Kwetsbare moeder, vals testament en opzettelijk gebruik maken van een akte

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:307

Dit betreft hoger beroep over notariële akten testament levenstestament en volmacht op naam van de dementerende moeder van verdachte. Verdachte wordt verweten dat zij samen met een notaris de akten valselijk heeft laten opmaken en dat zij de akten later opzettelijk heeft gebruikt bij de nalatenschapsafwikkeling. Het hof spreekt vrij van feit 1 omdat onvoldoende blijkt van nauwe en bewuste samenwerking met de notaris en evenmin van uitlokking of medeplichtigheid. Het hof acht wel bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik maakt van het valse testament door dit in te brengen bij de afwikkeling en een verklaring van erfrecht te laten opstellen terwijl zij weet van wilsonbekwaamheid en onvoldoende taalbeheersing van haar moeder. Verweren tegen de retrospectieve deskundigenrapportage over wilsbekwaamheid worden verworpen en het verzoek om een nieuwe deskundige wordt afgewezen. Wegens overschrijding van de redelijke termijn legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op met een proeftijd van 2 jaren.

Context van de zaak

In deze strafzaak staat een natuurlijke persoon terecht die wordt vervolgd in verband met het opmaken en gebruiken van notariële akten op naam van haar moeder. De verdachte is geboren in 1965 en woont in Maastricht. Het betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 juli 2022.

De kern van de zaak ziet op drie op 13 juni 2016 gepasseerde notariële akten op naam van de moeder van de verdachte: een testament, een algehele volmacht en een levenstestament. De moeder verbleef sinds november 2015 in een verpleeghuis gespecialiseerd in ouderen met dementie. Zij leed aan vasculaire dementie en was volgens medische informatie en verklaringen in een vergevorderd stadium van cognitieve achteruitgang. De verdachte had zelf bewindvoering en mentorschap over haar moeder aangevraagd, omdat haar moeder duurzaam niet meer in staat was haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

De akten zijn gepasseerd door een notaris in Maastricht. Uit een eerder onherroepelijk vonnis tegen deze notaris volgt dat hij de betreffende akten valselijk heeft opgemaakt. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal in hoeverre de verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van deze akten en of zij zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik daarvan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat zij tezamen en in vereniging met de notaris drie authentieke akten valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken. De vermeende valsheid bestaat onder meer uit het opnemen van verklaringen dat haar moeder eerdere uiterste wilsbeschikkingen herroept, dat zij de verdachte tot enig erfgenaam en gevolmachtigde wenst te benoemen, dat zij de Nederlandse taal voldoende verstaat en dat zij nog woonachtig is op haar oude adres, terwijl zij feitelijk in een verpleeghuis verblijft en de taal niet beheerst.

Subsidiair en meer subsidiair wordt haar uitlokking dan wel medeplichtigheid aan het valselijk opmaken van deze authentieke akten verweten.

Onder feit 2 primair wordt haar verweten dat zij in de periode van 13 juni 2016 tot en met 29 juni 2017 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van deze authentieke akten, terwijl daarin valse opgaven zijn opgenomen, onder meer door het testament te gebruiken bij de afhandeling van de nalatenschap van haar moeder en een verklaring van erfrecht te laten opstellen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis en veroordeling voor de feiten 1 primair en 2 primair. Het Openbaar Ministerie acht bewezen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de notaris bij het valselijk opmaken van de akten. Daarnaast stelt het Openbaar Ministerie dat de verdachte de valse akten actief heeft gebruikt bij de afwikkeling van de nalatenschap, met als doel zichzelf als enig erfgenaam te positioneren.

De advocaat-generaal vordert een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tevens wordt verzocht de drie authentieke akten geheel of gedeeltelijk vals te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Volgens de verdediging ontbreekt het bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking met de notaris, zodat geen sprake is van medeplegen. Evenmin zou sprake zijn van uitlokking of medeplichtigheid.

Ten aanzien van feit 2 wordt betwist dat de verdachte wist dat sprake was van valse opgaven. De verdediging voert uitvoerig verweer tegen de rapportage van de door het hof benoemde deskundige, die retrospectief heeft geoordeeld over de wilsbekwaamheid van de moeder op 13 juni 2016. Volgens de verdediging is de rapportage methodologisch ondeugdelijk, onvoldoende transparant en gebaseerd op onvolledige of onjuiste gegevens.

Subsidiair verzoekt de verdediging toepassing van artikel 9a Sr dan wel het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van het hof

Het hof spreekt de verdachte vrij van feit 1 in al zijn varianten. Hoewel vaststaat dat de notaris de akten valselijk heeft opgemaakt en dat de verdachte een initiërende en sturende rol heeft gehad bij de totstandkoming van de akten, acht het hof onvoldoende bewezen dat sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat kan worden gesproken van medeplegen. Ook voor uitlokking of medeplichtigheid ontbreekt naar het oordeel van het hof voldoende bewijs.

Ten aanzien van feit 2 komt het hof tot een ander oordeel. Het hof stelt vast dat de moeder op 13 juni 2016 met een hoge mate van waarschijnlijkheid wilsonbekwaam was. De door het hof benoemde deskundige concludeert dat zowel de ernst van de vasculaire dementie als de psychiatrische co-morbiditeit op zichzelf reeds voldoende zijn om aan te nemen dat zij niet in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen ten aanzien van haar testament.

Het hof verwerpt de bezwaren van de verdediging tegen de deskundigenrapportage. De rapportage wordt voldoende toetsbaar, transparant en betrouwbaar geacht. Het hof acht bewezen dat de verdachte wist van de wilsonbekwaamheid van haar moeder en dat zij tevens wist dat haar moeder de Nederlandse taal niet voldoende beheerste. Daarmee wist zij dat de verklaringen in het testament over de wilsvorming en taalbeheersing vals waren.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het testament heeft gebruikt bij de afwikkeling van de nalatenschap, onder meer door een verklaring van erfrecht te laten opstellen en een gewaarmerkte kopie daarvan aan een Franse notaris te overhandigen. Daarmee heeft zij opzettelijk gebruik gemaakt van een authentieke akte als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

De verdachte wordt partieel vrijgesproken van het gebruik van het levenstestament en de algehele volmacht, nu onvoldoende bewijs bestaat dat zij deze heeft gebruikt.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard dat de verdachte in de periode van 13 juni 2016 tot en met 29 juni 2017 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een authentieke akte, te weten een testament op naam van haar moeder, terwijl daarin valse opgaven zijn gedaan omtrent de wilsvorming en taalbeheersing.

Strafoplegging

Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als opzettelijk gebruik maken van een akte als bedoeld in artikel 227, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

Bij de strafoplegging weegt het hof zwaar dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in authentieke akten. Daarnaast rekent het hof haar aan dat zij onvoldoende oog heeft gehad voor de kwetsbaarheid van haar moeder, over wie zij zelf als mentor en bewindvoerder was aangesteld.

In beginsel acht het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden in combinatie met een taakstraf van 120 uren passend. Vanwege een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, ziet het hof aanleiding de straf te matigen.

Het hof legt uiteindelijk een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^