Conclusie advocaat-generaal over samenloop van verzuimboete en strafvervolging voor het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting en over de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a lid 3 AWR

Parket bij de Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:845

De advocaat-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van een boekhouder die is veroordeeld wegens het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting over drie kwartalen (artikel 69a lid 1 AWR), zonder oplegging van straf of maatregel. Het eerste middel betoogt dat de eerder opgelegde verzuimboetes van artikel 67c AWR hetzelfde feit betreffen en dat het feitsbegrip van artikel 50 Handvest had moeten worden toegepast. De advocaat-generaal stelt vast dat artikel 50 Handvest in deze zaak van toepassing is, maar dat het Handvest niet dwingt tot eenzelfde uitleg van het feitsbegrip in artikel 68 Sr en artikel 255 Sv, omdat het Nederlandse stelsel een tweede vervolging categorisch blokkeert waar het Unierecht cumulatie onder voorwaarden toestaat. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a lid 3 AWR. De advocaat-generaal meent dat een natuurlijk persoon per tijdvak uitstel van betaling moet verzoeken en dat mededelingen aan een belastingambtenaar over betalingsproblemen geen verzoek om uitstel inhouden. Ambtshalve merkt hij op dat de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, wat gelet op de toepassing van artikel 9a Sr geen gevolgen behoeft te hebben.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1971, die als eenmanszaak een administratiekantoor exploiteert. Hij heeft over de tenlastegelegde kwartalen aangifte omzetbelasting gedaan, maar de aangegeven belasting niet betaald. De inspecteur heeft daarop naheffingsaanslagen met verzuimboetes opgelegd: € 522 over het derde kwartaal van 2016, € 151 over het eerste kwartaal van 2017 en € 222 over het eerste kwartaal van 2018. Ook die aanslagen zijn niet betaald. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vier kinderen heeft bij twee ex-partners, dat hij een achterstand in de kinderalimentatie had opgelopen, dat met gijzeling werd gedreigd en dat hij voorrang heeft gegeven aan het betalen van alimentatie boven het betalen van omzetbelasting, terwijl hij wist dat de Belastingdienst preferent schuldeiser is.

Dit is de tweede cassatieronde. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het Openbaar Ministerie bij arrest van 13 april 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1168) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verzuimboetes en de strafvervolging volgens het hof hetzelfde feit betreffen. In een overweging ten overvloede oordeelde het hof dat anders ontslag van alle rechtsvervolging had moeten volgen op grond van artikel 69a lid 3 AWR. De Hoge Raad heeft dat arrest op 4 oktober 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1364) vernietigd. Onder verwijzing naar HR 15 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:364) overwoog de Hoge Raad dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de aard en ernst van de feiten die tot een verzuimboete van artikel 67c lid 1 AWR aanleiding kunnen geven en het op artikel 69a lid 1 AWR toegesneden feit, onder meer door het opzetvereiste en het strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf, zodat zulke feiten in beginsel niet als hetzelfde feit kunnen worden aangemerkt. Na terugwijzing heeft een andere kamer van het hof bij arrest van 22 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1378) het Openbaar Ministerie ontvankelijk geacht, het beroep op artikel 69a lid 3 AWR verworpen, de verdachte veroordeeld en met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Tegen dat arrest is namens de verdachte op 24 april 2024 cassatie ingesteld. Advocaat-generaal Keulen neemt op 23 juni 2026 conclusie; de conclusie is op 3 september 2026 gepubliceerd.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij, handelend onder de naam van zijn eenmanszaak, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2018 telkens opzettelijk de omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan niet binnen de wettelijke termijn heeft betaald (artikel 69a lid 1 AWR). Dat artikel bedreigt het opzettelijk niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van aangiftebelasting met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie, of, indien hoger, eenmaal het bedrag van de te weinig betaalde belasting. Artikel 67c lid 1 (oud) AWR maakt datzelfde nalaten tot een verzuim waarvoor de inspecteur een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen. Artikel 69a lid 3 AWR bepaalt dat niet strafbaar is degene die de ontvanger tijdig heeft verzocht uitstel van betaling te verlenen, of die onverwijld nadat is gebleken dat het lichaam niet tot betaling in staat is daarvan schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de ontvanger.

Voor het eerste middel zijn verder relevant artikel 68 Sr, artikel 243 lid 2 Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv, en artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De cassatiemiddelen

Namens de verdachte zijn twee middelen voorgesteld, elk met drie deelklachten.

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat er geen grondslag is om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Deelklacht a houdt in dat de door het hof toegepaste rechtsregel in strijd is met artikel 50 Handvest. Deelklacht b stelt dat het hof een feitelijke toets ten onrechte volledig buiten beschouwing laat, in strijd met de rechtspraak van het EHRM en het HvJ EU, en dat het hof niet heeft gerespondeerd op twee uitdrukkelijk onderbouwde standpunten: de vergelijking met de zaak van 15 maart 2022, die een besloten vennootschap en een natuurlijk persoon betrof en niet een eenmanszaak, en de verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Vegter voorafgaand aan het eerste arrest van de Hoge Raad. Deelklacht c verwijt het hof niet te hebben beoordeeld of het evenredigheidsbeginsel de cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties toelaat, onder verwijzing naar HvJ EU 5 mei 2022 (C-570/20, BV), en stelt dat strafvervolging na de verzuimboetes niet voorzienbaar was. Voor het geval de Hoge Raad de rechtsregel niet in strijd acht met het Unierecht, verzoeken de stellers van het middel prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU en advies te vragen aan het EHRM op grond van Protocol 16 bij het EVRM over de uitleg van artikel 4 van het Zevende Protocol.

Het tweede middel klaagt over het oordeel dat de verdachte geen beroep op de strafuitsluitingsgrond toekomt omdat hij heeft nagelaten op de juiste wijze en op de juiste tijdstippen concreet en gespecificeerd uitstel van betaling aan te vragen. Deelklacht a stelt dat de eis dat telkens voorafgaand aan elke aangifte uitstel wordt gevraagd van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Deelklacht b betoogt dat het oordeel, gelet op doel en strekking van artikel 69a lid 3 AWR (het uitsluiten van goedwillende belastingplichtigen van strafvervolging), onjuist is en dat de uitlatingen van de verdachte als verzoek om uitstel hadden moeten worden opgevat. Deelklacht c verwijt het hof een te formele benadering, nu de Belastingdienst van de betalingsproblemen op de hoogte was en zowel een verzoek om uitstel als een melding betalingsonmacht datzelfde doel dient.

Standpunt van de verdediging in hoger beroep

De raadsman heeft ter terechtzitting van 25 maart 2024 bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verzuimboetes en de strafvervolging hetzelfde feit betreffen. Daarbij dient volgens hem een gemengde, juridische en feitelijke toets met een meer feitelijk accent te worden aangelegd, wat beter aansluit bij de EU-rechtspraak dan de eenzijdig juridische toetsing door de Hoge Raad. Hij heeft gewezen op de conclusie van advocaat-generaal Vegter en op het verschil met de zaak van 15 maart 2022, waarin het om een besloten vennootschap ging. Subsidiair heeft hij ontslag van alle rechtsvervolging bepleit op grond van artikel 69a lid 3 AWR: de verdachte heeft in september 2015 bij een belastingambtenaar om uitstel gevraagd, die dat verzoek bij de ontvanger heeft neergelegd, een verzoek om uitstel voor een eenmanszaak is vormvrij en de verdachte hoefde het verzoek niet telkens te herhalen. De verdachte is volgens de raadsman geen kwaadwillende: hij wilde betalen, maar kon niet.

Overwegingen van het hof

Over de ontvankelijkheid overweegt het hof, het arrest van de Hoge Raad indachtig, dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de aard en ernst van de feiten die aanleiding kunnen geven tot een verzuimboete en het op artikel 69a lid 1 AWR toegesneden feit, zodat zulke feiten in beginsel niet als hetzelfde feit kunnen worden aangemerkt. De stelling dat een meer feitelijke toets had moeten worden aangelegd, is volgens het hof niet onderbouwd: de verdediging heeft de feitelijke context niet inzichtelijk gemaakt en de rechtspraak waaruit de gestelde rechtsregel zou volgen niet met precisie aangehaald.

Over de strafbaarheid stelt het hof vast dat een belastingambtenaar op 5 augustus 2015 naar aanleiding van een aankondiging invordering met de verdachte in contact is gekomen, dat de verdachte haar bij een bezoek op 10 september 2015 zijn financiële en persoonlijke situatie heeft uitgelegd, heeft gezegd dat hij geen financiële mogelijkheden had om belasting te betalen en meer tijd nodig had, en dat zij daarvan een verslag heeft neergelegd bij de afdeling invordering. Bij het inleidende gesprek voor een boekenonderzoek op 16 december 2016 heeft de verdachte aan een andere ambtenaar gezegd dat hij de omzetbelasting niet betaalde omdat hij het geld nodig had voor zijn ex-partners, zijn kinderen en zijn levensonderhoud. De verdachte heeft bij de ontvanger geen schriftelijke mededeling van betalingsonmacht gedaan en geen verzoeken om uitstel voor de tenlastegelegde kwartalen ingediend.

Het hof overweegt dat een melding van betalingsonmacht alleen voor lichamen is weggelegd, dat de verwijzing in de wetsgeschiedenis naar artikel 25 Invorderingswet 1990 in de context van aangiftebelasting vreemd voorkomt, omdat dat artikel ziet op uitstel voor reeds vastgestelde belastingaanslagen, en dat van een natuurlijk persoon kennelijk meer wordt verlangd dan van een lichaam: de kleine ondernemer moet per tijdvak opnieuw uitstel verzoeken, terwijl een lichaam met een eenmalige melding kan volstaan. De algemene mededeling van september 2015 dat de verdachte tijd nodig had om een en ander te regelen, voldoet niet aan een verzoek om uitstel, zeker niet voor kwartalen die toen nog niet aan de orde waren. Ook bij het boekenonderzoek in 2016 heeft de verdachte niet om uitstel gevraagd, maar enkel uitgelegd waarom hij niet betaalde. De verdachte, boekhouder van beroep, heeft nagelaten op de juiste wijze en op de juiste tijdstippen concreet en gespecificeerd uitstel te vragen.

Beoordeling door de advocaat-generaal

Bij het eerste middel stelt de advocaat-generaal voorop dat artikel 50 Handvest in deze zaak kan worden ingeroepen. Uit het arrest Åkerberg Fransson (HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10) volgt dat belastingboetes en strafvervolging op btw-gebied uitvoering geven aan het Unierecht in de zin van artikel 51 lid 1 Handvest. De vervolging betreft weliswaar niet het niet nakomen van aangifteverplichtingen maar het niet betalen van aangegeven omzetbelasting, maar ook die vervolging hangt samen met de verplichting van de lidstaten de btw volledig te innen. Een verzuimboete op grond van artikel 67c lid 1 AWR is een bestuurlijke boete van strafrechtelijke aard, zoals ook impliciet uit het arrest van 4 oktober 2022 volgt.

Vervolgens zet de advocaat-generaal het arrest Menci (HvJ EU 20 maart 2018, C-524/15) uiteen. Het HvJ EU hanteert als criterium of de materiële feiten dezelfde zijn, acht de nationaalrechtelijke kwalificatie irrelevant en oordeelt dat een aanvullend subjectief bestanddeel in de strafbepaling niet afdoet aan de identiteit van de feiten. Een cumulatie van bestuurlijke en strafrechtelijke sancties is volgens datzelfde arrest echter toelaatbaar als de regeling een doel van algemeen belang nastreeft met elkaar aanvullende doelen, regels bevat voor onderlinge afstemming en waarborgt dat het geheel van sancties beperkt blijft tot het strikt noodzakelijke. Daarin verschilt de benadering van het HvJ EU van het Nederlandse stelsel: artikel 68 Sr verbiedt categorisch een tweede veroordeling voor hetzelfde feit en artikel 243 lid 2 Sv biedt na een bestuurlijke boete een bijna even sterke bescherming, met nieuwe vervolging alleen bij beklag of nieuwe bezwaren. Dit verschil kan volgens de advocaat-generaal een andere uitleg van het begrip hetzelfde feit rechtvaardigen. Als een eerdere bestraffing voor het veel lichtere feit een latere vervolging niet blokkeert maar slechts tot afstemming verplicht, is er weinig op tegen snel hetzelfde feit aan te nemen; heeft de eerdere bestraffing wel blokkerende werking, dan valt er veel voor te zeggen om bij een aanzienlijk verschil in aard en ernst aan te nemen dat het niet om hetzelfde feit gaat. Deelklacht a faalt. Het Handvest verplicht er niet toe bij de uitleg van het feitsbegrip in artikel 68 Sr en artikel 243 lid 2 Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv van het feitsbegrip van artikel 50 Handvest uit te gaan. Een prejudiciële vraag is daarom niet aangewezen; de stellers van het middel geven bovendien niet aan hoe die vraag zou moeten luiden. Een adviesaanvraag aan het EHRM over het Zevende Protocol ligt niet in de rede, omdat Nederland dat protocol niet heeft geratificeerd.

Deelklacht b faalt eveneens. De vergelijking met de zaak van 15 maart 2022 bevat geen argumentatie die een reactie behoeft, omdat de overweging van de Hoge Raad is gebaseerd op het verschil in aard en ernst van de feiten en niet op het verschil tussen natuurlijke persoon en rechtspersoon. De enkele stelling dat advocaat-generaal Vegter het niet eens zou zijn met de Hoge Raad is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, en de weergave van de verhouding tussen artikel 50 Handvest en de nationale bepalingen was zo summier dat zij evenmin tot een reactie noopte. Het hof is uitgegaan van de overwegingen van de Hoge Raad in deze zaak, en de verdediging heeft niet gewezen op feiten en omstandigheden die een uitzondering op het uitgangspunt zouden rechtvaardigen. Ten overvloede merkt de advocaat-generaal op dat de verdediging een beroep kan doen op de bescherming die artikel 50 Handvest volgens het HvJ EU bij dubbele bestraffing biedt, maar dat zo'n verweer in hoger beroep niet is gevoerd.

Over deelklacht c overweegt de advocaat-generaal dat het HvJ EU in het arrest van 5 mei 2022 het evenredigheidsbeginsel betrekt op de nationale regeling als zodanig en een cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties geschikt acht voor het bestrijden van btw-delicten. Voor zover het evenredigheidsbeginsel ook de concrete vervolgingsbeslissing normeert, wijst hij erop dat het hof de verdachte mede op grond van diens verklaring ter terechtzitting heeft geschaard onder de goedwillende ondernemers in betalingsproblemen. De toepassing van artikel 9a Sr is het resultaat van het onderzoek in de strafprocedure, geen vooraf vaststaande uitkomst. Het hof hoefde niet ambtshalve uiteen te zetten dat de vervolging niet onevenredig was. Omdat de Hoge Raad in het arrest van 15 maart 2022 aansluit bij gevestigde jurisprudentie over het feitsbegrip, was strafvervolging na een verzuimboete voorzienbaar. Noch over het evenredigheidsbeginsel, noch over de voorzienbaarheid is in hoger beroep verweer gevoerd.

Voorafgaand aan het tweede middel bespreekt de advocaat-generaal de wetsgeschiedenis van artikel 69a AWR, ingevoerd bij de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (Stb. 2013, 567). De memorie van toelichting noemt de bestuurlijke boete weinig effectief als de belastingplichtige geen verhaal biedt en stelt dat van het vereiste opzet in ieder geval geen sprake is bij goedwillende ondernemers die in betalingsproblemen verkeren en uitstel vragen. Na vragen van Kamerleden en een amendement van het lid Omtzigt om een oogmerk tot benadeling van de Belastingdienst te vereisen, is bij derde nota van wijziging het derde lid toegevoegd. De staatssecretaris noemde het oogmerkvereiste zinledig, omdat de benadeling al besloten ligt in het niet betalen, en gaf aan dat de strafbaarstelling vooral is ingegeven door signalen van de FIOD over ploffers in carrouselfraude. Het amendement is verworpen. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is benadrukt dat het derde lid geen meldingsregeling is, maar vastlegt dat geen sprake is van opzet als de belastingplichtige tijdig laat weten niet tot betaling in staat te zijn. De advocaat-generaal acht de verwijzing in de toelichting naar artikel 25 Invorderingswet 1990 minder juist, omdat dat artikel ziet op reeds vastgestelde aanslagen. Hij wijst op artikel 10 lid 3 en artikel 19 lid 4 AWR en artikel 30 Uitvoeringsregeling AWR, waarin de inspecteur op een verzoek om uitstel beslist, en meent dat artikel 69a lid 3 AWR het best kan worden begrepen als een bepaling die buiten die gevallen een mogelijkheid opent tot een verzoek om uitstel, dat zowel aan de inspecteur als aan de ontvanger kan worden gericht.

Bij deelklacht a van het tweede middel stelt de advocaat-generaal vast dat de tweede grond voor straffeloosheid, de melding van betalingsonmacht, zich niet kan voordoen omdat een natuurlijk persoon geen lichaam is. De kamer van het hof die het eerste arrest wees, had onder verwijzing naar HR 28 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:419), een arrest van de belastingkamer over de doorlopende werking van een melding betalingsonmacht, aangenomen dat de verdachte niet telkens opnieuw om uitstel hoefde te vragen. Advocaat-generaal Vegter viel het hof daarin bij en wees op een lage drempel voor de goedwillende betalingsplichtige. Advocaat-generaal Keulen onderkent dat die uitleg de rechtspositie van natuurlijke personen en lichamen dichter bij elkaar brengt, maar ziet het verschil in behandeling met het hof als een uitvloeisel van een keuze van de wetgever. Een melding van betalingsonmacht is iets anders dan een verzoek om uitstel. Hij merkt daarbij op dat de tekst van het derde lid geen beperking stelt aan de gronden voor uitstel, maar acht een uitleg die verlangt dat het verzoek met een geldige reden verband houdt beter verdedigbaar; betalingsproblemen die door het voldoen van andere schuldeisers zijn veroorzaakt gelden daarbij in ieder geval als geldige reden, ongeacht de slaagkans van het verzoek. Zonder die eis zou de belastingplichtige die keurig aangifte doet met een even keurig maar ongefundeerd uitstelverzoek aan aansprakelijkheid voor een misdrijf met een strafmaximum van zes jaren ontkomen. Ook bij die uitleg blijft het verschil bestaan: een melding van betalingsonmacht dient het voorkomen van bestuurdersaansprakelijkheid en staat los van een concrete aanslag, terwijl een verzoek om uitstel is gericht op een beslissing van de inspecteur of ontvanger. Niets wijst erop dat de wetgever een verzoek om uitstel heeft willen toestaan voor belastingschulden die in aantal en omvang nog niet zijn omlijnd. Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat een natuurlijk persoon per tijdvak opnieuw uitstel moet verzoeken.

Bij deelklacht b overweegt de advocaat-generaal dat de stellers van het middel niet bestrijden dat de bewoordingen van de verdachte tegenover de belastingambtenaar geen verzoek om uitstel inhouden. De bij de schriftuur gevoegde e-mailcorrespondentie van februari 2017 met een invorderingsmedewerker bevat evenmin zo'n verzoek. Die medewerker gaf op 20 februari 2017 aan alleen een afspraak te maken als de verdachte concreet zou aangeven wat hij wilde, bijvoorbeeld door het formulier voor een betalingsregeling of sanering in te sturen, en wees hem op de vindplaats van die formulieren. Nergens is gesteld dat de verdachte een formulier heeft ingezonden. Het beroep op gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1244) en op een artikel van De Vries in TFB 2019/31 doet er niet aan af dat wettekst en toelichting twee gevallen expliciet noemen, wat erop wijst dat de wetgever de strafuitsluiting van goedwillende belastingplichtigen langs die weg voldoende verzekerd acht. Deelklacht c komt in wezen op hetzelfde neer: artikel 69a lid 3 AWR eist voor straffeloosheid niet dat de Belastingdienst vormvrij wordt geïnformeerd, maar dat een verzoek om uitstel of een melding betalingsonmacht wordt gedaan. Het oordeel dat de verdachte niet om uitstel heeft verzocht, is niet onbegrijpelijk.

In de afronding gaat de advocaat-generaal in op het arrest van het HvJ EU van 24 maart 2026 (C-767/23, Remling), waaruit volgt dat een hoogste rechter ook bij een verkorte motivering specifiek en concreet moet uiteenzetten waarom een van de Cilfit-uitzonderingen op de verwijzingsplicht van toepassing is wanneer een partij zich op het Unierecht beroept. Hij meent dat in deze zaak geen vraag over de uitleg of geldigheid van een Unierechtelijke bepaling is opgeworpen. De vraag die het middel opwerpt is in de kern nationaalrechtelijk: waarom wordt het feitsbegrip in artikel 68 Sr en artikel 255 lid 1 Sv niet net zo uitgelegd als dat in artikel 50 Handvest. Ook doet de verdachte geen beroep op het Unierecht, maar op artikel 243 lid 2 Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv. Als de Hoge Raad dat ook zo ziet, kan het eerste middel in beginsel worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende formulering.

Bewezenverklaring

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte, handelend onder de naam van zijn eenmanszaak, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2018 telkens opzettelijk de op aangifte verschuldigde omzetbelasting niet binnen de wettelijke termijn heeft betaald over:

  • het derde kwartaal van 2016 voor een bedrag van € 17.409 (te betalen uiterlijk 31 oktober 2016);

  • het eerste kwartaal van 2017 voor een bedrag van € 5.055 (te betalen uiterlijk 30 april 2017);

  • het eerste kwartaal van 2018 voor een bedrag van € 7.428 (te betalen uiterlijk 30 april 2018).

Het hof heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit. Het bewezene is gekwalificeerd als opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet betalen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof heeft met toepassing van artikel 9a Sr bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Het hof leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat artikel 69a AWR is bedoeld voor kwaadwillende belastingschuldigen die bijvoorbeeld hun activa uit het zicht van de Belastingdienst brengen, en niet voor goedwillende ondernemers in betalingsproblemen, waarvan bij de verdachte sprake lijkt te zijn. De fiscale wetgeving biedt volgens het hof voldoende andere instrumenten om belastingschuldigen zoals de verdachte aan te pakken, waarbij van de Belastingdienst een voortvarend optreden mag worden verwacht; het strafrecht is een ultimum remedium. De advocaat-generaal merkt ambtshalve op dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van cassatie op 24 april 2024 arrest zal wijzen, maar dat daaraan gelet op de toepassing van artikel 9a Sr geen gevolgen behoeven te worden verbonden.

Slotsom van de conclusie

Beide middelen falen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^