Herziening na Maggiora: hersteld vormverzuim blokkeert niet-ontvankelijkheid
/Hoge Raad 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:562
De Hoge Raad wijst een herzieningsverzoek af in het kader van het onderzoek Maggiora, waarin de aanvraagster onherroepelijk is veroordeeld voor opzetheling terwijl het hof in de zaken van medeverdachten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaarde. Centraal staat de vraag of bekend geworden vormverzuimen rond gunstbetoon en verklaringen van een medeverdachte een novum opleveren in de zin van artikel 457 lid 1 onder c van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelt dat het verzuim rond de verbaliseringsplicht van artikel 226g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering door de woordelijke uitwerking van het gesprek in voldoende mate is hersteld. Ook de gang van zaken rond de verklaringen is in hoger beroep voldoende opgehelderd om het ernstige vermoeden van niet-ontvankelijkverklaring weg te nemen. De omstandigheid dat het hof in de zaak tegen de medeverdachte wel tot niet-ontvankelijkheid kwam, doet aan deze zelfstandige herzieningstoetsing niet af.
Achtergrond
De aanvraagster is een natuurlijk persoon, geboren in 1992. Zij is door de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 1 augustus 2017 veroordeeld wegens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft haar een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 120 uren opgelegd. Uit de conclusie van advocaat-generaal Aben blijkt daarnaast dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van twee jaren is verbonden en dat de taakstraf subsidiair 60 dagen hechtenis bedraagt, met aftrek van het voorarrest. De aanvraagster heeft geen hoger beroep ingesteld, waardoor haar veroordeling onherroepelijk is geworden.
De zaak maakt deel uit van het opsporingsonderzoek Maggiora, dat gericht was op de internationale handel in cocaïne, de exploitatie van een amfetamine- en/of MDMA-laboratorium en het witwassen van de daaruit voortvloeiende opbrengsten. In totaal heeft het openbaar ministerie tegen acht verdachten vervolging ingesteld. Vijf voormalige medeverdachten hebben wel hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in die zaken op 28 november 2024 uitspraak gedaan en het openbaar ministerie in al deze vijf zaken niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Tegen deze uitspraken heeft het openbaar ministerie geen cassatieberoep ingesteld. Een van deze arresten, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367, vormt de aanleiding voor het onderhavige herzieningsverzoek.
De veroordeling van de aanvraagster berust mede op verklaringen van een voormalige medeverdachte, in het arrest aangeduid als medeverdachte 2. Deze medeverdachte is op 18 september 2015 aangehouden en heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Vanaf 14 oktober 2015 heeft hij bekennende verklaringen afgelegd waarin hij tevens belastend verklaarde over de medeverdachten. De zaaksofficier van justitie heeft tijdens het requisitoir benadrukt dat er geen sprake was van een deal met deze medeverdachte. In een televisiereportage uit 2019 vertelde de medeverdachte echter dat hij wel degelijk contacten met het openbaar ministerie had gehad over een deal in het kader van het onderzoek Maggiora.
<h3>Middel</h3>
De aanvraagster voert één grondslag voor herziening aan op basis van artikel 457 lid 1 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering. Zij stelt dat uit het onderzoek van het hof in de zaak tegen de medeverdachte feiten bekend zijn geworden die de rechtbank niet kende en die het ernstige vermoeden wekken dat de rechtbank, indien zij daarvan op de hoogte was geweest, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging, zoals het hof dat in de zaak tegen de medeverdachte heeft gedaan.
Drie vormverzuimen staan centraal. Ten eerste zou de verbaliseringsplicht van artikel 226g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering zijn geschonden. Van een gesprek op 14 oktober 2015 tussen medeverdachte 2 en onder anderen de zaaksofficier van justitie, waarin volgens de aanvraagster sprake was van gunstbetoon, is geen proces-verbaal aan het dossier toegevoegd. Bovendien is een aanvankelijk opgemaakt proces-verbaal van verhoor waaruit van dit gesprek bleek, uit het politiesysteem verwijderd, met aanpassing van de nummering van één of meer processen-verbaal.
Ten tweede zou het openbaar ministerie niet transparant zijn geweest tegenover de verdediging en de rechter over toezeggingen die aan medeverdachte 2 waren gedaan door de officier van justitie van het landelijk parket belast met getuigenbescherming. Deze toezeggingen betroffen de strafeis in de zaak Maggiora en de wijze waarop medeverdachte 2 de opgelegde straf mocht uitzitten. Aan die toezeggingen waren voorwaarden verbonden, waaronder dat medeverdachte 2 moest blijven meewerken in de zaak Maggiora en niet mocht verklaren over zijn contacten met het openbaar ministerie.
Ten derde zou het openbaar ministerie wettelijke voorschriften over afspraken met medeverdachten hebben omzeild door de verklaringen van medeverdachte 2 aan het dossier Maggiora toe te voegen. De verdediging heeft medeverdachte 2 daarover niet effectief kunnen ondervragen omdat hij zich bij zaaksinhoudelijke vragen grotendeels op zijn verschoningsrecht beriep.
<h3>Beoordeling Hoge Raad</h3>
De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als rechtsgevolg van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering komt alleen in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk wanneer sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kan worden gecompenseerd. In gevallen waarin vormverzuimen het recht op een eerlijke behandeling aanvankelijk in het gedrang hebben gebracht, maar in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt deze maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring.
Ten aanzien van het eerste verzuim oordeelt de Hoge Raad dat de aangeleverde stukken inderdaad het ernstige vermoeden wekken dat het openbaar ministerie heeft verzuimd een proces-verbaal van het gunstbetoon toe te voegen en dat een eerder opgemaakt proces-verbaal uit het systeem van de politie is verwijderd. Van het gesprek van 14 oktober 2015 is echter een opname gemaakt die woordelijk is uitgewerkt en aan het dossier is toegevoegd. Daardoor is de inhoud van en de gang van zaken rondom dit gunstbetoon alsnog bekend geworden. Het verzuim is daarmee in die mate hersteld dat geen grond bestaat om te oordelen dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard indien zij deze feiten had gekend.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op het niet doorlopen van de voorgeschreven procedure rondom de verklaringen en op het weerhouden van medeverdachte 2 om openheid te geven, doet zich evenmin een gegeven voor als bedoeld in artikel 457 lid 1 onder c van het Wetboek van Strafvordering. In het hoger beroep tegen de medeverdachte is uitvoerig onderzoek gedaan naar de totstandkoming van de verklaringen en de rol van het openbaar ministerie. Diverse getuigen zijn gehoord, waaronder de zaaksofficier van justitie, de officier van justitie van het landelijk parket die de leiding kreeg over het zogeheten TBG-traject (Team Bijzondere Getuigen), de rechercheofficier van het arrondissementsparket Noord-Nederland en medeverdachte 2 zelf. Ook interne aantekeningen uit de journalen en e-mails van het landelijk parket zijn aan het dossier toegevoegd. Door deze inmiddels ontstane mate van duidelijkheid zijn de gestelde vormverzuimen in die mate hersteld dat het ernstige vermoeden niet wordt gewekt.
De Hoge Raad benadrukt dat het enkele feit dat het hof in de zaak tegen de medeverdachte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard, aan dit oordeel niet afdoet. In de herzieningsprocedure ligt het arrest van het hof niet ter beoordeling voor. Beoordeeld wordt zelfstandig of sprake is van een novum dat het ernstige vermoeden van niet-ontvankelijkverklaring rechtvaardigt. De Hoge Raad wijst de aanvraag af op grond van artikel 470 van het Wetboek van Strafvordering. De zaak vertoont samenhang met de aanvragen 25/00561 en 25/00577.
Lees hier de volledige uitspraak.
