Valsheid in geschrift bij transport van runderbloed naar co-vergistingsinstallatie: voorwaardelijk opzet ondanks ingewonnen advies van adviesbureau
/Rechtbank Oost-Brabant 12 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3113 (natuurlijke persoon) en ECLI:NL:RBOBR:2026:3114 (rechtspersoon)
De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een transportbedrijf en zijn bestuurder voor het medeplegen van valsheid in geschrift bij het vervoer van runderbloed vanuit Duitsland naar een co-vergistingsinstallatie in Esbeek. Op CMR-vrachtbrieven, handelsdocumenten en facturen is een andere lading omschreven dan daadwerkelijk werd vervoerd, terwijl bloed niet op de positieve lijst voor co-vergisting staat. De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachten geen voorwaardelijk opzet hadden, ondanks het ingewonnen advies van een adviesbureau. Het inwinnen van advies vrijwaart een internationaal vervoerder niet van zijn verplichting om de administratie naar waarheid te voeren. De rechtbank legt aanzienlijk lagere straffen op dan de officier van justitie eist, mede vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar en drie maanden. De bestuurder krijgt een taakstraf van 70 uren en de vennootschap een geldboete van € 20.000.
Inleiding en context
De rechtbank Oost-Brabant wijst op 12 mei 2026 in het onderzoek Kruizemunt Bloed twee samenhangende vonnissen. De ene zaak betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1975, die sinds 9 oktober 2014 enig (middellijk) bestuurder is van het medeverdachte transportbedrijf. De andere zaak betreft die vennootschap zelf, een rechtspersoon die zich bezighoudt met de in- en verkoop van meststoffen, het bemiddelen tussen partijen inzake de afzet van meststoffen en het verzorgen van (internationale) transporten van mest. Beide zaken zijn in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 april 2026.
Het transportbedrijf verzorgt vanaf 17 januari 2020, na een tip van een zakelijke kennis, transporten van een Duitse leverancier naar een Nederlandse afnemer in Esbeek. Die afnemer exploiteert onder een SDE-vergunning een co-vergistingsinstallatie. In de bijbehorende omgevingsvergunning is opgenomen dat enkel co-producten verwerkt mogen worden die vermeld staan in Bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Op deze zogenoemde positieve lijst staat bloed niet opgenomen. In de periode van 17 januari 2020 tot 13 maart 2020 spreken de vervoersdocumenten ondubbelzinnig over runderbloed. Na een controle van de NVWA op 13 maart 2020 veranderen de productomschrijvingen op de documenten ingrijpend.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachten wordt verweten dat zij in de periode van 13 maart 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Esbeek, tezamen en in vereniging, CMR's, handelspapieren en facturen valselijk hebben opgemaakt of vervalst. Op deze geschriften is bij vier afzonderlijk ten laste gelegde transporten, op 13 maart, 29 mei, 17 juli en 18 september 2020, vermeld dat het ging om "slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed", "aanvoer slib runderslachterij", "slib slachterij" en "Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut", terwijl in werkelijkheid runderbloed werd getransporteerd. Het oogmerk daarbij is om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Centraal staat artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht inzake valsheid in geschrift, in vereniging gepleegd op grond van artikel 47 Sr. Voor de rechtspersoon geldt aanvullend artikel 51 Sr inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van de natuurlijke persoon vordert de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de rechtspersoon vordert de officier van justitie een geldboete van € 70.000.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair integrale vrijspraak. Daartoe wordt aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat slechts bloed werd vervoerd, omdat de bij de Duitse leverancier geladen inhoud van de vrachtwagens nooit is getest. Subsidiair voert de raadsman aan dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het plegen van valsheid in geschrift. Uit de omstandigheid dat de verdachte het door hem ingewonnen advies van een adviesbureau opvolgde, kan volgens de verdediging niet worden afgeleid dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op het plegen van valsheid in geschrift heeft aanvaard. Op deze grond dient subsidiair vrijspraak te volgen, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging rekening te houden met de gevolgen van de strafzaak voor de onderneming en de verdachte, het ontbreken van winstbejag, de oudheid van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel rechtbank
De rechtbank acht de dagvaarding geldig, zichzelf bevoegd en het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Inhoudelijk beoordeelt zij eerst welk product feitelijk is vervoerd. De rechtbank stelt vast dat de initiële afspraken tussen de Duitse leverancier, de Nederlandse afnemer en het transportbedrijf onmiskenbaar zien op transporten van uitsluitend bloed. Dat blijkt uit een e-mail van de bestuurder van 8 november 2019 waarin hij varkensbloed te koop aanbiedt, uit alle aangetroffen Duitse weegbonnen met de vermelding "blut", uit de correspondentie tussen verdachte, zijn chauffeurs en de contactpersoon bij de co-vergistingsinstallatie, en uit de eerste zeven facturen waarop "transport rinderblut" staat vermeld. De bestuurder verklaart bij verhoor en ter zitting zelf dat bij aanvang bloed werd vervoerd.
Een sectiehoofd levensmiddelencontrole van het Duitse bureau voor veterinaire zaken verklaart als onafhankelijke deskundige dat bloed direct na de slacht via een aparte vloerafvoer en een gesloten buizensysteem in een afzonderlijke tank wordt opgevangen. Maag- en darminhoud wordt op een later moment in een aparte container verzameld. Deze gescheiden systemen maken het technisch onmogelijk dat bloed vermengd raakt met maagdarminhoud of andere bestanddelen van geslachte dieren. Een chauffeur in dienst van het transportbedrijf verklaart bovendien dat altijd vanuit dezelfde tank werd geladen.
Vanaf 13 maart 2020, kort na de NVWA-controle, veranderen de productomschrijvingen op de vervoersdocumenten. De rechtbank constateert dat de enige feitelijke verandering binnen de bedrijfsvoering is dat de bestuurder aan zijn chauffeurs vertelt dat er andere omschrijvingen op de papieren moeten komen, conform het advies van het adviesbureau. Dat alleen op papier iets verandert blijkt mede uit het feit dat chauffeurs bij transporten van 19 mei en 25 mei 2020 nog steeds "1 vracht bloed" op de CMR's noteren, en uit een WhatsApp-bericht van de bestuurder aan zijn chauffeurs op 24 september 2020 waarin hij meedeelt dat nergens op de papieren bloed meer mag staan. De rechtbank verwerpt het verweer dat sprake zou zijn van een mengsel met schraapvet en oordeelt dat ook na 13 maart 2020 uitsluitend bloed is geladen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs als sprake zou zijn van een mengsel van 99% bloed en 1% schraapvet, dit op geen enkele wijze de gehanteerde omschrijvingen kan rechtvaardigen, omdat die omschrijvingen wijzen op wezenlijk andere restproducten.
Ten aanzien van het opzet acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig voor volledig opzet. De bestuurder heeft naar eigen zeggen volledig geleund op het ingewonnen advies. De rechtbank toetst vervolgens of sprake is van voorwaardelijk opzet en stelt voorop dat daarvoor vereist is dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg, in dit geval valsheid in geschrift, zal intreden. De rechtbank acht de proceshouding van de bestuurder, waarin hij stelt het lastig te hebben gevonden te beoordelen of bloed redelijkerwijs als "slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed" of "Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut" mag worden omschreven, niet geloofwaardig. Het onderscheid is voor eenieder, eventueel na een korte zoekslag op internet, eenvoudig te maken. Van een internationaal vervoerder die uit hoofde van het CMR-verdrag verplicht is om de inhoud van zijn ladingen te controleren en de juiste omschrijvingen op de vrachtbrieven te zetten, mag dit ook worden verwacht. De bestuurder heeft dus wel degelijk ingezien dat de geadviseerde termen niet konden kloppen met wat hij werkelijk vervoerde en heeft de aanmerkelijke kans op valsheid in geschrift bewust aanvaard. Een beroep op afwezigheid van alle schuld slaagt evenmin.
Voor de rechtspersoon overweegt de rechtbank dat de gedragingen plaatsvinden in de sfeer van de vennootschap, passen in de normale bedrijfsvoering en dienstig zijn aan het bedrijf. De gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de rechtspersoon worden toegerekend. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, het transportbedrijf, het adviesbureau en de contactpersoon bij de afnemer, zodat medeplegen bewezen kan worden verklaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart in beide zaken bewezen dat verdachten op tijdstippen in de periode van 13 maart 2020 tot en met 18 september 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, CMR's, handelspapieren en facturen valselijk hebben opgemaakt, terwijl bij deze transporten in werkelijkheid runderbloed werd getransporteerd. Bewezen worden valse vermeldingen op:
de CMR (deel voor vervoerder) en de CMR (deel voor de geadresseerde) met de omschrijving "Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed" voor de transporten van 13 maart, 29 mei, 17 juli en 18 september 2020;
de bijbehorende handelsdocumenten met dezelfde omschrijving;
de facturen tussen de afnemer en het transportbedrijf met de omschrijvingen "Aanvoer Slib runderslachterij" respectievelijk "Slib slachterij";
de facturen tussen het transportbedrijf en de Duitse leverancier met de omschrijving "Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut".
Het bewezenverklaarde levert ten aanzien van de natuurlijke persoon op het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en ten aanzien van de rechtspersoon hetzelfde misdrijf, begaan door een rechtspersoon.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt aanzienlijk lagere straffen op dan door het Openbaar Ministerie geëist. Bij de strafmaat weegt mee dat de verdachte heeft meegedraaid in een frauduleuze werkwijze waarbij goedkopere goederen werden vergist die wettelijk niet als co-product mochten worden vergist. Strafverzwarend is dat de verdachte kritischer had moeten zijn op het hem gegeven advies, nu het om wezenlijk andere productomschrijvingen ging dan wat daadwerkelijk werd geladen. Het inwinnen van advies vrijwaart de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om de administratie naar waarheid te voeren en doorlopend te controleren of die administratie overeenstemt met wat hij vervoert, zeker nu de verdachte sterk afhankelijk is van zijn vergunning voor internationaal goederenvervoer.
Strafmatigend wegen de gevolgen van de strafzaak voor de bedrijfsvoering van de vennootschap, het feit dat de gereden transporten geen grote winsten hebben opgeleverd, het ontbreken van handelen uit winstbejag en de blanco justitiële documentatie voor soortgelijke feiten. De rechtbank constateert verder een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Uitgaande van de inverzekeringstelling van de bestuurder op 25 januari 2022 als aanvangsmoment, is de redelijke termijn met 2 jaar en ruim 3 maanden overschreden.
Voor de natuurlijke persoon acht de rechtbank een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend, gematigd tot 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, in verband met de termijnoverschrijding. Elke dag voorlopige hechtenis wordt gewaardeerd op 2 uur arbeid. Voor de rechtspersoon acht de rechtbank een geldboete van € 25.000 passend, gematigd tot € 20.000 in verband met de termijnoverschrijding.
Lees hier de volledige uitspraak tegen de natuurlijke persoon en de volledige uitspraak tegen de rechtspersoon.
