Onderzoek Barrel: vier veroordelingen voor valsheid in geschrift bij geënsceneerde monsternemingen op Shell-haventerrein

Rechtbank Rotterdam 13 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2480, ECLI:NL:RBROT:2026:2482, ECLI:NL:RBROT:2026:2484 en ECLI:NL:RBROT:2026:2485; ECLI:NL:RBROT:2026:2486 en ECLI:NL:RBROT:2026:2487

Rechtbank Rotterdam veroordeelt in onderzoek Barrel vier verdachten voor hun rol bij het geënsceneerd uitvoeren van olietankmonsternemingen op het Shell-haventerrein en het valselijk opmaken van de bijbehorende sampling rapporten. De twee hoofdverdachten, eigenaar en opsteller van het samplingbedrijf, worden vrijgesproken van poging tot oplichting maar veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift wegens het opmaken, afleveren en voorhanden hebben van negen valse rapporten in de periode 2021 tot 2022. Een Shell-medewerker en een SGS-medewerker worden als medeplichtigen veroordeeld voor het verlenen van onbevoegde toegang tot en het uitvoeren van nep-monsternemingen op het Shell-terrein.

De rechtbank stelt in alle zaken een onherstelbaar Landeck-vormverzuim vast bij het telefoononderzoek, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolg omdat van een schending van artikel 6 EVRM geen sprake is. Aan de twee hoofdverdachten worden ontnemingsvorderingen opgelegd van respectievelijk € 94.149,08 en € 44.644,24 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de valse rapportages.

Inleiding en context

Onderzoek Barrel betreft een omvangrijke fraudezaak waarin de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 13 maart 2026 gelijktijdig uitspraak doet in de zaken van vier verdachten. In de periode van 25 maart 2021 tot en met 11 juli 2022 worden in totaal zeven geënsceneerde monsternemingen van olietanks uitgevoerd op het haventerrein van Shell Pernis en Shell Europoort te Rotterdam, zonder toestemming van Shell of het inspectiebedrijf SGS. Op basis van die monsternemingen stelt het samplingbedrijf van de bedrijfseigenaar valse sampling rapporten op, die telkens in strijd met de werkelijkheid suggereren dat grote hoeveelheden ruwe olie beschikbaar zijn voor de verkoop. Via een externe partij worden de rapporten aangeboden aan The Commodity Traders B.V. (TCT), een internationale handelaar in bulkgoederen, ter onderbouwing van aanbiedingen voor 2 miljoen barrels ruwe olie voor 155 miljoen Amerikaanse dollar. TCT ontdekt de fraude en doet aangifte. Geen van de vier verdachten is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voor de twee hoofdverdachten wordt tevens een ontnemingsvordering behandeld.

De vier verdachten worden hierna aangeduid naar hun functie: de Shell-medewerker (ECLI:NL:RBROT:2026:2480), de SGS-medewerker (ECLI:NL:RBROT:2026:2482), de bedrijfseigenaar (ECLI:NL:RBROT:2026:2484) en de opsteller (ECLI:NL:RBROT:2026:2485).

Tenlastelegging en wettelijk kader

Het centrale delict in alle zaken is valsheid in geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De betrokkenheid verschilt per verdachte.

De Shell-medewerker wordt verweten medeplichtig te zijn geweest aan het medeplegen van valsheid in geschrift (artt. 48 jo. 47 jo. 225 Sr) en wederrechtelijk op het haventerrein te hebben verbleven (art. 138aa Sr). De SGS-medewerker wordt verweten medeplichtigheid aan diezelfde valsheid in geschrift door als vermeend bevoegd inspecteur onbevoegde monsternemingen te verrichten. De bedrijfseigenaar en de opsteller wordt verweten het medeplegen van valsheid in geschrift (art. 47 jo. 225 Sr), alsmede het opzettelijk afleveren en voorhanden hebben van de valse geschriften (art. 225 lid 2 Sr). Primair wordt hun het medeplegen van een poging tot oplichting van TCT ten laste gelegd (artt. 47 jo. 45 jo. 326 Sr), subsidiair acquisitiefraude. Aan de opsteller wordt daarnaast wederrechtelijke aanwezigheid op het haventerrein verweten (art. 138aa Sr).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie vordert in alle zaken veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten, steeds rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn. Voor de Shell-medewerker wordt een taakstraf van 240 uur gevorderd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar. Voor de SGS-medewerker vordert het Openbaar Ministerie een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar. Voor de bedrijfseigenaar en de opsteller vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, aangevuld met een beroepsverbod als surveyor voor vijf jaar en publicatie van het vonnis.

Standpunt van de verdediging

De Shell-medewerker betwist dat het telefoonnummer waaronder hij in de zaak figureert aan hem toebehoort, dat hij bij alle monsternemingen aanwezig is geweest en dat hij voorwaardelijk opzet had op de valsheid in geschrift. Vrijspraak wordt bepleit voor de onbevoegde aanwezigheid op 11 juli 2022. Voorts voert de verdediging het Landeck-verweer ten aanzien van WhatsApp-communicatie verkregen uit telefoons van medeverdachten, nu de rechter-commissaris daarvoor vooraf toestemming had moeten verlenen. Subsidiair wordt strafvermindering bepleit.

De SGS-medewerker betwist een aantal uitvoeringshandelingen en ontkent voorwaardelijk opzet op de valsheid in geschrift.

De bedrijfseigenaar betoogt dat de rapporten niet door hem maar door de opsteller zijn opgemaakt, dat hij de inhoud vertrouwde en dat van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is. Het Landeck-verweer ziet in zijn zaak op de eigen telefoon.

De opsteller erkent dat de rapporten onvolkomenheden bevatten maar ontkent het oogmerk van misleiding; hij rapporteerde uitsluitend voor zijn directe opdrachtgevers en meende legaal op het terrein aanwezig te zijn. Het Landeck-verweer richt zich op de telefoon van de medeverdachte bedrijfseigenaar.

Oordeel van het gerecht

In alle zaken stelt de rechtbank een onherstelbaar vormverzuim vast: de rechter-commissaris is niet vooraf om toestemming gevraagd voor het onderzoek aan de telefoons. Bewijsuitsluiting acht de rechtbank niet aangewezen, nu het Landeck-arrest ten tijde van het onderzoek nog niet was gewezen, van een schending van artikel 6 EVRM geen sprake is en een rechtsstatelijke waarborg via uitsluiting niet is vereist. Strafvermindering wordt evenmin toegepast, nu de verdachten door het verzuim niet in een nadeliger positie zijn gebracht. De rechtbank volstaat met de enkele vaststelling van het verzuim.

De verweren van de Shell-medewerker worden alle verworpen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hij zich stelselmatig voordeed als Shell Tank Manager, een pas van een ander gebruikte, de medeverdachten toegang verschafte en wist dat de monsternemingen onbevoegd plaatsvonden. Zijn opzet is in voorwaardelijke zin aangetoond.

De SGS-medewerker wordt gedeeltelijk gevolgd: het maken van videobeelden op 31 mei 2021 en het laten rapporteren in de sampling rapporten zijn niet bewezen. De overige handelingen en het voorwaardelijk opzet zijn wel bewezen.

De bedrijfseigenaar en de opsteller wisselden elkaar af bij de monsternemingen, hadden intensief contact over de inhoud van de rapporten en zetten valse handtekeningen. De veelheid en omvang van de onjuistheden, de ongebruikelijke werkwijze en getuigenverklaringen sluiten een vergissing uit. Medeplegen is aangetoond. De vrijspraak voor oplichting volgt omdat het dossier geen bewijs bevat dat de verdachten rechtstreeks oogmerk hadden om TCT te bewegen tot betaling. Het verweer van de opsteller dat hij legaal op het terrein aanwezig was, wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van de Shell-medewerker:

  • medeplichtigheid aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (negen sampling rapporten, 21 maart 2021 tot en met 11 juli 2022), door onbevoegde toegang te verlenen, een valse identiteit als Shell Tank Manager aan te nemen en onbevoegde monsternemingen te faciliteren

  • wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats (Shell Europoort) op 8 april 2022 en 11 juli 2022, door middel van een niet aan hem toebehorende toegangspas en valse hoedanigheid

Ten aanzien van de SGS-medewerker:

  • medeplichtigheid aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (zeven sampling rapporten, 21 maart 2021 tot en met 12 oktober 2021), door onbevoegde monsternemingen als vermeend bevoegd SGS-inspecteur te verrichten en medeverdachten toegang tot het terrein te verschaffen

Ten aanzien van de bedrijfseigenaar:

  • medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (negen sampling rapporten, 21 maart 2021 tot en met 5 oktober 2022), door de valse rapporten op te maken, voor handen te hebben en af te leveren, wetende dat deze als echt en onvervalst zouden worden gebruikt

  • vrijgesproken van poging tot oplichting en acquisitiefraude (feit 1)

Ten aanzien van de opsteller:

  • medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (negen sampling rapporten, 21 maart 2021 tot en met 5 oktober 2022), door de rapporten op te stellen, voor handen te hebben en af te leveren, wetende dat deze als echt en onvervalst zouden worden gebruikt

  • wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats (Shell Europoort) op 8 april 2022 en 11 juli 2022

  • vrijgesproken van poging tot oplichting en acquisitiefraude (feit 1)

Strafoplegging en maatregelen

De Shell-medewerker wordt veroordeeld tot een taakstraf van 140 uur (netto 134 uur na aftrek voorarrest) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt een lagere taakstraf op dan gevorderd, mede gelet op de ondergeschikte rol ten opzichte van de medeverdachten die de rapporten daadwerkelijk opstelden, en wegens de overschrijding van de redelijke termijn met een half jaar. Als bijkomende straf worden twee Apple iPhones verbeurd verklaard.

De SGS-medewerker wordt veroordeeld tot een taakstraf van 140 uur (netto 134 uur) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. De redelijke termijn is in zijn zaak met bijna anderhalf jaar overschreden, hetgeen de matiging van de geëiste 180 uur mede verklaart.

De bedrijfseigenaar en de opsteller ontvangen elk een taakstraf van 240 uur (netto 234 uur) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt een aanzienlijk lagere straf op dan gevorderd, nu de vrijspraak voor de oplichting het gevorderde strafniveau niet rechtvaardigt. Het beroepsverbod en de publicatie van het vonnis worden niet beoordeeld als gevolg van die vrijspraak. De bedrijfseigenaar verliest een Samsung telefoon en een Asus laptop; de opsteller een Apple iPhone en drie Apple laptops.

Ten aanzien van de ontnemingsvorderingen stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de bedrijfseigenaar vast op € 94.149,08, gebaseerd op ontvangen betalingen voor zeven rapporten na aftrek van doorbetaalde bedragen aan de opsteller en gemaakte analysekosten. Het voordeel van de opsteller wordt vastgesteld op € 44.644,24, zijnde de bedragen die via de eenmanszaak van de bedrijfseigenaar aan hem zijn doorbetaald voor vier rapporten. Het verweer dat belastingafdrachten in mindering moeten worden gebracht, wordt in beide zaken verworpen op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad; verrekening vindt zo nodig plaats in de executiefase.

Lees hier de volledige uitspraken:

Ontneming

Print Friendly and PDF ^