gegeven en dat de gevolgde werkwijze elk explosiegevaar uitsloot. De verdachte wordt als feitelijk leidinggever en niet als medepleger aangemerkt en partieel vrijgesproken van het onderdeel over de voorlichting van productiemedewerkers. Het hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren op, alsmede een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Inleiding en context
De verdachte is een in 1942 geboren natuurlijk persoon, ten tijde van de uitspraak 83 jaar oud, die in zowel Frankrijk als Nederland verblijft. Hij staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als enig bestuurder en enig aandeelhouder van het bedrijf, een onderneming die onder de werking van het Besluit risico's zware ongevallen valt (BRZO-bedrijf) en die op een locatie te Klundert, gemeente Moerdijk, chemische producten en grondstoffen verwerkt. De zaak betreft een vervolging in hoger beroep wegens economische delicten. De meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft de verdachte bij vonnis van 15 maart 2022 vrijgesproken van het onder feit 1 primair en het onder feit 3 en feit 4 tenlastegelegde, en hem voor het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld. De assets van het bedrijf zijn eind 2018 verkocht; volgens de verdachte bestaat de onderneming uitsluitend nog vanwege deze strafzaak.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan verboden gedragingen van het bedrijf. Onder feit 1 gaat het om het zich niet gedragen overeenkomstig een bevel tot stillegging als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, dat op 22 juli 2014 mondeling is gegeven door een toezichthouder van de Inspectie SZW en op 25 juli 2014 schriftelijk is bevestigd. Het bevel houdt in dat in productiehal P1 geen afvul- of overslagwerkzaamheden mogen plaatsvinden met producten die met lucht een gasexplosie kunnen veroorzaken, omdat die werkzaamheden naar het oordeel van de toezichthouder ernstig gevaar voor personen opleveren. Onder feit 2 wordt verweten dat het bedrijf als exploitant van de inrichting niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken, een en ander gebaseerd op artikel 5, eerste lid, van het Besluit risico's zware ongevallen 2015, in verbinding met artikel 6, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De strafbaarstelling loopt via de Wet op de economische delicten. Onder feit 2 staan vier verwijten centraal: het gebruik van niet voor de aangewezen gevarenzone geschikte arbeidsmiddelen, het verplaatsen van de verwerking van de zeer toxische stof acrylonitril naar binnen zonder toepassing van de eigen Management of Change-procedure, het onvoldoende voorlichten en instrueren van productiemedewerkers, en het onvoldoende identificeren en beoordelen van de gevaren van zware ongevallen bij reactor 2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre opnieuw rechtdoende vordert de advocaat-generaal een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarbij houdt de advocaat-generaal rekening met de overschrijdingen van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak van het tenlastegelegde voor zover nog aan de orde, en voert daarnaast een strafmaatverweer. Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat het bevel tot stillegging niet kon worden gegeven omdat er geen ernstig gevaar voor personen bestond: de toxische aard van de stoffen is zodanig dat geen explosieve atmosfeer kan ontstaan zolang de blootstelling onder de blootstellingslimieten blijft, en er is geen aanwijzing dat het bedrijf daarin faalt. De Arbeidsomstandighedenwet geeft onder die omstandigheden geen bevoegdheid tot stillegging, en het schenden van een rechtens niet op te leggen stillegging kan geen economisch misdrijf opleveren. Mocht het bevel geldig zijn, dan is het in wezen niet geschonden omdat de werkzaamheden geen gasexplosie konden veroorzaken.
Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat het bedrijf wel maatregelen heeft getroffen waardoor potentiële risico's zijn geëlimineerd, en dat het volgens de bestuursrechtelijke rechtspraak aan de exploitant is om te bepalen welke maatregelen worden getroffen. Per onderdeel stelt de verdediging dat explosieveilige apparatuur het risico niet zou hebben verkleind, dat voor de gewijzigde werkwijze met acrylonitril geen MoC-procedure hoefde te worden gevolgd omdat alleen de verdachte daarbij betrokken was, dat de risico's voor productiemedewerkers bekend en via werkinstructies bekendgemaakt waren en de betrokken medewerkers adequaat waren voorgelicht, en dat de gevaren van zware ongevallen wel degelijk zijn geïdentificeerd en beoordeeld. De verdediging verwijst naar een in hoger beroep opgestelde memo van TNO van 22 augustus 2024, waaruit zou volgen dat het vlampunt geen indicator is en dat maatregelen zoals zonering niet nodig zijn wanneer uit metingen blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tot slot betwist de verdediging het opzet: het dossier schiet tekort om vast te stellen dat de verdachte er bewust van heeft afgezien een maatregel te treffen waarvan hij wist dat die nodig was. Bij de strafmaat verzoekt de raadsman rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn leeftijd, en de ouderdom van de zaak.
Oordeel gerecht
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraken van feit 3 en feit 4. Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld, maar tegen deze beschermde vrijspraken staat op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep open. Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging spreekt het hof de verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, omdat de overtuiging ontbreekt dat hij dit heeft begaan.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair stelt het hof vast dat het bevel tot stillegging op 22 juli 2014 is gegeven en op 25 juli 2014 schriftelijk is bevestigd, hetgeen niet wordt betwist. Het hof acht het niet passend om in deze strafprocedure een indringende toets uit te voeren naar de inhoudelijke beslissing tot stillegging. De verdachte heeft het door hem ingestelde bezwaar niet doorgezet en de aanvraag voor een voorlopige voorziening ingetrokken, zodat het bevel in rechte is komen vast te staan en formele rechtskracht heeft. Niet is gebleken dat de toezichthouder niet tot het redelijk oordeel kon komen dat de werkzaamheden ernstig gevaar voor personen opleverden; het hof wijst daarbij ook op een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 december 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:4730), waarin is vastgesteld dat op 22 juli 2014 een reëel en voorzienbaar risico op een explosieve atmosfeer bestond. Het verweer dat het bevel onbevoegd is gegeven, verwerpt het hof. Het bevel is in de bewezenverklaarde periode van 21 oktober 2014 tot en met 28 februari 2018 van kracht en is objectief, absoluut en ongeclausuleerd. Het stond het bedrijf niet vrij de werkzaamheden voort te zetten, ook niet met een werkwijze waarbij naar de inschatting van het bedrijf geen explosieve atmosfeer kon ontstaan, alsof dit ter vrije beoordeling van het bedrijf zou staan. Door de werkzaamheden toch uit te voeren is het bevel overtreden; de memo van TNO maakt dat niet anders.
Ten aanzien van feit 2 honoreert het hof het verweer ten aanzien van de voorlichting van productiemedewerkers en spreekt het de verdachte op dat onderdeel partieel vrij, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat een of meer medewerkers niet of onvoldoende zijn voorgelicht of geïnstrueerd. De overige onderdelen verwerpt het hof. Rond de emissiepunten bij reactor 2 in productiehal P1 is sprake van gevarenzone 1; het ontstaan van een explosieve atmosfeer is bij de gebruikte stoffen een reëel en voorzienbaar risico dat tot een zwaar ongeval kan leiden. Dat emissie volgens de verdediging bijna niet voorkomt, ontslaat het bedrijf niet van de plicht maatregelen te treffen voor het geval die emissie wel optreedt; juist bij een BRZO-bedrijf is het treffen van voorzorgsmaatregelen essentieel. Het bedrijf is verplicht te zorgen voor explosieveilige apparatuur, maar werkt met een niet-explosieveilige ventilator, puntafzuiging en weegschaal. Ten aanzien van acrylonitril overweegt het hof dat de verplaatsing van de verwerking van deze uiterst toxische stof van buiten naar binnen een activiteit is die gevaren voor mens en milieu met zich kan brengen, en dat de MoC-procedure had moeten worden gevolgd. Dat de afwegingen volgens de verdachte in zijn hoofd zaten en alleen hij de werkzaamheden uitvoerde, is onvoldoende, omdat geen zekerheid bestaat dat zo alle risico's zijn onderkend en ondervangen. Ten aanzien van reactor 2 oordeelt het hof dat het bedrijf de gevaren van zware ongevallen onvoldoende heeft geïdentificeerd en beoordeeld: de veiligheidsstudie van ADD-P069 is als referentieproductie gebruikt, terwijl die de risico's van andere in reactor 2 geproduceerde producten niet dekt, ook niet voor producten in de pilotfase.
Het hof acht het opzet bewezen. Binnen het bedrijf is bekend dat in reactor 2 stoffen worden verwerkt die met lucht een gasexplosie kunnen veroorzaken, terwijl de verdachte weet dat die werkzaamheden gelet op het bevel tot stillegging niet zijn toegestaan, en het bewust achterwege laten van de vereiste maatregelen is een keuze van de verdachte. Het is niet toelaatbaar dat het veilig uitvoeren van de werkzaamheden volledig afhankelijk wordt gemaakt van de oplettendheid, voorzichtigheid of kennis van één persoon. Het hof oordeelt dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen en niet als medepleger moet worden aangemerkt: hij is enig bestuurder en enig aandeelhouder, verricht het merendeel van de werkzaamheden zelf, stelt de werkprocessen zelf op en is de verpersoonlijking van het bedrijf, terwijl het resultaat van de gedragingen ten goede komt aan het bedrijfsresultaat.
Het hof kwalificeert het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd. Het onder feit 2 primair bewezenverklaarde kwalificeert het hof als overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet en als overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, telkens opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen:
dat het bedrijf in de periode van 21 oktober 2014 tot en met 28 februari 2018 zich opzettelijk telkens niet heeft gedragen overeenkomstig het op 22 juli 2014 gegeven bevel tot stillegging, door op de in de tenlastelegging genoemde data afvul- en overslagwerkzaamheden in productiehal P1 te verrichten met stoffen die met lucht een gasexplosie konden veroorzaken, en dat de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven (feit 1 subsidiair);
dat het bedrijf in de periode van 8 juli 2015 tot en met 28 februari 2018 als exploitant van de inrichting opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken, door met niet voor gevarenzone 1 geschikte arbeidsmiddelen te werken, door acrylonitril naar binnen aan te voeren zonder toepassing van de eigen Management of Change-procedure, en door de gevaren van zware ongevallen bij reactor 2 onvoldoende te identificeren en te beoordelen, en dat de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven (feit 2 primair).
Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en van het onderdeel van feit 2 dat ziet op het onvoldoende voorlichten en instrueren van productiemedewerkers, alsmede van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij zich jarenlang niets heeft aangetrokken van het bevel tot stillegging dat hem zowel mondeling als schriftelijk is gegeven en herhaaldelijk is toegelicht, en dat hij daarmee de handhaving van veiligheids- en milieuvoorschriften structureel heeft ondermijnd. Daarbij weegt mee dat de verdachte noch in eerste aanleg noch in hoger beroep voortschrijdend inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen toont en blijft volhouden niet in strijd met de stillegging te hebben gehandeld; het hof rekent hem dit in hogere mate aan dan de rechtbank. De verdachte was ten tijde van de feiten niet eerder onherroepelijk veroordeeld, en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing in verband met een veroordeling van het hof 's-Hertogenbosch van 10 december 2019 tot een geldboete. De redelijke termijn is in eerste aanleg met ruim 15 maanden en in hoger beroep met ruim 25 maanden overschreden, zonder dat van bijzondere rechtvaardigende omstandigheden is gebleken. Gelet op de ernst en de duur van de feiten acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, maar in de hogere leeftijd van de verdachte en de aanzienlijke overschrijdingen van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Het hof komt daarbij tot een zwaardere straf dan de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd, omdat naar zijn oordeel met die straffen niet kan worden volstaan.
Lees hier de volledige uitspraak.
