Feitelijk leiding geven aan opzetwitwassen: stroman die crimineel geld omzet in goud krijgt zwaardere straf dan medeverdachten
/Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:979
Het gerechtshof veroordeelt een verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden wegens feitelijk leiding geven aan opzetwitwassen door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. De verdachte wordt tegen betaling van € 20.000 als stroman bestuurder van een vennootschap waarop via een valse factuur ruim € 420.000 is binnengekomen, en zet dit bedrag grotendeels om in goud. Het hof oordeelt dat sprake is van een klassiek geval van witwassen, waarbij zelfs vaststaat uit welk concreet misdrijf het geld afkomstig is, namelijk oplichting en valsheid in geschrift. Voor opzetwitwassen is niet vereist dat de verdachte precies weet van welk misdrijf het geld afkomstig is, maar slechts dat hij weet dat het uit enig misdrijf afkomstig is. Dat de medeverdachten enkel voor schuldwitwassen zijn veroordeeld doet hieraan niet af, omdat de rol van de verdachte wezenlijk anders en zwaarder is. Wegens schending van de redelijke termijn matigt het hof de straf van zestien naar tien maanden en wijst het de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot € 433.064,96.
Inleiding en context
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch wijst in hoger beroep arrest in een witwaszaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1971 en in de basisregistratie personen geregistreerd zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. De zaak wordt op tegenspraak behandeld en betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 oktober 2024. De procesgang kent een lange voorgeschiedenis: de verdachte is voor het eerst door de politie verhoord op 17 september 2018, een eerste vonnis is gewezen op 26 januari 2022, waarna het hof de zaak op 21 juli 2023 heeft terugverwezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft de verdachte bij het bestreden vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij. Het feitencomplex draait om een fraude waarbij een onderneming op grond van een valse factuur een bedrag van ruim € 433.000 overmaakt naar de rekening van een vennootschap waarvan de verdachte korte tijd later als stroman bestuurder wordt.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan witwassen, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Het primair tenlastegelegde feit betreft opzetwitwassen in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, het subsidiair tenlastegelegde feit schuldwitwassen. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de feitelijk leidinggevende aan een door een rechtspersoon begaan delict is artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht van belang. Centraal staat het bestanddeel dat het voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" en de daarmee samenhangende wetenschapseis: voor opzetwitwassen is vereist dat de verdachte weet, waaronder voorwaardelijk opzet is begrepen, dat zijn gedraging een uit misdrijf afkomstig goed betreft.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen, en daarmee de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit vrijspraak van het primair tenlastegelegde opzetwitwassen en refereert zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen aan het oordeel van het hof. Zij voert daartoe aan dat de twee medeverdachten beiden zijn vrijgesproken van opzetwitwassen en zijn veroordeeld voor schuldwitwassen, met een aanzienlijk lagere straf tot gevolg, en dat de rol van de verdachte niet zodanig zwaarder is dat hij wel voor opzetwitwassen kan worden veroordeeld. Voorts stelt de verdediging dat de verdachte niet betrokken was bij de wijze waarop richting de benadeelde onderneming is gefraudeerd en dat hij de herkomst van het geld niet kende toen hij de bankrekening van de vennootschap overnam. Volgens de raadsvrouw heeft de rechtbank de drempel voor opzetwitwassen ten onrechte verlaagd door te oordelen dat niet ter zake doet van welk misdrijf het geld afkomstig was. Daarnaast voert zij een strafmaatverweer: zij verzoekt om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, subsidiair een taakstraf van 120 uur, en vraagt het hof rekening te houden met de straffen van de medeverdachten, de rol van de verdachte als katvanger en de ruime overschrijding van de redelijke termijn. Tot slot bepleit de raadsvrouw dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd tot € 420.000.
Oordeel gerecht
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en met verbetering en aanvulling van de gronden. Inhoudelijk reconstrueert het hof het feitencomplex als volgt. Op 4 december 2014 ontvangt de benadeelde onderneming een valse factuur van € 433.182,40 waarop, in plaats van het rekeningnummer van de werkelijke crediteur, het rekeningnummer van de vennootschap is vermeld. Als gevolg van deze valsheid in geschrift en oplichting voldoet de benadeelde onderneming de factuur op 24 december 2014 en boekt zij het bedrag over naar de rekening van de vennootschap. De verdachte wordt op 14 januari 2015 tegen betaling van € 20.000 als stroman bestuurder van die vennootschap, met de opdracht om van het resterende bedrag van ruim € 420.000 goud te kopen en dit af te geven aan een hem onbekende persoon, hetgeen hij vervolgens ook doet.
Het hof kwalificeert dit als een klassiek voorbeeld van witwassen: het geldbedrag wordt voor het overgrote deel, € 400.000, omgezet in goud en voor het restant als provisie naar de verdachte overgeboekt via diens eigen vennootschap, onder de verhullende omschrijving "Restbetaling verrichte werkzaamheden". Het hof stelt voorop dat een voorwerp slechts als "afkomstig uit enig misdrijf" kan worden aangemerkt indien het afkomstig is uit een misdrijf dat is gepleegd voorafgaand aan de witwasgedraging, en oordeelt dat daarvan hier sprake is. In dit geval is zelfs duidelijk uit welk concreet misdrijf het geld afkomstig is, te weten oplichting en valsheid in geschrift. Voor de bewezenverklaring is verder noodzakelijk dat de verdachte weet dat zijn gedraging een uit misdrijf afkomstig goed betreft, maar niet dat hij precies weet van welk misdrijf het geld afkomstig is. Anders dan de raadsvrouw betoogt, is dan ook niet van belang of de verdachte wist dat het geld door middel van een valse factuur op de rekening was binnengekomen.
De wetenschap van de criminele herkomst leidt het hof af uit de bewijsmiddelen. De verdachte heeft bij de politie, bij de rechtbank en bij het hof verklaard dat hij wist dat het niet klopte en niet deugde dat hij € 20.000 zou ontvangen voor het als stroman op naam zetten van de vennootschap en het vervolgens omzetten van de gelden in goud, en dat hij naar eigen zeggen "20.000 redenen had om niet te vragen waar het geld vandaan kwam". Op grond hiervan acht het hof het primair tenlastegelegde opzetwitwassen wettig en overtuigend bewezen. Dat de medeverdachten voor schuldwitwassen zijn veroordeeld en lagere straffen hebben gekregen doet daaraan niet af, alleen al omdat de rol van de verdachte, los van zijn wetenschap, wezenlijk anders is: hij heeft het geld overgemaakt, het goud opgehaald en het vervolgens in een parkeergarage aan een onbekende overhandigd, en hij heeft zelf € 20.000 verdiend aan het verdonkeremanen van het geld.
Bewezenverklaring
Het hof bevestigt de bewezenverklaring van de rechtbank en verklaart bewezen dat de verdachte:
feitelijk leiding heeft gegeven aan het door een rechtspersoon plegen van opzetwitwassen, meermalen gepleegd, bestaande in het omzetten in goud van een uit misdrijf afkomstig geldbedrag en het overboeken van een deel daarvan als provisie naar zijn eigen vennootschap onder een verhullende omschrijving.
De precieze bewoordingen van de bewezenverklaring volgen uit het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank en worden in dit arrest niet integraal herhaald.
Strafoplegging en maatregelen
Bij de strafoplegging let het hof op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof overweegt dat witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer en dat het door het handelen van de verdachte voor de benadeelde onderneming onmogelijk is geworden het onverschuldigd overgemaakte bedrag met succes terug te vorderen. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke vermogensfeiten en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof slaat acht op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor fraude, die voor een bedrag tussen € 250.000 en € 500.000 in beginsel uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden. Als persoonlijke omstandigheden weegt het hof mee dat de verdachte in een chalet woont, sinds ongeveer drie weken een baan in de steigerbouw heeft, inmiddels 55 jaar oud is en heeft verklaard zich niet langer met strafbare feiten te willen bezighouden.
Het hof oordeelt dat de redelijke termijn is geschonden. Deze termijn is aangevangen op 17 september 2018, de dag van het eerste politieverhoor, terwijl het vonnis waarvan beroep pas op 23 oktober 2024 is gewezen, mede als gevolg van een terugwijzing door het hof. Het tijdsverloop in eerste aanleg bedraagt daarmee ruim zes jaren, hetgeen niet aan de verdachte is te wijten. Zonder deze schending zou een gevangenisstraf van zestien maanden passend zijn geweest. Mede gelet op het feit dat het een oud feit betreft, volstaat het hof met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden. Het hof wijkt daarmee af van de vordering van de advocaat-generaal tot integrale bevestiging van de in eerste aanleg opgelegde straf.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof de rechtstreekse materiële schade vast op € 433.064,96, bestaande uit € 400.000 aan in goud omgezet geld, € 20.000 aan provisie en € 13.064,96 aan kosten van een bedrijfsrecherchebureau. Omdat het witwassen samen met een of meer anderen is gepleegd, wijst het hof dit bedrag hoofdelijk toe, vermeerderd met de wettelijke rente, ingaande op 20 januari 2015 over het bedrag van € 420.000 en op 15 september 2015 over de onderzoekskosten. De verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 12.047. Het hof legt daarnaast de schadevergoedingsmaatregel op tot hetzelfde bedrag van € 433.064,96, met bepaling dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 365 dagen kan worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting daarmee vervalt. De vordering van de benadeelde partij wordt voor het overige afgewezen. Voor het overige bevestigt het hof het vonnis waarvan beroep.
