Van fietsenwinkels tot diaconieeen: stelselmatige oplichting leidt tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf met uitgebreid voorwaardenpakket

Rechtbank Noord-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:700

De rechtbank veroordeelt een 54-jarige vrouw voor stelselmatige oplichting van fietsenwinkels, elektronicazaken en personen verbonden aan kerkelijke instellingen, alsmede voor een poging tot oplichting en gewoontewitwassen. De verdachte deed zich voor onder valse namen en hing zielige verhalen op over ziekten en geldnood om slachtoffers te bewegen tot afgifte van elektrische fietsen, laptops, iPads en geldbedragen. De rechtbank acht het stelselmatige karakter van de oplichtingen en het misbruik van de menslievendheid van kerkelijke instellingen bijzonder kwalijk. Bij het witwassen beperkt de rechtbank de bewezenverklaring tot het bedrag van 1.268 euro waarvan de criminele herkomst met voldoende zekerheid vaststaat en spreekt de verdachte vrij van het witwassen van het overige bedrag van 7.817 euro. De opgelegde straf bedraagt 720 dagen gevangenisstraf, waarvan 322 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en uitgebreide bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding, behandeling en stabilisatie. De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met soortgelijke feiten en heeft eerder een terbeschikkingstelling met dwangverpleging ondergaan.

Inleiding en context

De verdachte is een 54-jarige vrouw die terechtstaat voor een reeks oplichtingen, een poging tot oplichting en gewoontewitwassen. De feiten zijn gepleegd in de periode van september 2024 tot en met januari 2025 in Emmen, Coevorden en diverse andere plaatsen in Nederland. Het betreft een strafzaak in eerste aanleg, behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. De zaak is op tegenspraak behandeld ter terechtzitting van 1 juli 2025 en 10 februari 2026, met een sluitingszitting op 5 maart 2026. De verdachte verblijft ten tijde van het vonnis in een instelling voor begeleid wonen. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte een uitgebreid strafblad heeft met soortgelijke feiten en eerder een terbeschikkingstelling met dwangverpleging heeft ondergaan. Bij de verdachte is in 2021 borderlineproblematiek met antisociale trekken en een beneden gemiddelde intelligentie vastgesteld. Op alle leefgebieden zijn zorgen: de verdachte heeft geen onderdak, geen dagbesteding, schulden, een negatief sociaal netwerk en er is sprake van middelengebruik.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan vijf feiten. Onder feit 1 wordt haar primair oplichting verweten (artikel 326 Sr), meermalen gepleegd, van vier fietsenzaken in Emmen, Coevorden en andere plaatsen, door zich voor te doen als bonafide klant onder gebruikmaking van een valse naam en een vals adres, waardoor deze bedrijven zijn bewogen tot afgifte van in totaal negen elektrische fietsen. Subsidiair is verduistering en meer subsidiair witwassen ten laste gelegd. Onder feit 2 wordt haar primair oplichting verweten van twee elektronicazaken, eveneens meermalen gepleegd, waarbij de verdachte onder valse namen laptops, iPads en computeraccessoires heeft verkregen. Ook hier zijn subsidiair verduistering en meer subsidiair witwassen ten laste gelegd. Feit 3 betreft de primair ten laste gelegde oplichting, meermalen gepleegd en deels in medeplegen, van acht personen die verbonden zijn aan protestantse gemeenten, een Vincentiusvereniging en diaconieeen, voor een totaalbedrag van 1.268 euro. De verdachte zocht via internet naar kerkelijke instellingen, belde de contactpersonen op en deed zich voor onder een valse naam. Zij vertelde dat zij dringend geld nodig had voor medicijnen, een regiotaxi of gas en licht, en beloofde het geld terug te betalen. Subsidiair is verduistering en meer subsidiair gewoontewitwassen ten laste gelegd. Feit 4 betreft het medeplegen van een poging tot oplichting van een persoon verbonden aan een kerkelijke instelling, met dezelfde modus operandi, voor een bedrag van 52 euro. Feit 5 ten slotte betreft het medeplegen van gewoontewitwassen (artikel 420ter Sr) van geldbedragen die afkomstig zijn uit de onder feit 3 ten laste gelegde oplichtingen. De tenlastelegging verwijst naar artikelen 326 en 420ter Sr, gelezen in samenhang met de artikelen 45, 47 en 57 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert een bewezenverklaring van alle vijf de feiten in hun primaire variant, te weten feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 en feit 5. De officier van justitie wijzigt ter terechtzitting van 5 maart 2026 de eerder geformuleerde strafeis en vordert een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 323 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het aanvullend reclasseringsadvies van 4 maart 2026.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 geen verweer. Ten aanzien van feit 5, het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen, voert de raadsman aan dat de criminele herkomst van een deel van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen niet vaststaat. Het totaalbedrag van 9.085 euro op de rekening van de medeverdachte bevat volgens de verdediging ook legitieme betalingen die zien op hulp en leefgeld. Daarnaast is het volgens de raadsman onduidelijk of de verdachte bij alle transacties op de rekening van de medeverdachte betrokken is geweest, nu zij niet gedurende de gehele ten laste gelegde periode bij de medeverdachte heeft verbleven. De raadsman concludeert dat slechts bewezenverklaring kan volgen ten aanzien van een lager bedrag en dat het ten laste gelegde gewoontewitwassen om die reden evenmin bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van de strafmaat sluit de raadsman zich aan bij de eis van de officier van justitie en geeft aan dat de verdachte zeer gemotiveerd is om mee te werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht alle vijf de feiten in hun primaire variant wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte de feiten 1 tot en met 4 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De bewijsmiddelen bestaan uit de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting, de processen-verbaal van aangifte van de benadeelde fietsenwinkeliers, elektronicazaken en kerkelijke personen, en de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte bij de politie.

Ten aanzien van feit 5 wijdt de rechtbank bijzondere bewijsoverwegingen aan de omvang van het witgewassen bedrag. De officier van justitie verwijst naar 172 verdachte geldtransacties op de rekening van de medeverdachte met een totaalbedrag van 9.085 euro, die als verdacht zijn aangemerkt vanwege omschrijvingen als taxi, noodhulp, medicatie, gift, brandstof, stille hulp en diaconale hulp. De rechtbank oordeelt dat slechts ten aanzien van de acht geldtransacties die verband houden met de onder feit 3 bewezen verklaarde oplichtingen, ten bedrage van in totaal 1.268 euro, met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat deze bedragen van misdrijf afkomstig waren. Voor het overige bedrag van 7.817 euro kan niet worden vastgesteld dat het oplichtingen betreft waarbij de verdachte betrokken is geweest, noch dat zij op andere wijze moet hebben geweten dat die bedragen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het witwassen van dit overige bedrag. Verbergings- of verhullingshandelingen zijn evenmin uit het dossier gebleken. De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte het bedrag van 1.268 euro heeft verworven, omgezet, voorhanden gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, nu het geld door aangevers op de rekening van de medeverdachte is gestort en vervolgens door de verdachte en de medeverdachte is besteed aan boodschappen en drugs. Gelet op de frequentie van de transacties en de duur van de periode acht de rechtbank bewezen dat de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart de volgende feiten bewezen:

  • Feit 1: oplichting, meermalen gepleegd, van vier fietsenzaken in de periode van 27 september 2024 tot en met 5 januari 2025, door zich voor te doen als bonafide klant onder gebruikmaking van een valse naam en een vals adres, waardoor deze bedrijven zijn bewogen tot afgifte van in totaal negen elektrische fietsen.

  • Feit 2: oplichting, meermalen gepleegd, van twee elektronicazaken in de periode van 21 december 2024 tot en met 5 januari 2025, door zich voor te doen als bonafide klant onder gebruikmaking van valse namen, een valse woonplaats en een vals adres, waardoor deze bedrijven zijn bewogen tot afgifte van laptops, iPads en computeraccessoires.

  • Feit 3: oplichting, meermalen gepleegd (en ten aanzien van een van de slachtoffers medeplegen van oplichting), van acht personen verbonden aan kerkelijke instellingen in de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024, voor een totaalbedrag van 1.268 euro, door zich voor te doen onder een valse naam, te beweren geld nodig te hebben voor medicijnen, een regiotaxi of gas en licht, en te beloven het geld terug te betalen.

  • Feit 4: medeplegen van poging tot oplichting op 11 november 2024, met dezelfde modus operandi als bij feit 3, gericht op een geldbedrag van 52 euro, welk misdrijf niet is voltooid.

  • Feit 5: medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 22 oktober 2024 tot en met 25 november 2024, door meerdere geldbedragen van in totaal 1.268 euro, afkomstig uit de onder feit 3 bewezen verklaarde oplichtingen, te verwerven, voorhanden te hebben, om te zetten en daarvan gebruik te maken.

De verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van het overige bedrag van 7.817 euro en van het meer of anders ten laste gelegde.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 322 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt in mindering gebracht. De rechtbank overweegt dat een langdurige, grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt op zijn plaats is, gelet op de aard en ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte. De verdachte heeft stelselmatig misbruik gemaakt van het vertrouwen van kleine ondernemers en van de menslievendheid van aan kerkelijke instellingen verbonden personen. Zij heeft daarbij zielige verhalen opgehangen, in sommige gevallen zelfs voorgewend aan ernstige ziekten te lijden. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en ook een terbeschikkingstelling met dwangverpleging heeft ondergaan, zonder dat dit haar van recidive heeft weerhouden. Tegelijkertijd hecht de rechtbank waarde aan het feit dat de verdachte op enig moment zal terugkeren in de samenleving en dat een instelling voor begeleid wonen bereid is gevonden haar per direct op te nemen. Het onvoorwaardelijke strafdeel overstijgt de duur van het voorarrest niet, zodat de reeds aangevangen opname bij de instelling kan worden voortgezet. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en begeleiding door een instelling gespecialiseerd in de behandeling van mensen met een licht verstandelijke beperking, verblijf in een instelling voor begeleid wonen, een verbod op het gebruik van verdovende middelen met controles, meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding, en meewerken aan schuldhulpverlening en het aflossen van schulden. De rechtbank wijkt niet af van de vordering van de officier van justitie. Diverse vorderingen van benadeelde partijen worden geheel of gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank in een aantal gevallen gebruikmaakt van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 BW en ten aanzien van een aantal vorderingen de schadevergoedingsmaatregel oplegt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^