Veroordeling tot gevangenisstraf voor medeplegen van gewoontewitwassen door contant geld via valse facturen van de eigen vennootschap giraal terug te boeken
/Rechtbank Gelderland 8 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7016
De rechtbank Gelderland veroordeelt een in 1977 geboren directeur en enig bestuurder van een besloten vennootschap tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden voor medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte ontvangt in de periode van september 2022 tot en met januari 2023 bij ontmoetingen contant geld van een medeverdachte die is veroordeeld voor de productie van en handel in harddrugs. Dat geld boekt hij vanaf de rekening van zijn vennootschap giraal terug naar de vennootschap van de medeverdachte, onder verwijzing naar facturen voor 160 montage-uren per week, in totaal € 109.440. De rechtbank oordeelt dat de facturen zien op fictieve werkzaamheden, nu de vennootschap van de medeverdachte geen personeel in dienst heeft en de verdachte zijn agenda met de gestelde planning niet overlegt. Het opzettelijk en stelselmatig gebruik van een rechtspersoon om ontdekking te voorkomen weegt de rechtbank strafverzwarend mee. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar en vier maanden legt de rechtbank negen in plaats van de gevorderde elf maanden op.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1977, en sinds 2011 indirect directeur en enig bestuurder van een besloten vennootschap. De medeverdachte is vanaf 28 januari 2021 indirect enig bestuurder en aandeelhouder van een andere besloten vennootschap. De medeverdachte is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4205) onder meer veroordeeld voor medeplegen van de productie van en handel in harddrugs in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 3 februari 2023. De zaak tegen de verdachte is een afsplitsing van het onderzoek Picture van de politie Oost-Nederland. De verdachte is op 11 april 2023 voor het eerst gehoord en in verzekering gesteld. De meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, doet de zaak in eerste aanleg op tegenspraak af.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 september 2022 tot en met 3 februari 2023, in de gemeente Zevenaar, de gemeente Doetinchem of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het gaat om een geldbedrag van € 109.440 waarvan hij, tezamen en in vereniging met de medeverdachte, telkens de werkelijke aard en herkomst heeft verborgen of verhuld en heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was (sub a), en dat hij dit bedrag heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet of er gebruik van heeft gemaakt (sub b), terwijl hij wist dat het geheel of gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig was. Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 420bis en 420ter Sr, in samenhang met artikel 47 Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit integrale vrijspraak. Er is geen bewijs van een concrete overdracht van contant geld aan de verdachte, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij € 109.440 of een deel daarvan heeft verworven, voorhanden gehad, omgezet of overgedragen. De girale betalingen van de vennootschap van de verdachte aan de vennootschap van de medeverdachte zien op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden: de medeverdachte levert wekelijks een ploeg van vier steigerbouwers en de planning daarvan staat in de agenda van de verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft daarnaar geen verificatieonderzoek gedaan. Dat de vennootschap van de medeverdachte op papier geen medewerkers in loondienst heeft, is bij de verdachte niet bekend en sluit niet uit dat arbeidskrachten zijn geleverd. De verdachte heeft geen weet van de vermeende drugsactiviteiten van de medeverdachte. Bewijs van opzet op witwassen en van een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. Voor het geval van een bewezenverklaring verzoekt de raadsman te volstaan met een taakstraf en eventueel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de ouderdom van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn, het ontbreken van eerdere veroordelingen voor een soortgelijk feit en de gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de onderneming van de verdachte.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt vast dat tussen 16 september 2022 en 13 januari 2023 dertien bankoverschrijvingen van de vennootschap van de verdachte naar die van de medeverdachte plaatsvinden voor in totaal € 109.440, steeds in bedragen van € 6.080 of een veelvoud daarvan, met een factuurnummer als omschrijving. De boekhouding van de vennootschap van de medeverdachte verantwoordt hetzelfde totaalbedrag aan verkoopfacturen. Op de telefoon van de medeverdachte treft de politie zeven facturen aan voor 160 montage-uren per week voor diverse projecten, die overeenkomen met zeven van de dertien overschrijvingen. Volgens de Belastingdienst en de financiële administratie heeft de vennootschap van de medeverdachte geen personeel in dienst.
De rechtbank neemt als feit van algemene bekendheid dat met de handel in harddrugs grote, vaak contante bedragen worden verdiend. Uit Exclu-berichten van 13 september 2022 leidt de rechtbank af dat de medeverdachte aan een gesprekspartner beschrijft dat hij een bedrijf heeft waaraan hij wekelijks een factuur van 6K voor aangenomen werk stuurt met een stapel contant geld erbij, waarna dat bedrijf het bedrag naar hem overmaakt en hij zo zijn uren op papier maakt. De toegevoegde smiley en lachuitdrukkingen bevestigen dat dit een schijnconstructie is: contant verstrekt geld wordt giraal terugbetaald onder de dekmantel van gefactureerd werk, waardoor de herkomst wordt verborgen en verhuld.
WhatsApp-berichten tonen meerdere ontmoetingen tussen de verdachte en de medeverdachte in de tenlastegelegde periode. De berichten van de verdachte dat er een briefje van 50 te weinig in zat, dat er 100 te weinig in staat en dat het klopt als een bus, bevestigen volgens de rechtbank dat hem daarbij contant geld wordt betaald. De andersluidende uitleg van de verdediging acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk. Eerdere berichten van de verdachte uit 2021, waarin hij vraagt hoe hij het werk op de factuur moet noemen, bevestigen dat de facturen niet op daadwerkelijk werk zijn gebaseerd. Ook de omstandigheid dat de overschrijvingen telkens aansluitend op de ontmoetingen plaatsvinden, wijst op uitvoering van de schijnconstructie. In een getapt gesprek van 22 december 2022 vraagt de verdachte de medeverdachte per week te factureren omdat dat het minst opvalt en merkt hij op dat het raar is als er bij die ander wel wat gebeurt terwijl zijn eigen bedrijf gesloten is.
De omvang van 160 gefactureerde uren per week kan de medeverdachte niet alleen hebben gemaakt, en uit de administratie blijkt niet van ingehuurde zelfstandigen of onderaannemers in een omvang die daarmee overeenkomt. De stelling dat wel degelijk werk is verricht, is op geen enkele wijze onderbouwd. De verdachte geeft geen duidelijkheid over de aard van de werkzaamheden, de uitvoerende personen of de projecten. Toen de politie aanbood zijn agenda op te halen, gaf hij daarvoor geen toestemming; bij de doorzoeking van woning en kantoor zijn de agenda en de bedrijfscomputer niet aangetroffen, en ook later heeft de verdachte de agenda niet overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de facturen zien op fictieve werkzaamheden, valselijk zijn opgesteld en dat de verdachte dit wist.
De rechtbank concludeert dat de verdachte doelbewust meewerkt aan een constructie waarbij hij telkens contant geld van de medeverdachte ontvangt, in totaal ten minste € 109.440, en dit via zijn vennootschap giraal terugboekt met verwijzing naar valse facturen. Gelet op de schijnconstructie en de omvang van het geld kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat het geld ten minste gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig was; niet valt in te zien dat legale inkomsten bij deze constructie betrokken waren. Het gesprek over anders factureren om het minder te laten opvallen bevestigt die wetenschap. Gezien de frequentie en de duur van de handelingen acht de rechtbank ook de gewoonte bewezen. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van gewoontewitwassen. Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Bewezenverklaring
Medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag van in totaal € 109.440 in de periode van 1 september 2022 tot en met 3 februari 2023, door telkens de werkelijke aard en herkomst te verbergen en te verhullen, te verbergen en te verhullen wie de rechthebbende was en het geld over te dragen en om te zetten, terwijl de verdachte en de medeverdachte wisten dat het geheel of gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig was (artikelen 47, 420bis en 420ter Sr).
Van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd wordt de verdachte vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank overweegt dat de verdachte contant crimineel geld ontvangt tegen valse facturen voor fictieve werkzaamheden en dat de medeverdachte via deze constructie ogenschijnlijk legaal over het geld kan beschikken. Het witgewassen bedrag bedraagt meer dan een ton. Witwassen werkt crimineel gedrag in de hand, bedreigt de legale economie, tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en benadeelt de Staat doordat over de inkomsten geen belasting wordt betaald. Strafverzwarend acht de rechtbank dat de verdachte opzettelijk en stelselmatig zijn vennootschap, een rechtspersoon, gebruikt om ontdekking te voorkomen. Gelet op de ernst en de duur van het feit past alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, mede uit oogpunt van generale preventie. De verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen. De rechtbank merkt hem aan als first offender en slaat acht op de LOVS-oriëntatiepunten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf maanden acht de rechtbank in beginsel passend.
De redelijke termijn van artikel 6 EVRM is op 11 april 2023 gaan lopen en is ten tijde van de uitspraak met ruim een jaar en vier maanden overschreden, zonder dat dit aan de verdediging is toe te rekenen. De rechtbank verdisconteert de overschrijding in de straf en legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden op, met aftrek van de in verzekering doorgebrachte tijd. De tenuitvoerlegging vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting tot deelname aan een penitentiair programma (artikel 4 Penitentiaire beginselenwet) of voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 6:2:10 Sv) aan de orde is. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
