Veroordeling voor meineed en valsheid in geschrift bij valse fee-facturen, met vrijspraak van niet-ambtelijke omkoping

Rechtbank Oost-Brabant 18 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4372

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een bestuurder voor meineed, valsheid in geschrift en medeplegen van valsheid in geschrift. De verdachte werkt mee aan twee valse fee-facturen waarmee zijn medeverdachte ruim € 100.000 onttrekt aan het bedrijf waarvan deze zelf mede-eigenaar is. De facturen vermelden werkzaamheden die nooit zijn verricht en worden opgenomen in de bedrijfsadministratie van het bedrijf van verdachte. Als beëdigde getuige bij de rechter-commissaris legt de verdachte over deze constructie een op meerdere punten valse verklaring onder ede af. Van actieve niet-ambtelijke omkoping spreekt de rechtbank vrij, omdat de betalingen niet zijn gedaan ter beïnvloeding van het handelen van de medeverdachte in zijn hoedanigheid van directeur. De rechtbank legt een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, lager dan de eis van het Openbaar Ministerie.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1956, die optreedt als bestuurder van een onderneming. In die hoedanigheid verkoopt hij 6500 metrische ton bio mais aan een afnemer. De medeverdachte is mede-eigenaar van die afnemer en onderhandelt namens dat bedrijf met de verdachte over de koop. Op verzoek van de medeverdachte berekent het bedrijf van verdachte een hoger bedrag dan de eerder geoffreerde prijs, te weten € 15 per ton extra. Die opslag, in totaal € 97.500, wordt in opdracht van de verdachte en op verzoek van de medeverdachte overgeboekt naar de persoonlijke holding van de medeverdachte. Ter onderbouwing van deze overboekingen worden facturen aan het bedrijf van verdachte verstuurd. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2026. De feiten 1 tot en met 3 spelen in de periode 2018 tot en met 2020; feit 4 betreft een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 10 november 2025 in de strafzaak tegen de medeverdachte.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij, al dan niet samen met een ander, twee facturen valselijk heeft opgemaakt. Het betreft een factuur van € 48.400 met de omschrijving "Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie" en een factuur van € 69.575 met de omschrijving "Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen", terwijl de daarop vermelde werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht en geen specificatie is opgemaakt. Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij de bedrijfsadministratie van zijn onderneming valselijk heeft opgemaakt door deze beide facturen daarin op te nemen. Beide feiten zijn ten laste gelegd onder artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 47 voor het medeplegen. Onder feit 3 wordt actieve niet-ambtelijke omkoping in de zin van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd: het doen van een gift aan de medeverdachte in verband met zijn handelen als bestuurder of directeur van zijn bedrijf. Onder feit 4 staat meineed centraal, strafbaar gesteld in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht, bestaande uit het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede als beëdigde getuige bij de rechter-commissaris.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Gevorderd wordt een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit op de in de pleitnota genoemde gronden vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging voorwaardelijk om het horen van de getuigen die eerder bij de rechter-commissaris zijn verzocht, omdat dezen zouden kunnen verklaren over advieswerkzaamheden die de medeverdachte voor het bedrijf van verdachte zou hebben verricht. Een strafmaatverweer voert de verdediging niet.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Bij de vaststelling van de feiten neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de verdachte bij de FIOD aanvankelijk heeft erkend dat de facturen betrekking hadden op de meerprijs van de verkoop van de bio mais. Later, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting, komt hij op die verklaring terug en stelt hij, evenals de medeverdachte, dat de medeverdachte advieswerkzaamheden zou hebben verricht. Die gewijzigde verklaring volgt de rechtbank niet. De stelling dat de verdachte tegen zijn eerste accountant zou hebben gelogen en die leugen vervolgens bij de FIOD heeft volgehouden, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De eerste verklaring bij de FIOD sluit aan bij de berichten die de verdachte aan zijn eerste en tweede accountant heeft gestuurd en bij de berichten die de verdachte en de medeverdachte over en weer over de facturen hebben uitgewisseld.

Ten aanzien van feit 3 oordeelt de rechtbank dat van actieve niet-ambtelijke omkoping geen sprake is. Voor een bewezenverklaring is vereist dat een gift of belofte is gedaan naar aanleiding van enig handelen of nalaten in strijd met de plicht die de ontvanger in zijn hoedanigheid had. De bedrijven van de verdachte en de medeverdachte onderhouden al jarenlang een zakelijke relatie, en uit het dossier blijkt niet dat die relatie door de constructie is beïnvloed of zonder die constructie zou zijn gewijzigd of beëindigd. Daar komt bij dat de gelden niet afkomstig zijn van het bedrijf van verdachte, maar van het bedrijf waarvan de medeverdachte zelf mede-eigenaar is. De betalingen komen volgens de rechtbank neer op zelfverrijking van de medeverdachte ten koste van zijn eigen onderneming en zijn geen aan de medeverdachte aangeboden vergoeding ter beïnvloeding van diens handelen als directeur. De betalingen zijn daarom geen giften of beloften in de zin van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht, zodat vrijspraak volgt.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat de facturen geen betrekking hebben op door de medeverdachte verrichte werkzaamheden en dat de medeverdachte heeft aangestuurd op het sturen van een fee-factuur in ruil voor het berekenen van een hogere inkoopprijs. Uit een e-mailbericht van de verdachte aan zijn eerste accountant blijkt dat geen specificatie bestaat. De factuur van € 48.400 is daarmee valselijk opgemaakt, en omdat de factuur van € 69.575 met de woorden "Aanvulling op Fee 2018" naar de eerdere factuur verwijst, geldt dat ook voor deze factuur. Het oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken volgt uit het gebruik in het betalingsverkeer en de voldoening door het bedrijf van verdachte. Omdat de verdachte en de medeverdachte de constructie en de facturen bewust en in nauwe samenwerking hebben opgezet, is sprake van medeplegen.

Ten aanzien van feit 2 oordeelt de rechtbank dat de verdachte de twee valse facturen heeft opgenomen in de bedrijfsadministratie van zijn onderneming en daarmee ook die administratie valselijk heeft opgemaakt. De bedrijfsadministratie is bestemd om tot bewijs te dienen en strekt als grondslag voor de financiële verantwoording jegens de Belastingdienst en andere derden.

Ten aanzien van feit 4 oordeelt de rechtbank dat de verdachte als beëdigde getuige bij de rechter-commissaris in essentie onder ede heeft verklaard dat hij bij de FIOD een onjuiste verklaring had afgelegd, dat de fee-facturen zagen op werkzaamheden die de medeverdachte wilde verrichten en dat hij bij de rechter-commissaris de waarheid sprak. Deze verklaringen staan haaks op de bij feiten 1 en 2 vastgestelde feiten en zijn opzettelijk vals, nu de verdachte als directe deelnemer aan de constructie op de hoogte was van de werkelijke gang van zaken. Eén passage, "ik spreek hem niet heel veel", acht de rechtbank niet concreet genoeg om als vals aan te merken, ook al spraken de verdachte en de medeverdachte elkaar wekelijks; van dat onderdeel wordt vrijgesproken.

Het voorwaardelijke verzoek tot het horen van getuigen wijst de rechtbank af. De maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering. Of de medeverdachte in algemene zin advieswerkzaamheden heeft verricht, is niet relevant, nu de tenlastelegging ziet op de valsheid van twee specifieke facturen en de daarop gebaseerde bedrijfsadministratie en is vastgesteld dat die facturen geen betrekking hebben op door de medeverdachte uitgevoerde werkzaamheden. De overige verweren merkt de rechtbank aan als bewijsverweren die hun weerlegging vinden in de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het bewezen verklaarde levert de in de uitspraak vermelde strafbare feiten op. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen:

  • feit 1: het medeplegen van valsheid in geschrift, bestaande uit het valselijk opmaken van de factuur van € 48.400 en de factuur van € 69.575;

  • feit 2: valsheid in geschrift, bestaande uit het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin beide facturen op te nemen;

  • feit 4: meineed, bestaande uit het mondeling, persoonlijk en opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede bij de rechter-commissaris, met uitzondering van de passage "ik spreek hem niet heel veel".

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde en van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd.

Strafoplegging en maatregelen

Bij de strafbepaling weegt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten mee. Meineed raakt volgens de rechtbank de kern van het strafvorderlijk systeem, omdat de waarheidsvinding in belangrijke mate afhankelijk is van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en getuigen juist worden beëdigd om het belang van de waarheid te onderstrepen. Valsheid in geschrift ondermijnt het vertrouwen dat in het economisch verkeer wordt gesteld in de juistheid van schriftelijke bescheiden. In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet de initiatiefnemer van de constructie was, dat de medeverdachte hem heeft verzocht mee te werken en dat diens rol een andere was dan die van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 6 november 2023 bij de doorzoeking van de woning van de verdachte, en dat deze termijn met ruim zeven maanden is geschonden. Gelet op het tijdsverloop, de partiële vrijspraak, de beperktere rol van de verdachte en de ouderdom van de feiten ziet de rechtbank af van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het oogpunt van normhandhaving kan volgens de rechtbank niet met een taakstraf alleen worden volstaan, zodat zij daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt.

De rechtbank legt een taakstraf op voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze straf is lager dan de eis van het Openbaar Ministerie, omdat de rechtbank vrijspreekt van feit 3, rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn en van oordeel is dat deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^