Verkeersongeval op fabrieksterrein Dow Benelux: omdat verdachte niet is gestopt nadat hij ter ver verwijderd was van de vrachtauto van zijn collega wordt schuld aangenomen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4049

Het is aan de schuld van verdachte te wijten geweest dat hij op 7 oktober 2019 op het fabrieksterrein van Bedrijfsnaam te Terneuzen mevrouw Slachtoffer heeft aangereden, waardoor mevrouw Slachtoffer werd gedood. Verdachte is als bestuurder van een trekker met oplegger in een konvooi van in totaal drie vrachtwagens achteruit gaan rijden. Omdat verdachte moest stoppen, is tussen de combinatie van verdachte en het tweede voertuig een gat ontstaan waardoor andere verkeersdeelnemers/voetgangers, waaronder het Slachtoffer, tussen die voertuigen konden komen. Verdachte heeft geen maatregelen genomen, heeft zijn collega’s niet gewaarschuwd en is achteruit blijven rijden zonder zicht te hebben op wat zich achter zijn voertuig bevond. Het Slachtoffer die zich in de dode hoek achter het voertuig van verdachte bevond, werd door het voertuig van verdachte geraakt en kwam daardoor onder dat voertuig terecht. Zij is als gevolg hiervan ter plekke overleden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, door de omstandigheden ter plaatse, met zijn collega’s Naam 1 en Naam 2 genoodzaakt was om het bedrijventerrein van Bedrijfsnaam achteruitrijdend te verlaten. Zij hebben ervoor gekozen om in konvooi achter elkaar te rijden. Omdat verdachte achterop was geraakt, ontstond er een gat tussen de trekker met aanhanger van verdachte en de voor hem rijdende kraanwagen van Naam 1 van, zo heeft de officier van justitie gerequireerd, 1 minuut en 51 seconden. Daardoor ontstond volgens de officier van justitie de kans dat personen zouden oversteken. Verdachte had vanuit zijn positie onvoldoende zicht op zich eventueel op de weg bevindende verkeersdeelnemers. Verdachte werd bij het achteruit rijden niet gegidst, terwijl dat wel was voorgeschreven. Verdachte reed op dat moment op een druk terrein met veel overstekende personen. Omdat verdachte onder die omstandigheden er toch voor heeft gekozen om door te blijven rijden, heeft het ongeluk plaats kunnen vinden en dat is ook het grootste verwijt dat de officier van justitie verdachte maakt. Verdachte had volgens de officier van justitie anders kunnen handelen en had ook anders moeten handelen, waarbij de officier van justitie ook van mening is dat aan verdachte als beroepschauffeur, die al jaren rijdt met enorme voertuigen, zwaardere eisen moeten worden gesteld dan aan een burger die dat niet heeft. Als ervaren chauffeur had verdachte zich bewust moeten zijn geweest van de risico’s van het onder genoemde omstandigheden zonder zicht achteruit blijven rijden en daarmee is er naar de mening van de officier van justitie sprake van schuld in de zin van aanmerkelijk onvoorzichtig achteruit rijden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Daartoe is door de verdediging aangevoerd dat verdachte niet aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend heeft gehandeld. Volgens de verdediging was de door verdachte en zijn collega’s gehanteerde werkwijze niet onveilig indien deze op de juiste wijze zou worden uitgevoerd. Dat het op die dag mis is gegaan, komt volgens de verdediging doordat een ander, niet verdachte, een fout heeft gemaakt.

Over de gehanteerde werkwijze heeft de verdediging nog aangevoerd dat verdachte en zijn twee collega’s zeer ervaren en voorzichtige chauffeurs zijn en dat zij die dag in konvooi van het terrein zouden rijden. De Naam 1 zou de “banksman” van verdachte zijn. Hij zou verdachte gidsen, in die zin dat hij de achterkant van het voertuig van verdachte in de gaten zou houden en indien nodig verdachte via de portofoon zou waarschuwen. Zij hadden de frequentie van de portofoons voorafgaand aan het rijden nog getest. Deze werkwijze was in hun ogen een correcte en veilige manier om het terrein te verlaten. Dat hadden zij ook al talloze malen zo gedaan. De verdediging is van mening dat het mis is gegaan op het moment dat Naam 1 de achterkant van het voertuig van verdachte niet meer in beeld had en dat hij verdachte daarvan niet op de hoogte heeft gebracht. Verdachte mocht er echter op vertrouwen dat zijn collega de werkwijze op de juiste wijze zou uitvoeren. Onder die omstandigheden kan volgens de verdediging niet worden gesteld dat het verdachte is geweest die aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld, zodat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte op 7 oktober 2019 als bestuurder van een vrachtwagencombinatie (trekker met geladen oplegger), achteruit richting de uitgang van het bedrijventerrein van Bedrijfsnaam is gereden. Verdachte reed op dat moment als laatste in een konvooi van in totaal drie omvangrijke voertuigen, dit om op die manier het drukke bedrijventerrein in hun ogen op een veilige manier te kunnen verlaten. Verdachte had via de portofoon contact met zijn collega chauffeurs Naam 1 en Naam 2. Naam 1 zou volgens verdachte fungeren als zijn “banksman” en hij zou zicht houden op de achterkant van het voertuig van verdachte. Naam 1 zou dan verdachte waarschuwen als dat nodig was. Hierover zijn die dag niet expliciet afspraken gemaakt. Deze werkwijze was volgens verdachte gebaseerd op een ongeschreven regel en door hen werd veel vaker zo gewerkt gedurende de jaren dat ze samenwerkten. Verdachte heeft ook verklaard dat hij niet heeft meegekregen dat door Bedrijfsnaam de instructie was gegeven dat op het terrein alleen mag worden gereden onder begeleiding van een gids (te voet). De rechtbank is het met de raadsman eens dat deze instructie voor meerdere uitleg vatbaar is en dat ook het inzetten van een “banksman” een vorm van gidsen kan worden genoemd.

De rechtbank is dan ook niet van oordeel dat de werkwijze van verdachte en zijn collega’s Naam 1 en Naam 2 volledig in strijd is met de door Bedrijfsnaam gegeven instructies. Geconcludeerd kan immers worden dat verdachte werd gegidst door zijn collega Naam 1 en de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen ook niet tot het oordeel komen dat de door verdachte en zijn collega’s gekozen werkwijze (het in konvooi rijden waarbij de één fungeert als banksman voor de ander) op voorhand, mits goed uitgevoerd, onveilig zou zijn. Het is in dit geval echter de uitvoering geweest waar het fout is gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment “heeft opgehaald”, hetgeen betekent dat hij, omdat de trailer van zijn combinatie naar links liep, dit heeft gecorrigeerd. Hij heeft zijn combinatie gestopt, is kort naar voren gereden om deze recht te zetten en kon daarna zijn weg achteruit vervolgen. Hierdoor heeft verdachte een achterstand opgelopen ten opzichte van zijn banksman Naam 1 en ontstond er een gat in het konvooi, terwijl dit konvooi juist was gevormd om de veiligheid van de overige verkeersdeelnemers te waarborgen. Uit de beschrijving van de camerabeelden van de ongevalslocatie volgt dat na het passeren van de kraanwagen, twee personen op de weg zijn gaan staan tussen de kraanwagen en de vrachtauto van verdachte. Eerst een persoon in een donkerblauwe overall, later ook het slachtoffer. Zij keken beiden in de richting van de gepasseerde kraanwagen en daarmee dus niet in de richting van de vrachtauto van verdachte. Zij stonden in de dode hoek aan de achterzijde van de vrachtauto van verdachte en waren voor hem niet zichtbaar. De persoon in de donkere kleding stond al 55 seconden op straat te kijken toen de aanrijding met het slachtoffer plaatsvond. Daaruit volgt dat er geruime tijd verstreken is na het passeren van de kraanwagen en dat er een behoorlijke afstand moet zijn ontstaan tussen de kraanwagen en de vrachtauto van verdachte. Verdachte zelf heeft ook ter zitting verklaard dat de afstand tussen hem en Naam 1 was vergroot tot 60 meter of meer.

Het moment dat verdachte zijn combinatie “op moest halen” en het ontstaan van het gat in het konvooi is naar het oordeel van de rechtbank het cruciale moment geweest waarop verdachte in had moeten grijpen. Verdachte en zijn collega’s reden niet voor niets in een konvooi en zij hadden niet voor niets contact middels portofoons. Verdachte had op dat cruciale moment zelf moeten stoppen en had middels de portofoon zijn collega’s moeten waarschuwen en ook hen moeten vragen om te stoppen. Dit heeft verdachte niet gedaan. Verdachte is als het ware grotendeels blind achteruit blijven rijden en is er daarbij van uitgegaan dat Naam 1 nog wel zicht had op de achterkant van zijn trailer. Verdachte wist echter ook dat Naam 1 op dat moment zelf achteruit moest rijden en daarbij ook nog, zo is op de camerabeelden te zien, een moeilijke manoeuvre moest maken. Verdachte had kunnen weten dat Naam 1 niet continu zijn banksman kon zijn en de combinatie van verdachte in de gaten kon houden. Desondanks is verdachte achteruit blijven rijden, wetende dat het op het bedrijfsterrein van Bedrijfsnaam erg druk was, dat allerlei personen door elkaar liepen en fietsten en overstaken, terwijl er niets was afgezet.

Dat het slachtoffer door de trailer van verdachte werd geraakt werd veroorzaakt door de hiervoor beschreven opeenstapeling van omstandigheden. Gezegd kan worden dat verdachte bij deze omstandigheden een cruciale rol heeft gespeeld, terwijl aan hem als professioneel chauffeur van bijzondere transporten zwaardere eisen mogen worden gesteld, dan aan een gemiddelde bestuurder. Verdachte heeft het gevaar dat was ontstaan verkeerd ingeschat en hij heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook verwijtbaar gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee ook schuld heeft aan de aanrijding met mevrouw Slachtoffer, in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, met het overlijden van mevrouw Slachtoffer tot gevolg.

De rechtbank acht dan ook het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  • Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafoplegging

  • Taakstraf van 90 uren;

  • Ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^