Katvangerconstructie achter nepwebshop: hof acht medeplegen van grootschalige online oplichting bewezen

Gerechtshof Amsterdam 12 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:355

Het hof veroordeelt verdachte voor het medeplegen van grootschalige oplichting via een professioneel ogende nepwebshop die in oktober 2016 tientallen tot circa honderd klanten tot vooruitbetaling beweegt zonder ooit te leveren. Verdachte gebruikt een katvanger om het bedrijf en de bankrekening te openen, beschikt vervolgens over bankpas en inlogcodes en verdeelt gelden aan zichzelf en derden, hetgeen wordt ondersteund door verklaringen van medeverdachten, transacties en pinopnames in de woonomgeving van verdachte. Het verweer dat objectief bewijs voor betrokkenheid ontbreekt wordt verworpen, omdat de bewijsmiddelen een nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht aantonen. Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en legt wegens ernst en recidive in beginsel een forse straf passend, maar matigt vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Context van de zaak

Deze strafzaak draait om een in oktober 2016 opgezette webwinkel die er professioneel en betrouwbaar uitziet, maar in werkelijkheid uitsluitend wordt gebruikt om consumenten geld te laten overmaken zonder ooit te leveren.

Verdachte is een natuurlijke persoon, geboren in 1981, en staat terecht in hoger beroep na een veroordeling door de rechtbank Amsterdam. Het feitencomplex speelt zich af in een korte periode van 4 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016, waarin via een website witgoed en andere goederen tegen opvallend lage prijzen worden aangeboden.

Kopers krijgen een orderbevestiging per e-mail, betalen vooraf, maar ontvangen vervolgens geen product. Veel gedupeerden proberen daarna contact te krijgen met de webshop, onder meer via een telefoonnummer dat op de site staat, maar uiteindelijk blijft reactie uit.

Uit de bank- en transactiegegevens volgt dat in totaal 69.217,06 wordt overgemaakt naar de zakelijke bankrekening van het bedrijf achter de webwinkel. Het hof plaatst de zaak in de bredere context van online handelsfraude, waarbij vertrouwen wordt gewekt door een keurmerkverwijzing en door telefonische klantenservice, terwijl er feitelijk geen voorraad is en geen leveringsintentie bestaat.

In hoger beroep staat vooral de vraag centraal of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt, mede in het licht van verklaringen van betrokkenen en financiële sporen zoals pinopnames en overboekingen.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt primair verweten dat hij in de periode van 4 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, door het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, een groot aantal personen ertoe beweegt geldbedragen af te geven voor online aangekochte goederen die niet worden geleverd.

In de tenlastelegging worden onder meer vijf concreet genoemde slachtoffers opgenomen, naast andere personen. Als oplichtingsconstructie wordt genoemd: het oprichten van een webwinkel via een website, het aanbieden van goederen via een verkoopplatform, het zich voordoen als bonafide aanbieder, het wekken van de indruk van voorraad en levering na betaling, en het verwijzen naar Thuiswinkel Waarborg terwijl de onderneming daar geen lid van is.

Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij een geldbedrag van ongeveer 69.217,06 verwerft, voorhanden heeft, overdraagt en/of omzet terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geld afkomstig is uit misdrijf. Het hof komt uiteindelijk toe aan een beoordeling van het primaire verwijt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het primair tenlastegelegde bewezen wordt verklaard, in lijn met wat de rechtbank in eerste aanleg bewezen acht.

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat sprake is van oplichting door middel van een professioneel ogende webwinkel en dat verdachte daarin een medeplegende rol vervult. Voor de straf vordert de advocaat-generaal een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit algehele vrijspraak. De kern van het verweer is dat objectief bewijs ontbreekt dat verdachte als medepleger betrokken is bij de oplichting.

De verdediging betoogt dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte de beschikking heeft over de bankrekening van de betreffende onderneming en dat de betrokkenheid van verdachte niet hard wordt gemaakt door onafhankelijk steunbewijs.

Ten aanzien van de straf verzoekt de raadsman, indien toch tot een bewezenverklaring wordt gekomen, om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een maximale taakstraf. Daarbij voert hij aan dat veel tijd is verstreken, dat de redelijke termijn is overschreden en dat artikel 63 Sr een rol speelt.

Ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen voert de raadsman primair aan dat bij vrijspraak niet-ontvankelijkheid moet volgen. Subsidiair stelt hij dat niet blijkt dat benadeelden zich in de zaak van verdachte hebben gevoegd, omdat op vorderingen enkel het parketnummer van de medeverdachte staat.

Oordeel van het gerecht

Het hof stelt voorop dat voor oplichting vereist is dat bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken wordt opgewekt met gebruik van een in artikel 326 Sr genoemd oplichtingsmiddel, waarna het slachtoffer daardoor wordt bewogen tot afgifte.

Het hof acht bewezen dat de webwinkel professioneel en betrouwbaar oogt, een ruime keuze suggereert en vertrouwen wekt door een telefoonnummer en een keurmerkverwijzing. In werkelijkheid beschikt de onderneming niet over verkoopbare goederen en wordt niet geleverd. De inrichting van de website vormt een samenweefsel van verdichtsels en een valse hoedanigheid.

Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte hecht het hof groot gewicht aan de verklaring van medeverdachte 1, die verklaart dat verdachte het bedrijfsplan aanlevert, hem als katvanger inzet en de onderneming en bankrekening op zijn naam laat zetten. Deze verklaring vindt op essentiële punten steun in de verklaring van medeverdachte 2 en in objectieve gegevens, waaronder transacties en pinopnames in de woonomgeving van verdachte.

Het hof acht de ontkenning van verdachte ongeloofwaardig en verwerpt het bewijsverweer. Volgens het hof is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is om medeplegen aan te nemen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 4 oktober 2016 tot en met 19 oktober 2016, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, door het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen beweegt tot afgifte van geldbedragen.

Verdachte en zijn mededaders richten daartoe een webwinkel op, bieden via een verkoopplatform witgoed te koop aan, doen zich voor als bonafide aanbieder en verwijzen ten onrechte naar een keurmerk, waarna levering structureel uitblijft. Voor het overige wordt verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging

Het hof acht het feit ernstig, mede gelet op het grote aantal slachtoffers en het geraffineerde karakter van de fraude. Verdachte handelt uit financieel gewin en ondermijnt het vertrouwen in online handel.

Strafverzwarend weegt mee dat verdachte eerder en veelvuldig voor oplichting wordt veroordeeld en dat hij ten tijde van het feit in een proeftijd loopt.

Het hof constateert echter een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van bijna drie jaar. Daarom matigt het hof de straf en legt een gevangenisstraf op van 5 maanden.

Ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen wijst het hof de materiële schade grotendeels toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 2016, en legt het de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op. Immateriële schade wordt afgewezen wegens ontbreken van een wettelijke grondslag.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^