Vastgoed als dekmantel voor hennepgeld in onderzoek Babydraak

Rechtbank Gelderland 12 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11638

De rechtbank veroordeelt een in Frankrijk wonende verdachte voor het medeplegen van witwassen van crimineel geld en twee panden in Rotterdam en Zoetermeer binnen het onderzoek Babydraak. De aankoopbedragen worden gefinancierd via buitenlandse rekeningen en contante stortingen, terwijl een legale inkomstenbasis ontbreekt. De door verdachte gestelde schenkingen en spaargelden worden als onvoldoende concreet en verifieerbaar terzijde geschoven. De panden blijken feitelijk te worden gebruikt voor hennepteelt en gerelateerde activiteiten en behoren volgens de rechtbank toe aan leden van een criminele organisatie. De rechtbank acht sprake van nauwe en bewuste samenwerking en verklaart het medeplegen van witwassen bewezen. Verdachte krijgt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, een geldboete van 20.000 en de panden worden verbeurd verklaard.

Context van de zaak

Deze strafzaak speelt binnen het omvangrijke opsporingsonderzoek Babydraak. De aanleiding ligt bij een melding over een vermoedelijke hennepkwekerij in een pand in Silvolde. Dat vormt het startpunt voor een breder onderzoek naar personen die bij dat pand worden gezien en naar hun onderlinge contacten, onder meer via telefonietaps. In gesprekken en vervolgonderzoek komen meerdere andere panden in Nederland in beeld, die volgens het dossier worden benut voor georganiseerde hennepteelt en aanverwante activiteiten, zoals opslag, afspraken met afnemers en het regelen van sleutels en toegang.

Binnen Babydraak gaat het volgens het openbaar ministerie om een criminele organisatie die zich jarenlang bezighoudt met grootschalige hennepteelt in meerdere kwekerijen, met illegale stroomafname. De opbrengsten worden vervolgens witgewassen door aankoop van onroerend goed op verschillende locaties in Nederland. Kenmerkend is dat geen hypotheken worden afgesloten, de koopsommen deels worden voldaan vanuit het buitenland via bankrekeningen op naam van verschillende personen en deels contant bij de notaris, en dat panden op naam worden gezet van familieleden of bekenden die volgens de verdenking niet de feitelijke rechthebbenden zijn. Na aankoop volgt vaak geen directe inschrijving in de basisregistratie personen en ook geen feitelijke bewoning; in enkele panden wordt juist een hennepkwekerij ingericht.

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1947 in de Sovjet-Unie en woonachtig in Frankrijk. Hij staat als koper en juridisch eigenaar geregistreerd van twee panden: een pand in Rotterdam aan adres 2 en een pand in Zoetermeer aan adres 3. Zijn partner, medeverdachte 4, koopt een ander pand in Rotterdam aan adres 5. De rechtbank betrekt ook dit derde pand in de bewijsbespreking vanwege de verwevenheid van de financiële positie van verdachte en medeverdachte 4 en de verklaring van verdachte dat hij zijn vrouw financieel helpt.

In de kring rondom de verdachten bestaan diverse familiebanden met andere betrokkenen binnen Babydraak. Verdachte zelf wordt niet vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie, maar voor witwassen in relatie tot panden en aankoopgelden.

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 8 maart 2013 tot en met 1 januari 2024, in Nederland en Frankrijk, al dan niet samen met anderen, witwassen pleegt van geldbedragen en onroerend goed.

Het gaat om geldbedragen van in totaal 18.234 bestemd voor de aankoop van het pand aan adres 2 in Rotterdam, en 55.000 bestemd voor de aankoop van het pand aan adres 3 in Zoetermeer, en om de panden zelf.

Ten laste is gelegd dat hij de werkelijke aard en herkomst van die voorwerpen, en/of de rechthebbende en/of degene die de voorwerpen voorhanden heeft, verbergt of verhult, en/of dat hij de panden en geldbedragen verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig zijn.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het openbaar ministerie stelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig maakt aan medeplegen van witwassen met betrekking tot de panden aan adres 2 in Rotterdam en adres 3 in Zoetermeer.

De kern is dat de wijze van financiering, het gebrek aan legale inkomensbasis, de contante stortingen voorafgaand aan overboekingen vanuit buitenlandse rekeningen en het gebruik van de panden binnen de hennepcontext, een criminele herkomst van de aankoopgelden aannemelijk maken en duiden op verhullingshandelingen.

Het openbaar ministerie vordert een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en daarnaast een geldboete van 25.000, met vervangende hechtenis van 150 dagen.

Voor het beslag vordert het openbaar ministerie verbeurdverklaring van beide panden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak.

Zij voert aan dat de aankoopbedragen van de panden een legale herkomst hebben. Indien de rechtbank toch oordeelt dat de panden of aankoopgelden van misdrijf afkomstig zijn, stelt de verdediging dat verdachte daarvan geen wetenschap heeft en dit ook niet redelijkerwijs hoeft te vermoeden.

Ook is volgens de verdediging niet gebleken van het verbergen of verhullen van de daadwerkelijke rechthebbenden. Verdachte koopt de panden voor zichzelf als belegging.

Subsidiair, in geval van bewezenverklaring, verzoekt de verdediging toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, dus schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, gelet op de leeftijd en gezondheid van verdachte.

Ten aanzien van het beslag verzoekt de verdediging primair teruggave van de panden wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair vraagt zij een geldelijke tegemoetkoming om te voorkomen dat verbeurdverklaring onevenredig uitpakt, ter hoogte van het verschil tussen de aankoopwaarde en de huidige waarde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past het gebruikelijke juridisch kader voor witwassen toe. Als geen direct verband kan worden gelegd met een concreet gronddelict, kan toch worden bewezen dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is wanneer het op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn.

Wanneer het openbaar ministerie feiten aandraagt die een dergelijk vermoeden rechtvaardigen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor een legale herkomst. Blijft zo’n verklaring uit of is zij onvoldoende, dan kan de rechtbank daaruit conclusies trekken.

De rechtbank onderzoekt eerst de wijze waarop de aankopen worden betaald.

Bij het pand aan adres 2 in Rotterdam bedraagt de koopprijs 46.000, met een totaal te betalen bedrag van 48.234,28. Er vinden betalingen plaats vanaf Franse bankrekeningen op naam van verdachte, maar ook vanaf rekeningen op naam van zijn zoon en een derde. Daarnaast wordt 10.000 contant bij de notaris voldaan. De rechtbank stelt vast dat aan de overboekingen vanaf de Franse rekeningen telkens contante stortingen voorafgaan. Daarmee zijn de betaalde bedragen direct of indirect afkomstig uit contante stortingen.

Bij het pand aan adres 3 in Zoetermeer wordt 113.482,72 voldaan via een mix van transacties, waaronder 30.000 vanaf een onbekende rekening, 40.000 vanaf een Franse rekening van verdachte met de omschrijving aankoop appartement en de naam van zijn zoon, 8.000 en 7.000 via onbekende rekeningen, 25.000 via een Franse rekening van de zoon, en 2.500 contant. De rechtbank benoemt dat slechts een beperkt deel kan worden gekoppeld aan verklaarbare inkomsten, zoals een kleine pensioenbijschrijving en de opbrengst van aandelenverkoop, terwijl een deel van de bijschrijvingen bestaat uit contante stortingen en een onverklaarde bijschrijving van 10.000 met een commerciële omschrijving.

De rechtbank betrekt ook het pand aan adres 5 in Rotterdam, gekocht op naam van medeverdachte 4, waarvoor ruim 60.000 wordt voldaan via Armeense paspoortrekeningen met omschrijvingen van andere betrokkenen, een contante betaling en een Franse betaling van 10.000 voorafgegaan door contante stortingen. Dit past volgens de rechtbank bij een patroon waarbij geldstromen worden geknipt, verspreid en verhuld.

Daarna kijkt de rechtbank naar de legale financiële positie. Uit rechtshulpinformatie uit Frankrijk blijkt dat de zoon geen of nauwelijks verklaarbaar inkomen heeft, terwijl zijn rekening wel groeit door contante stortingen en overboekingen. Verdachte ontvangt sinds 2013 een ouderdomspensioen, met jaarlijkse inkomsten die niet boven circa 12.000 uitkomen, en medeverdachte 4 heeft geen inkomsten. Verdachte verklaart daarnaast inkomsten uit verhuur in Armenië, maar dit verklaart volgens de rechtbank niet de omvang van de vastgoeduitgaven.

Op basis van de eigen lezing van verdachte en medeverdachte 4 komt de rechtbank tot het beeld dat zij in enkele jaren een zeer groot totaalbedrag aan panden besteden, terwijl de legale inkomstenbasis daarvoor ontbreekt.

De rechtbank formuleert vervolgens een tussenconclusie: er is een gerechtvaardigd vermoeden van criminele herkomst omdat betalingen via verschillende personen en buitenlandse rekeningen lopen die door contante stortingen worden gevoed, omdat substantiële betalingen worden gedaan door personen die verdachte zegt niet te kennen, en omdat het legale vermogen van betrokkenen geen verklaring vormt voor de uitgaven. Van verdachte mag dus een concrete en verifieerbare verklaring worden verwacht.

Verdachte verklaart dat hij in het verleden een renovatie- en verkoopbedrijf heeft gehad en dat zijn broer hem geld schenkt om vastgoed in Europa te kopen, in totaal 114.000 in 2013 en 2014. Over betalingen door derden en contante betalingen bij de notaris kan of wil hij veelal niet verklaren. Hij bagatelliseert of vergeet betalingen door zijn zoon, en zegt de derde betaler niet te kennen. Voor het pand in Zoetermeer stelt hij dat geld dat via de nicht en de zoon wordt overgemaakt in werkelijkheid van hem is omdat hij contant geld heeft en banken niet vertrouwt. Medeverdachte 4 legt geen inhoudelijke verklaring af, maar er worden op het laatste moment stukken ingebracht, waaronder verklaringen van de broer en verklaringen over contant betaald salaris van medeverdachte 4 in het verleden.

De rechtbank beoordeelt deze stukken kritisch. Zij wijst erop dat in Babydraak veel valse documenten worden aangetroffen en dat de stukken pas kort voor de zitting worden overgelegd, terwijl verdachten al jaren weten van de verdenking en de panden al jaren in beslag zijn genomen. De overgelegde verklaringen zijn niet of nauwelijks verifieerbaar, missen basisgegevens zoals kopieën van paspoorten, dateringen, plaatsen van ondertekening en vooral onderliggende bankdocumentatie.

Bovendien sluiten de stukken niet aan bij wat verdachte eerder verklaart: hij spreekt over een schenking in euro’s, niet over transacties en aandelenconstructies in dollars. Bij de verklaring van medeverdachte 4 ontbreken gegevens over salarishoogte en spaarsaldi. De rechtbank concludeert dat de verklaringen onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar zijn en dat er geen plausibele legale herkomst wordt onderbouwd.

Daarmee stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat het geld voor de aankoop van de panden aan adres 2 en adres 3 afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dit, mede gelet op de financieringswijze, weet.

Vervolgens beoordeelt de rechtbank de witwashandelingen en de nauwe samenwerking.

De panden worden na aankoop niet normaal bewoond. Bij het pand in Rotterdam staat jarenlang niemand ingeschreven. Uit gegevens van belastingen en nutsbedrijven blijkt dat betalingen worden gedaan via derden, waaronder een geldtransactiekantoor en bankrekeningen op naam van anderen. Uit tapgesprekken leidt de rechtbank af dat het pand wordt gebruikt voor afspraken en activiteiten rond hennep, dat meerdere personen sleutels hebben en dat er sprake is van verplaatsen en opslaan van goederen. In 2015 wordt in dit pand een hennepkwekerij met 216 planten aangetroffen. De zoon verschijnt later namens zijn vader om sleutels op te halen.

Bij het pand in Zoetermeer staat eveneens niemand ingeschreven in de relevante periode. De contactpersoon richting notaris is een tolkfiguur uit het onderzoek. Betalingen aan de vereniging van eigenaren worden gedaan via een rekening op naam van de ex-schoonmoeder van de zoon en worden voorafgegaan door contante stortingen. In 2017 wordt in dit pand een hennepkwekerij met 453 planten aangetroffen, met aanwijzingen voor een eerdere oogst.

De rechtbank concludeert dat de panden feitelijk niet aan verdachte toebehoren maar aan anderen, te weten leden van de criminele organisatie die de panden gebruiken voor hennepteelt en hennepgerelateerde activiteiten.

Verdachte vervult volgens de rechtbank een onmisbare rol door zijn naam en aanwezigheid als koper te leveren, waardoor de aankoop en het verhullen van herkomst en rechthebbenden mogelijk wordt. Er is sprake van nauwe en bewuste samenwerking en dus medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 8 maart 2013 tot en met 1 januari 2024, in Nederland en Frankrijk, tezamen en in vereniging, geldbedragen bestemd voor de aankoop van de panden en de panden zelf witwast.

Hij verwerft en heeft de panden aan adres 2 in Rotterdam en adres 3 in Zoetermeer voorhanden en verhult de herkomst van de gelden, de rechthebbenden op de gelden en panden en wie deze voorhanden heeft, terwijl hij weet dat de voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Wat meer of anders is ten laste gelegd wordt niet bewezen en leidt tot vrijspraak voor dat deel.

Strafoplegging

De rechtbank kwalificeert het bewezenverklaarde als medeplegen van witwassen, meermaals gepleegd. Verdachte is strafbaar en er zijn geen strafuitsluitingsgronden.

Bij de strafmotivering weegt de rechtbank zwaar dat witwassen de opbrengsten van misdrijven aan het zicht onttrekt en een schijnbaar legale herkomst verschaft. Dit faciliteert en bestendigt de onderliggende criminaliteit, hier georganiseerde hennepteelt, en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De rechtbank rekent verdachte bovendien aan dat hij geen verantwoordelijkheid neemt en leugenachtig verklaart.

Zijn persoonlijke omstandigheden bieden volgens de rechtbank geen grond voor strafvermindering, mede omdat verdachte niet verschijnt en de rechtbank weinig inzicht krijgt.

Wel stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is geschonden. Hoewel een complexe, internationale zaak als Babydraak ruimte biedt om de termijn op drie jaar te stellen, is sprake van een forse overschrijding met meerdere jaren die niet aan verdachte is toe te rekenen. De rechtbank laat deze overschrijding in vergaande mate strafmatigend meewegen.

Waar de ernst van de feiten normaliter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt, volstaat de rechtbank vanwege het tijdsverloop met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Daarnaast legt de rechtbank een geldboete op van 20.000, met vervangende hechtenis van 135 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^