Van "geen reactie" naar "indirect antwoord": de positionering van de Europese anti-corruptietaskforce na de FCPA-pauze

In een interview met Global Investigations Review van 8 mei 2026 heeft Jean-François Bohnert, tot eind 2025 procureur de la République financier en daarmee chef van het Franse Parquet National Financier (PNF), de in maart 2025 opgerichte International Anti-Corruption Prosecutorial Taskforce gekarakteriseerd als "an indirect answer" op de Amerikaanse pauze van de handhaving van de Foreign Corrupt Practices Act (FCPA). Die kwalificatie is opmerkelijk, omdat de oprichters van de taskforce, het Britse Serious Fraud Office (SFO), het PNF en de Zwitserse Bundesanwaltschaft (Office of the Attorney General, OAG), bij de aankondiging op 20 maart 2025 nadrukkelijk hadden gesteld dat het initiatief geen reactie was op de FCPA-pauze. De uitspraak van Bohnert plaatst de positionering van de taskforce in een iets ander licht, zeker nu de Amerikaanse handhaving onder de in juni 2025 uitgevaardigde herziene FCPA-richtsnoeren een aanzienlijk smallere focus heeft gekregen. Voor de financieel-economisch strafrechtpraktijk in Nederland en in de rest van Europa is van belang hoe de oprichters van de taskforce zich publiekelijk verhouden tot een terugtredende rol van de Verenigde Staten in extraterritoriale anti-omkopingshandhaving. Deze blog plaatst het interview in context en zet de relevante feiten en bronnen op een rij.

Het interview na afloop van een zesjarige termijn

Bohnert leidde het PNF van 2019 tot en met 2025 en werd per decreet van 8 december 2025 opgevolgd door Pascal Prache, voorheen directeur des services judiciaires bij het Franse Ministerie van Justitie. Prache aanvaardde zijn functie eind januari 2026 met een installatiediscours waarin hij zijn voorganger uitdrukkelijk eerde en de hoofdlijnen van zijn beleid uiteenzette, met onder meer voortzetting van het partenariale werk in binnen- en buitenland. In dat licht is het interview met Global Investigations Review op te vatten als een nabeschouwing van Bohnert op zijn termijn, waarin grensoverschrijdende samenwerking, de menselijke impact van corruptie en de oprichting van de taskforce centraal staan.

De FCPA-pauze en het kader Bondi/Blanche

De Amerikaanse beleidswijziging waarop Bohnert reflecteert, kreeg in 2025 in korte tijd gestalte. Op 5 februari 2025 vaardigde Attorney General Pamela Bondi het memorandum "Total Elimination of Cartels and Transnational Criminal Organizations" uit, waarmee de FCPA Unit van het U.S. Department of Justice (DOJ) werd opgedragen prioriteit te geven aan onderzoeken met een aanknopingspunt naar kartels en transnationale criminele organisaties (TCO's). Vijf dagen later ondertekende president Donald Trump Executive Order 14209, waarin het DOJ werd opgedragen lopende en nieuwe FCPA-onderzoeken voor 180 dagen op te schorten in afwachting van herziene richtsnoeren. Op 9 juni 2025 publiceerde Deputy Attorney General Todd Blanche vervolgens de Guidelines for Investigations and Enforcement of the FCPA, waarmee handhaving formeel werd hervat onder duidelijk versmalde prioriteiten: bescherming van Amerikaanse economische en nationale belangen, individueel strafbaar handelen en zaken met een nexus naar kartels of TCO's. Het kwantitatieve gevolg in 2025 was een lage cadans van FCPA-handhavingsacties, met name tegen ondernemingen.

De International Anti-Corruption Prosecutorial Taskforce

Ruim een maand na de Executive Order kondigden het SFO, het PNF en de OAG op 20 maart 2025 de oprichting van de International Anti-Corruption Prosecutorial Taskforce aan. Volgens de oprichtingsverklaring beoogt de taskforce de bestaande samenwerking tussen de drie autoriteiten te versterken via een Leaders' Group voor strategische uitwisseling, een Working Group voor casusvoorstellen en mechanismen voor het delen van best practices en operationele expertise. De taskforce staat uitdrukkelijk open voor "other like-minded agencies", die op basis van wederzijdse instemming kunnen toetreden. Bohnert beschreef de oprichting destijds als het uitvloeisel van tien jaar operationele samenwerking, waarbij eerder onder meer werd samengewerkt in onderzoeken naar Airbus en Rolls-Royce. SFO-directeur Nick Ephgrave verklaarde bij de aankondiging dat het initiatief "in no way a reaction" was op de FCPA-pauze. Inmiddels heeft het SFO begin mei 2026 zijn eerste Deferred Prosecution Agreement in vijf jaar gesloten, in een zaak rondom Ultra Electronics, wat zichtbaar maakt dat Europese instrumenten ook in de praktijk worden ingezet.

Van "geen reactie" naar "indirect antwoord"

De recente uitspraak van Bohnert vormt een nuancering ten opzichte van de oorspronkelijke communicatie van maart 2025. Waar Ephgrave destijds expliciet afstand nam van een causaal verband met de FCPA-pauze, plaatst Bohnert het initiatief in het GIR-interview nadrukkelijker in dialogisch verband met de Amerikaanse koerswijziging. Diverse internationale advocatenkantoren hadden de oprichting van de taskforce al eerder in dat licht geplaatst. Skadden duidde de timing van de aankondiging als "calibrated to remind global companies that there are still enforcers for which anti-corruption is a priority"; analyses van Akin, WilmerHale en Paul Weiss wezen op het symbolische en signaalkarakter van de oprichting richting multinationale ondernemingen. In aanvulling daarop had Bohnert al tijdens een keynote op een FCPA-conferentie in mei 2025 publiekelijk uitgesproken dat het DOJ in de toekomst zou kunnen toetreden tot de taskforce. De kwalificatie "indirect answer" sluit aan op die lijn: de taskforce wordt door Bohnert niet gepresenteerd als rechtstreekse confrontatie met het Amerikaanse beleid, maar wel als institutionele bevestiging dat de bestrijding van internationale corruptie ook zonder leidende Amerikaanse rol voortgang vindt.

Relevantie voor de Europese en Nederlandse praktijk

Voor de Europese financieel-economisch strafrechtpraktijk is de positionering van de taskforce om meerdere redenen van belang. Ten eerste werken het PNF, het SFO en de OAG met onderhandelde afdoeningsinstrumenten die structureel verwant zijn aan elkaar: de Franse Convention Judiciaire d'Intérêt Public (CJIP), de Britse Deferred Prosecution Agreement (DPA) en het Zwitserse traject van Verfahrenseinstellungen tegen reparatieprestaties. Volgens het installatiediscours van Pascal Prache heeft de onderhandelde afdoening in Frankrijk sinds 2014 tot bijna 5 miljard euro aan inkomsten geleid voor strafbare feiten die onder de bevoegdheid van het PNF vallen. Ten tweede impliceert een verschuiving van extraterritoriale handhavingsdruk van de Verenigde Staten naar Europese autoriteiten dat ondernemingen met activiteiten in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk of Zwitserland zich niet uitsluitend op de in juni 2025 versmalde FCPA-prioriteiten kunnen blijven richten. Zo permitteert de FCPA bijvoorbeeld facilitation payments, terwijl onder verschillende Europese regimes zulke betalingen niet zijn toegestaan. Ten derde laat de uitdrukkelijke openstelling voor "like-minded agencies" ruimte voor latere aansluiting door bijvoorbeeld het Nederlandse Openbaar Ministerie, de FIOD of vergelijkbare autoriteiten in andere lidstaten; op het moment van publicatie zijn daarover echter geen concrete aankondigingen bekend.

Afsluiting

De uitspraken van Bohnert markeren een verfijning in de publieke presentatie van de International Anti-Corruption Prosecutorial Taskforce. Waar de oprichters bij de aankondiging in maart 2025 een directe causaliteit met de FCPA-pauze afwezen, plaatst de voormalige PNF-chef het initiatief nu in een meer dialogische verhouding tot het Amerikaanse beleid. Of, en zo ja in welke vorm, andere Europese strafvervolgingsautoriteiten zich bij de taskforce zullen aansluiten, en hoe de samenwerking zich in concrete onderzoeken zal vertalen, zal de komende jaren moeten blijken.

Print Friendly and PDF ^