Rechtbank Rotterdam: onderzoeksbureau aansprakelijk voor onzorgvuldig klachtonderzoek

Op 4 maart 2026 heeft de rechtbank Rotterdam eindvonnis gewezen in een civiele procedure tussen een voormalig medewerker van het Albert Schweitzer Ziekenhuis en het door dat ziekenhuis ingeschakelde onderzoeksbureau dat haar klachten onderzocht. Het bureau wordt veroordeeld tot betaling van € 29.302,09 aan schadevergoeding en tot intrekking van zijn onderzoeksrapport, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 100.000. De uitspraak vormt het sluitstuk van een procedure die in 2023 aanhangig werd gemaakt en waarin in april 2024 al een tussenvonnis was gewezen.

Achtergrond: van klachtonderzoek naar civiele procedure

In opdracht van de Stichting Albert Schweitzer Ziekenhuis (ASZ) heeft het onderzoeksbureau in 2022 onderzoek gedaan naar klachten van een toenmalige medewerker. Het bureau bracht op 4 november 2022 een rapport uit. De medewerker stelde zich op het standpunt dat het onderzoek en het rapport ondeugdelijk waren en sprak het bureau aan op grond van artikel 6:162 BW. Zij vorderde een verklaring voor recht, schadevergoeding en intrekking van het rapport. De achterliggende arbeidsrelatie tussen de medewerker en het ASZ is parallel beoordeeld in een ontbindingsprocedure, waarin de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbond. Die ontbinding is later door het gerechtshof Den Haag bekrachtigd en het cassatieberoep is op 10 oktober 2025 door de Hoge Raad verworpen. Deze parallelle uitkomst speelt in het civielrechtelijke eindvonnis een belangrijke rol bij de schadebegroting. De zaak kreeg in juli 2024 ruimere aandacht door publicatie van Follow the Money, waarin het tussenvonnis werd besproken.

Het tussenvonnis: onrechtmatig onderzoek en intrekking rapport

In het tussenvonnis van 17 april 2024 oordeelde de rechtbank dat het onderzoeksbureau onrechtmatig had gehandeld jegens de medewerker. Een centrale tekortkoming betrof de schending van artikel 3.9 lid 4 van de klachtenregeling van het ASZ, op basis waarvan de klager en de aangeklaagde in elkaars aanwezigheid hadden moeten worden gehoord. De rechtbank kwalificeerde de keuze om dit niet te doen als onzorgvuldig en onrechtmatig. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het onderzoek en rapport "verschillende ernstige gebreken" vertoonden, onder meer doordat het bureau bij de beoordeling van de aannemelijkheid van klachten observaties over personen betrok zonder duidelijke onderbouwing. De rechtbank wees in een uitvoerige overweging een passage aan waarin zonder draagkrachtige redenering werd aangenomen dat een opmerking van de medewerker uit een eerdere periode een latere mogelijke ernstige gebeurtenis minder aannemelijk zou maken. In het eindvonnis is dat oordeel onverkort gehandhaafd: de rechtbank wijst het verzoek van het bureau om gedeeltelijk terug te komen van het tussenvonnis af.

Vermogensschade: een kans van 15% en de toepassing van kansschade

Het meest in het oog springende civielrechtelijke onderdeel van het eindvonnis is de wijze waarop de rechtbank de vermogensschade begroot. De medewerker vorderde primair een bedrag van € 174.680,62, gebaseerd op het verschil tussen het inkomen dat zij bij voortzetting van het dienstverband zou hebben ontvangen en het inkomen dat zij feitelijk geniet. De rechtbank wijst de gedachte af dat het onrechtmatige optreden van het bureau de oorzaak is van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het ASZ heeft zijn ontbindingsverzoek immers niet mede gegrond op het rapport, en kantonrechter en hof hebben hun beoordeling daar evenmin op gebaseerd.

Tegelijkertijd verwerpt de rechtbank het standpunt dat er in het geheel geen verband bestaat. Een doelstelling van de klachtenregeling van het ASZ is herstel van verhoudingen, en een zorgvuldig en voortvarend onderzoek had die kans niet op voorhand uitgesloten. De rechtbank past vervolgens de leer van de kansschade toe, zoals onder meer ontwikkeld in HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491 (Deloitte/Hassink), en schat de kans dat een rechtmatig onderzoek tot zodanig herstel van verhoudingen had geleid dat een ontbindingsverzoek achterwege zou zijn gebleven, op 15 procent. Bij die schatting wegen mee dat de arbeidsverhoudingen al ernstig verstoord waren toen het bureau begon, dat een mediationtraject niet van de grond was gekomen en dat het ASZ pas geruime tijd na inschakeling van het bureau het ontbindingsverzoek indiende. De rechtbank rekent deze kans van 15 procent toe op het primair gevorderde bedrag, wat resulteert in een vergoeding van € 26.802,09 aan vermogensschade. Het beroep op artikel 6:104 BW (winstafdracht) wordt verworpen, omdat niet is komen vast te staan dat het eventuele financiële voordeel van het bureau is behaald vanwege de onrechtmatigheid.

Immateriële schade en aantasting in de persoon

Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500. De rechtbank acht aannemelijk dat de medewerker is aangetast in haar persoon, met name omdat in het rapport conclusies zijn getrokken die mede zijn gebaseerd op niet draagkrachtig onderbouwde beelden van betrokkenen. De rechtbank ziet aanleiding om een lager bedrag toe te kennen dan de gevorderde € 4.000, om twee redenen. Ten eerste hebben ook andere factoren in de arbeidsrelatie impact gehad, zodat de immateriële schade niet hoofdzakelijk aan het bureau kan worden toegerekend. Ten tweede acht de rechtbank de stelling dat het bureau het oogmerk had de medewerker schade toe te brengen (de a-grond van artikel 6:106 BW) onvoldoende onderbouwd. Het totaal aan toe te wijzen schadevergoeding komt daarmee uit op € 29.302,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2022.

Intrekking van het rapport en de dwangsom

De rechtbank handhaaft het in het tussenvonnis al uitgesproken bevel tot intrekking van het rapport, en wijst het verzoek van het bureau om hier alsnog van af te zien af. Ook al is de ontslagprocedure inmiddels afgerond en is het rapport uitsluitend aan het ASZ verstrekt, de rechtbank hecht eraan dat aan het ASZ duidelijk wordt gemaakt dat het rapport ernstige gebreken vertoont. Een rol speelt dat het bureau na het tussenvonnis een brief aan het ASZ heeft gestuurd waarin het zich op het standpunt stelde rechtmatig te hebben gehandeld en het rapport niet te zullen intrekken. De rechtbank stelt de dwangsom op grond van artikel 611a Rv vast op € 10.000 per dag met een maximum van € 100.000, en verlengt de termijn voor intrekking tot veertien dagen na betekening van het vonnis.

Relevantie voor de praktijk

Voor de bijzonder-strafrechtpraktijk is het eindvonnis op meerdere punten relevant. Onderzoeksbureaus worden ingeschakeld voor interne onderzoeken naar (vermeende) integriteitsschendingen, fraude, witwasrisico's en andere financieel-economische onregelmatigheden, en de uitkomsten van dergelijke onderzoeken kunnen vergaande gevolgen hebben voor betrokkenen, zowel op het vlak van arbeidsrechtelijke maatregelen als bij de beoordeling van (mogelijke) strafrechtelijke en bestuursrechtelijke vervolgstappen.

De rechtbank bevestigt dat ook de civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW van toepassing is op de wijze waarop een bureau zijn onderzoek inricht en zijn rapport opstelt, en dat een interne klachtenregeling van de opdrachtgever de invulling van die norm mede kan bepalen. De toepassing van de leer van de kansschade in lijn met Deloitte/Hassink is in dit type zaken bovendien nog niet alledaags. De uitspraak laat zien dat een onderzoeksbureau dat tekortschiet niet kan volstaan met de stelling dat de uiteindelijke uitkomst (zoals een ontbinding) ook zonder zijn handelen tot stand zou zijn gekomen, mits aannemelijk is dat door het tekortschieten een reële kans op een gunstiger uitkomst is ontnomen.

Tegelijkertijd toont het vonnis ook de begrenzing van die aansprakelijkheid. De rechtbank rekent niet de volledige vermogensschade toe en houdt rekening met de overige feitelijke context, in dit geval onder meer de al ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen en het mislukte mediationtraject. Ook bij immateriële schade wordt nadrukkelijk getoetst aan de causaliteit en de onderbouwing.

Afsluiting

Met dit eindvonnis sluit de rechtbank Rotterdam een procedure af die zowel inhoudelijk (zorgvuldigheid van klachtonderzoek) als juridisch-technisch (toepassing van kansschade en immateriële schade) lessen biedt voor de praktijk. Het bureau wordt civielrechtelijk aansprakelijk gehouden voor de wijze waarop het zijn onderzoek heeft verricht en zijn rapport heeft opgesteld, met als gevolg een schadevergoeding, een verplichting tot intrekking van het rapport en een proceskostenveroordeling van € 3.561,42. Of tegen het eindvonnis hoger beroep wordt ingesteld zal de komende periode duidelijk worden. Voor opdrachtgevers en uitvoerders van interne onderzoeken, en voor hun adviseurs, biedt de uitspraak in elk geval een actueel ankerpunt bij het inrichten en beoordelen van klachten- en integriteitsonderzoeken.

Print Friendly and PDF ^