Veroordeling tot taakstraf voor witwassen van € 20.000 in een meegevoerd tasje; geen vormverzuim bij het overhandigen van het tasje aan de politie
/Gerechtshof Den Haag 4 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2799
Het gerechtshof Den Haag veroordeelt een man voor het witwassen van € 20.000 aan contant geld. De verdachte draagt het geld in een boxershort in een doosje in een papieren tasje bij zich, kort nadat hij uit een portiek is gekomen bij een woning die de politie observeert na een drugsaanhouding. De verdediging betoogt dat de verdachte het tasje niet vrijwillig heeft afgegeven en dat sprake is van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting moet leiden. Het hof verwerpt dit verweer: de verdachte geeft vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming voor het afgeven van het tasje en na constatering van het afwijkende gewicht ontstaat een redelijk vermoeden van schuld dat inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv rechtvaardigt. Het hof acht bewezen dat de verdachte van het geld en van de criminele herkomst daarvan heeft geweten, nu hij over de herkomst niet wil verklaren. Het hof legt een taakstraf van 90 uur op en verklaart het geldbedrag verbeurd; een bedrag van € 2.700 gaat terug naar de verdachte.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1994. Het gaat om een strafzaak in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2025, waarbij de verdachte voor witwassen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken met aftrek van voorarrest. Zowel de verdachte als de officier van justitie stelt hoger beroep in.
De aanleiding voor de zaak ligt op 11 april 2024 in Rotterdam. Die dag houdt de politie twee verdachten aan met een grote hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen en geld. Een van hen is met een doos uit een portiek gekomen. In afwachting van een doorzoeking observeert de politie de woning in dat portiek, omdat daar mogelijk nog geld, drugs of wapens aanwezig zijn die na de aanhouding opgehaald kunnen worden. Een zwarte Audi, op naam van een verhuurbedrijf, parkeert in de straat. De bestuurder, later de verdachte, gaat met lege handen het portiek in en komt na tien minuten terug met een tasje. Verbalisanten spreken hem aan. Uit het onderzoek aan het tasje blijkt dat er een boxershort in een doosje zit, met daarin een grote hoeveelheid geld. De verdachte wordt aangehouden op verdenking van witwassen.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 11 april 2024 in Rotterdam een geldbedrag van € 20.000 en/of € 2.700 heeft witgewassen. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 420bis Sr en omvat zowel de verhullingsvariant (sub a: verbergen of verhullen van aard, herkomst, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechthebbende of houder) als de verwervingsvariant (sub b: verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken), terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal deelt ter terechtzitting mee dat het Openbaar Ministerie geen grieven meer heeft tegen het vonnis en vordert bevestiging van het vonnis, dus een gevangenisstraf van drie weken met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het bedrag van € 2.700 stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat witwassen niet bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman voert een vormverzuimverweer dat tot bewijsuitsluiting moet leiden. Hij stelt dat de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig heeft toegestemd met het afgeven van het tasje aan de verbalisant. Subsidiair betoogt hij dat een eventuele toestemming niet zag op het onderzoeken van de inhoud van het tasje. Daarnaast voert de raadsman een bewijsverweer: niet kan worden bewezen dat de verdachte wist van het geld in het tasje, zodat vrijspraak moet volgen. Voor het bedrag van € 2.700 bepleit de verdediging eveneens vrijspraak. Een afzonderlijk strafmaatverweer blijkt niet uit het arrest.
Oordeel gerecht
Het hof verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Nu het Openbaar Ministerie geen grieven meer heeft en het hof geen reden ziet het beroep ambtshalve te behandelen, past het hof artikel 416 lid 3 Sv toe. Het vonnis van de politierechter kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Het vormverzuimverweer verwerpt het hof. Het hof baseert zich op twee op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en ziet geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. De verbalisant maakt zich direct kenbaar als politieambtenaar en vraagt wat de verdachte in het tasje heeft. De verdachte houdt het tasje naar beneden zodat zij erin kan kijken, bevestigt dat er een boxershort in zit en overhandigt het tasje op haar verzoek. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming geeft voor het afgeven van het tasje. Voor de verdachte is ook duidelijk waarvoor hij toestemming geeft, met als logisch gevolg dat de verbalisant door het ter hand nemen het gewicht kan ervaren. Dat de verdachte er niet met zoveel woorden op is gewezen dat hij de toestemming kan weigeren, leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat het om een geringe inmenging in de persoonlijke levenssfeer gaat. Het hof verwijst daarbij naar HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825. Zodra de verbalisant constateert dat het gewicht van het tasje niet past bij de verklaring van de verdachte over de inhoud, ontstaat gezien de voorafgaande feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De verbalisant is dan gerechtigd het tasje op grond van artikel 94 Sv in beslag te nemen en te onderzoeken, omdat het kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Van een vormverzuim is dus geen sprake.
Ook het bewijsverweer verwerpt het hof. De verdachte heeft € 20.000 contant bij zich, in coupures van 50, 100 en 200 euro, verpakt in een boxershort in een doosje in een papieren tasje. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van een criminele herkomst. Het is vervolgens aan de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over een legale herkomst. Dat doet de verdachte niet; hij wil over de herkomst niet verklaren. Het hof oordeelt daarom dat het niet anders kan zijn dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Over de wetenschap overweegt het hof dat in beginsel mag worden aangenomen dat degene die een tas draagt bekend is met de inhoud, te meer als daar een aanzienlijk geldbedrag in zit. Het laat zich moeilijk voorstellen dat een ander het geld buiten medeweten van de verdachte zou hebben meegegeven, omdat dat voor die ander een groot risico zou meebrengen. De enkele verklaring ter terechtzitting dat de verdachte er niet van uitging dat er "iets ergs" in het tasje zat, werpt daarop geen ander licht; de verdachte licht dit niet toe en wil niet zeggen van wie hij het tasje heeft gekregen. De verdachte moet dus van het geld hebben geweten en, gegeven de hoeveelheid, de coupures en de wijze van verpakking, ook van de criminele herkomst.
Het bewezenverklaarde kwalificeert het hof als witwassen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluit.
Bewezenverklaring
Het hof spreekt de verdachte, in lijn met het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, vrij van het witwassen van het bedrag van € 2.700.
Bewezen verklaard wordt:
witwassen van een geldbedrag van € 20.000 op of omstreeks 11 april 2024 te Rotterdam (artikel 420bis Sr).
In de gepubliceerde tekst van het arrest is de bewezenverklaring gelijkluidend aan de tenlastelegging, inclusief de vermelding van € 2.700 en de alternatieve bestanddelen; de weergave hierboven volgt de partiële vrijspraak en de kwalificatie zoals het hof die uitdrukkelijk uitspreekt.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt een geheel onvoorwaardelijke taakstraf op van 90 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 45 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van twee uur taakstraf per dag. Het hof wijkt daarmee af van de vordering van de advocaat-generaal en van het vonnis van de politierechter, die een gevangenisstraf van drie weken inhielden. In de strafmotivering wijst het hof op de ernst van witwassen: criminele verdiensten worden afgedekt, van misdrijf afkomstig geld komt in de economie terecht en het plegen van andere strafbare feiten wordt vergemakkelijkt. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 12 augustus 2026 blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld. Ter terechtzitting verklaart de verdachte dat hij afstand heeft genomen van bepaalde contacten, betaald werk heeft als schilder en een afbetalingsregeling voor zijn schulden heeft getroffen. Alles afwegende acht het hof een taakstraf passend en geboden.
Het in beslag genomen bedrag van € 20.000 verklaart het hof verbeurd, omdat het een voorwerp is met betrekking waartoe het bewezenverklaarde is begaan en niet kan worden vastgesteld aan wie het toebehoort. Het bedrag van € 2.700 wordt aan de verdachte teruggegeven, nu hij van het witwassen daarvan wordt vrijgesproken. Het hof past de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 63 en 420bis Sr toe.
Lees hier de volledige uitspraak.
