Veroordeling van bestuurder voor medeplegen van faillissementsfraude, met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn
/Rechtbank Amsterdam 21 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5479
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een middellijk bestuurder voor faillissementsfraude bij een beveiligingsbedrijf dat in februari 2020 failliet ging. In het jaar voor het faillissement is ruim € 547.000 zonder geldige titel weggesluisd naar gelieerde vennootschappen en privérekeningen, werd een auto buiten de boedel verkocht en deed de bestuurder privé-uitgaven van de zakelijke rekening. Ook voldeed hij niet aan zijn inlichtingenplicht tegenover de curator en voerde hij geen deugdelijke administratie. De rechtbank rekent hem medeplegen toe samen met zijn ex-echtgenote en feitelijk bestuurder. Wegens een forse overschrijding van de redelijke termijn wijkt de rechtbank af van de LOVS-oriëntatiepunten. Zij legt een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon die middellijk bestuurder en enig aandeelhouder was van een beveiligingsbedrijf dat zich richtte op cruiseschipbeveiliging. Via een holdingstructuur stond hij aan het hoofd van de vennootschap, die op 25 februari 2020 door de rechtbank Midden-Nederland failliet is verklaard nadat werknemers het faillissement hadden aangevraagd omdat hun salaris vanaf oktober 2019 niet meer werd uitbetaald. De aangestelde curator deed in juli 2021 een melding van mogelijke faillissementsfraude bij de FIOD en in november 2021 een aanvullende aangifte tegen de verdachte en de medeverdachte, zijn ex-echtgenote die feitelijk bestuurder was en de financiën van de onderneming beheerde. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer, gelijktijdig maar niet gevoegd met de strafzaak tegen de medeverdachte.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij zich als bestuurder van de failliete rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan drie feiten. Feit 1 betreft het tezamen en in vereniging onttrekken van gelden en goederen aan de boedel en het buitensporig verbruiken van middelen in de wetenschap dat schuldeisers daardoor zijn benadeeld, strafbaar gesteld in artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht. Feit 2 betreft het opzettelijk weigeren de vereiste inlichtingen aan de curator te geven, strafbaar gesteld in artikel 194 van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met de inlichtingenplicht uit de artikelen 105 en 106 van de Faillissementswet. Feit 3 betreft het opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie, strafbaar gesteld in artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht, met als civielrechtelijke grondslag de boekhoudplicht van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek. Het medeplegen is ten laste gelegd op grond van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten 1, 2 en 3 bewezen kunnen worden, met dien verstande dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3 van het medeplegen moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. De officier van justitie vordert een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdachte verklaart ter terechtzitting dat de feiten niet door hem, maar door zijn ex-echtgenote en medeverdachte zijn gepleegd. Ten aanzien van de uitgaven met een privékarakter voert hij aan dat een deel daarvan plaatsvond in het kader van zakelijke reizen voor de onderneming. Ten aanzien van de inlichtingenplicht verwijst hij steeds naar de medeverdachte dan wel naar de voormalige accountants van de vennootschap. Ten aanzien van de strafmaat neemt de verdachte geen standpunt in.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt op basis van de uittreksels van de Kamer van Koophandel en de verklaring van de verdachte vast dat hij middellijk bestuurder was. Dat de medeverdachte feitelijk bestuurder was en zich met de financiën bezighield, doet niet af aan zijn verantwoordelijkheid: hij heeft die situatie toegestaan en laten bestaan, en de overboekingen zijn voor een aanzienlijk deel ten gunste gekomen van aan hem gelieerde bedrijven en aan hemzelf. Zijn verklaring dat hij geen betrokkenheid bij of voordeel van de overboekingen had, heeft hij niet geconcretiseerd of onderbouwd.
Op grond van het FIOD-onderzoek naar de bankmutaties stelt de rechtbank vast dat in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 in totaal € 547.046,40 aan de vennootschap is onttrokken en is overgemaakt naar vijf gelieerde vennootschappen, zonder dat onderliggende stukken zijn aangetroffen of overgelegd. Bij gebreke van een geldige titel of grondslag, zoals facturen, betalingsbewijzen of overeenkomsten, merkt de rechtbank deze betalingen aan als onttrekkingen. De verkoop van de Renault Clio kwalificeert de rechtbank eveneens als onttrekking, omdat de verkoopopbrengst niet naar de rekening van de vennootschap maar naar de privérekeningen van de verdachte en de medeverdachte is overgemaakt. De uitgaven van € 14.071,50 voor luxegoederen merkt zij aan als buitensporig verbruik van middelen in de zin van artikel 343 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht, en de drie betalingen aan een reisorganisatie van in totaal € 16.375,55 als onttrekking in de zin van artikel 343 sub 1. De rechtbank oordeelt dat de verdachte heeft nagelaten te onderbouwen hoe deze uitgaven de vennootschap ten goede konden komen.
De rechtbank verwerpt de stelling dat geen sprake is van medeplegen. De verdachte en de medeverdachte zijn als bestuurders samen verantwoordelijk geweest en hebben beiden geprofiteerd van de onttrekkingen en de verkoop van de auto. Ook als de medeverdachte alle overboekingen heeft verricht, geldt dat de verdachte de situatie waarbinnen deze konden plaatsvinden heeft gecreëerd, heeft laten voortbestaan en daarvan heeft geprofiteerd.
De rechtbank acht voorzienbaar dat een faillissement aanstaande was. Tegenover een omzet van € 502.262 over januari tot september 2019, waarna geen omzet meer werd opgegeven, staat een onttrokken bedrag dat de jaaromzet overstijgt, terwijl vanaf oktober 2019 huur en salarissen niet meer werden betaald. Door al sinds januari 2019 grote bedragen en een auto aan de boedel te onttrekken, is een aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers ontstaan die de verdachte bewust heeft aanvaard. Omdat het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven en bij de curator vorderingen voor € 318.504,44 zijn ingediend, staat vast dat de schuldeisers daadwerkelijk zijn benadeeld.
Ten aanzien van feit 2 oordeelt de rechtbank dat op de verdachte op grond van artikel 106 van de Faillissementswet de verplichting rustte de curator desgevraagd inlichtingen te verschaffen. Uit de correspondentie blijkt dat de verdachte herhaaldelijk niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie en heeft geweigerd op het kantoor van de curator te verschijnen. De rechtbank acht een kortere periode bewezen dan ten laste gelegd, tot en met 15 november 2022, de datum waarop de vennootschap is opgeheven en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank vast dat de curator nooit een volledige administratie heeft aangetroffen of ontvangen en dat de afhandeling van het faillissement daardoor is bemoeilijkt. De verdachte heeft als bestuurder een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid voor het voeren en bewaren van een correcte administratie en heeft daaraan opzettelijk niet voldaan. Ook hier neemt de rechtbank medeplegen aan, omdat de verplichting voor beide bestuurders geldt en in het geheel geen administratie is aangetroffen.
De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van het onttrekken van een Peugeot 107 aan de boedel, omdat bij gebreke van onderliggende stukken niet kan worden vastgesteld wat met de eventuele opbrengst is gebeurd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen:
feit 1: medeplegen van het als bestuurder van een rechtspersoon, vóór het gevolgde faillissement, onttrekken van een goed aan de boedel en buitensporig uitgeven en vervreemden van middelen, te weten het zonder geldige titel overmaken van in totaal € 547.046,40 naar vijf gelieerde vennootschappen, het doen van uitgaven met een privékarakter en het verkopen van een Renault Clio met betaling op privérekeningen, wetende dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld
feit 2: het als bestuurder van een failliete rechtspersoon, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen aan de curator te geven, in de periode van 25 februari 2020 tot en met 15 november 2022
feit 3: medeplegen van het als bestuurder van een failliete rechtspersoon opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 november 2022
Van het onttrekken van de Peugeot 107 wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank gaat uit van een benadelingsbedrag van ruim € 300.000 en stelt vast dat ongeveer twintig procent van de overgeboekte gelden terecht is gekomen op rekeningen waarover de verdachte kan beschikken. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank constateert een forse overschrijding van de redelijke termijn en ziet daarin aanleiding af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, die bij een benadelingsbedrag van € 300.000 uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden. In plaats daarvan legt zij een voorwaardelijke gevangenisstraf op in combinatie met een substantiële taakstraf. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De voorwaardelijke gevangenisstraf valt daarmee hoger uit dan de geëiste drie maanden. Dat de medeverdachte een hogere taakstraf opgelegd krijgt, hangt samen met het verschil in verrijking tussen beiden.
Lees hier de volledige uitspraak.
