Bestuurder is geen pleger: aangifteplicht vennootschapsbelasting rust op de vennootschap, niet op haar directeur
/Hoge Raad 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:424
De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat de wettelijke aangifteplicht voor de vennootschapsbelasting uitsluitend rust op de vennootschap die tot het doen van aangifte is uitgenodigd, en niet op de bestuurder die het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst neemt. Een natuurlijk persoon die als directeur-grootaandeelhouder de administratie verzorgt, kan daarom niet als pleger worden veroordeeld voor het niet indienen van de aangifte vennootschapsbelasting van zijn vennootschappen. De Hoge Raad wijst er wel op dat de deelnemingsvormen van de artikelen 47 tot en met 51 Sr mogelijkheden bieden voor strafrechtelijke aansprakelijkstelling langs een andere weg. Het arrest is relevant voor de fiscale strafpraktijk en verduidelijkt de grenzen van het plegerschap bij belastingverzuimen door rechtspersonen.
Achtergrond
Deze zaak draait om een natuurlijk persoon die als enig aandeelhouder en bestuurder de touwtjes in handen heeft bij twee besloten vennootschappen: A B.V. en B B.V. B B.V. is de holdingvennootschap waarvan de verdachte sinds 1993 enig aandeelhouder en alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder is. A B.V. wordt op haar beurt gehouden door B B.V., die tevens als bestuurder van A B.V. fungeert.
De verdachte verzorgt al sinds de oprichting van zijn ondernemingen zelf de volledige administratie en doet zelf de belastingaangiften. Na 2010 loopt het echter volledig vast. Over de jaren 2011 tot en met 2017 worden geen aangiften inkomstenbelasting en geen aangiften vennootschapsbelasting ingediend, ondanks een indrukwekkende reeks correspondentie van de Belastingdienst: in totaal 21 uitnodigingsbrieven, 21 verzoeken tot uitstel van de verdachte zelf, 18 herinneringen, 18 aanmaningen en 12 ambtshalve aanslagen. Bij een doorzoeking van de woning van de verdachte op 20 augustus 2018 treft de FIOD een grote hoeveelheid ongeopende post aan in de als kantoorruimte ingerichte kamer. Een van de geopende enveloppen blijkt een aanmaning over het jaar 2014 te bevatten, gericht aan B B.V.
De administratie van de vennootschappen is volgens de controlerend ambtenaar van de Belastingdienst volstrekt ontoereikend. Er is geen financiele administratie in de zin van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Wat er aan bescheiden is, bestaat uit handmatig opgestelde kladblokken waarin bankafschriften rudimentair zijn uitgesplitst, zonder totalisering, zonder btw-vermelding en zonder verdere uitsplitsing. Overzichten van balansposities, opbrengsten en kosten ontbreken geheel. Transacties die niet via het bankverkeer verlopen, zoals bijgeschreven rente op leningen aan deelnemingen, het prive-gebruik auto en de pensioenvoorziening in eigen beheer, komen in het geheel niet tot uitdrukking.
De verdachte verklaart bij zijn verhoor op 26 september 2018 dat de aangiften inderdaad niet zijn ingediend. Hij geeft aan dat dit is ontstaan door een samenloop van zakelijke en persoonlijke omstandigheden in de periode vanaf 2010 die hem ernstig hebben belemmerd in zijn functioneren.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt de verdachte bij arrest van 24 februari 2023 voor drie feiten. Onder feit 1: het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van A B.V. en B B.V. over de jaren 2011 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2016. Onder feit 2: het opzettelijk niet doen van aangiften inkomstenbelasting over dezelfde jaren. Onder feit 3: het feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk niet voeren van een administratie door A B.V. en B B.V. als bedoeld in artikel 52 AWR. De feiten strekken er telkens toe dat te weinig belasting wordt geheven. De opgelegde straf is een geldboete van EUR 50.000. De toepasselijke strafbepaling is artikel 69 lid 1 AWR.
Eerste middel
Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte als pleger heeft aangemerkt van het niet doen van de aangiften vennootschapsbelasting ten name van A B.V. en B B.V. Het middel voert aan dat de verdachte niet de hoedanigheid van "aangifteplichtige" bezit. De aangifteplicht rust immers op de vennootschap aan wie het aangiftebiljet is uitgereikt, en niet op de natuurlijke persoon die als bestuurder namens die vennootschap het biljet in ontvangst neemt of de aangifte feitelijk verzorgt.
Overige middelen
Het cassatieberoep omvat in totaal acht middelen. Het tweede, derde, vierde (voor zover gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2), vijfde (voor zover gericht tegen de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3) en achtste middel worden door de Hoge Raad beoordeeld maar kunnen niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad hoeft dit oordeel niet nader te motiveren omdat bij de beoordeling van deze klachten geen antwoord hoeft te worden gegeven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie). Gelet op de beslissing die volgt op het eerste middel, behoeven de overige middelen geen bespreking.
Beperking cassatieberoep
Een afzonderlijk punt betreft de reikwijdte van het cassatieberoep. Volgens de opgemaakte akten is het beroep onder meer niet gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen. De Hoge Raad gaat echter aan deze beperking voorbij, om de reden die is uiteengezet in het arrest van 31 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1610). Dit houdt verband met het vereiste dat de verwijzingsrechter na terugwijzing in staat moet blijven het volledige beslissingsschema van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in acht te nemen.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 69 lid 1 AWR onder anderen strafbaar stelt "degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet". Als pleger van het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die tot het doen van aangifte gehouden is. Die verplichting vloeit niet rechtstreeks voort uit de belastingwet, maar ontstaat pas door de uitreiking van een aangiftebiljet aan de belastingplichtige. De aangifteplicht kan aldus slechts worden vastgesteld bij degene die tot het doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in artikel 8 lid 1 AWR. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn eerdere arresten van 23 december 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL6161) en 28 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:121).
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdachte moet worden aangemerkt als degene die tot het doen van de aangiften vennootschapsbelasting voor A B.V. en B B.V. gehouden was. De Hoge Raad oordeelt dat dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De wettelijke aangifteplicht rust op de vennootschap waaraan het aangiftebiljet blijkens de tenaamstelling daarvan is uitgereikt en op de belastingplicht van welke vennootschap die aangifte betrekking heeft. Die plicht rust niet, ook niet mede, op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens de vennootschap het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen of de aangifte feitelijk heeft gedaan. De Hoge Raad verwijst hierbij ook naar zijn arrest van 17 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU8286).
Het eerste middel slaagt.
De Hoge Raad voegt hieraan een belangrijke overweging toe. Hij merkt op dat de artikelen 47 tot en met 51 van het Wetboek van Strafrecht verschillende mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Met andere woorden: hoewel de verdachte niet als pleger kan worden aangemerkt, sluiten de deelnemingsvormen uit het Wetboek van Strafrecht, zoals medeplegen, uitlokking of medeplichtigheid, niet uit dat de verdachte langs een andere weg strafrechtelijk aansprakelijk is.
Beslissing
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder feit 1 tenlastegelegde (met uitzondering van de vrijspraak van het niet doen van de aangifte vennootschapsbelasting ten name van A B.V. over het jaar 2017) en wat betreft de strafoplegging. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De zaak hangt samen met de zaken 23/00758 en 23/00761.
Lees hier de volledige uitspraak.
