Rechtbank wijst vordering tot gijzeling af bij tenuitvoerlegging Duitse confiscatiebeslissing: betalingsonmacht voldoende aannemelijk
/Rechtbank Noord-Nederland 29 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1544
De rechtbank Noord-Nederland wijst op 29 april 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van 1.080 dagen gijzeling aan een veroordeelde af. De vordering is gebaseerd op artikel 22 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie en heeft betrekking op een door het Landgericht München I in 2010 opgelegde confiscatiebeslissing van € 1.353.475. De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat aan de veroordeelde een betalingsverplichting is opgelegd waaraan nog niet is voldaan, niet zonder meer betalingsonwil oplevert. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist waaruit concreet blijkt dat de veroordeelde beschikt over mogelijkheden om aan de verplichting te voldoen. De veroordeelde maakt voldoende aannemelijk dat hij buiten staat is om te betalen, gelet op zijn beperkte inkomsten als invalkracht op schepen en het ontbreken van vermogen. De rechtbank wijst de vordering tot gijzeling daarom af.
Inleiding en context
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, oordeelt in raadkamer op een vordering van de officier van justitie tot het opleggen van gijzeling. De zaak betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1965, aan wie bij vonnis van het Landgericht München I te München, Duitsland, van 14 januari 2010 een beslissing tot confiscatie is opgelegd van € 1.353.475. Deze beslissing is op 22 januari 2010 onherroepelijk geworden. De executie ervan is door Nederland overgenomen. Tot aan de behandeling in raadkamer heeft de veroordeelde niets van het opgelegde bedrag voldaan.
Het is niet de eerste keer dat de tenuitvoerlegging aan de rechtbank wordt voorgelegd. Op 16 december 2015 heeft de rechtbank reeds een vordering tot lijfsdwang in dezelfde zaak afgewezen, omdat onvoldoende vaststond dat bij de veroordeelde sprake was van betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht. De huidige vordering is op 19 februari 2026 ingediend en op 15 april 2026 in raadkamer behandeld in aanwezigheid van de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie.
Vordering en wettelijk kader
De officier van justitie vordert het opleggen van 1.080 dagen gijzeling. De vordering is ingesteld op grond van artikel 22 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, waarin artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Het toetsingskader brengt mee dat gijzeling fungeert als pressiemiddel voor degene die niet wil betalen, terwijl de vordering wordt afgewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de veroordeelde in staat moet worden geacht het verschuldigde bedrag van € 1.353.475 te voldoen. Bij een dermate omvangrijke en georganiseerde handel in verdovende middelen mag volgens het Openbaar Ministerie worden aangenomen dat de aanzienlijke revenuen niet zijn vervlogen. Het ligt op de weg van de veroordeelde om de gestelde betalingsonmacht aannemelijk te maken, hetgeen hij volgens het Openbaar Ministerie op geen enkele wijze heeft gedaan. Uit de passieve houding van de veroordeelde, bestaande uit het uitblijven van betalingen, het niet overleggen van stukken voor een betalingsvoorstel en het nauwelijks reageren op aanschrijvingen, moet worden geconcludeerd dat sprake is van betalingsonwil.
Daarnaast wijst de officier van justitie erop dat gedurende de executie van de confiscatiebeslissing meerdere bedrijven van de veroordeelde in beeld zijn gekomen, te weten een besloten vennootschap en een tweede onderneming. Bovendien heeft de veroordeelde een aantal Mulderzaken voldaan. Daarom kan volgens het Openbaar Ministerie van volledige betalingsonmacht geen sprake zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman voert aan dat bij de veroordeelde geen sprake is van onwil, maar van volkomen onmacht om te betalen, zodat de vordering moet worden afgewezen. Hij wijst op de eerdere afwijzing in 2015 en stelt dat sindsdien niets is veranderd. De veroordeelde heeft geen vermogen verkregen in verband met het strafbare feit. De Duitse berekening is niet gebaseerd op werkelijke inkomsten van de veroordeelde.
De veroordeelde werkt thans, wanneer zijn gezondheid het toelaat, als invalkracht op schepen en verdient daarmee tussen € 1.000 en € 1.500 per maand. Ander inkomen heeft hij niet. Door de minimale en variabele maandelijkse inkomsten kan hij de ene maand wel en de andere maand niet rondkomen. Hij beschikt verder niet over vermogen, hetgeen wordt bevestigd door de omstandigheid dat de deurwaarder de opdracht reeds in 2020 heeft teruggegeven.
Het door het Openbaar Ministerie genoemde bedrijf is volgens de veroordeelde al lange tijd failliet, en de andere onderneming is hem niet bekend. De veroordeelde erkent eenmalig een verkeersboete te hebben voldaan, maar stelt dat meerdere Mulderzaken en een afdoening door het Openbaar Ministerie hem niet bekend zijn. Hij heeft telefonisch contact gehad met het CJIB en een betalingsvoorstel gedaan, dat door het CJIB is afgewezen omdat het maandelijks aangeboden bedrag niet substantieel werd geacht.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat gijzeling in de zin van artikel 6:6:25 Sv dient als pressiemiddel voor degenen bij wie onwil bestaat om aan de betalingsverplichting van een opgelegde ontnemingsmaatregel te voldoen, en niet bedoeld is als punitieve maatregel voor degene die onmachtig is te betalen. De vordering tot gijzeling wordt niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is aan de verplichting tot betaling te voldoen.
Het enkele feit dat aan de veroordeelde een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk voordeel is opgelegd waaraan nog niet is voldaan, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat reeds op die grond geoordeeld kan worden dat sprake is van betalingsonwil. Daarvoor dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden waaruit meer concreet kan volgen dat de veroordeelde kan beschikken over mogelijkheden om, al dan niet via een afbetalingsregeling, aan de betalingsverplichting te voldoen.
De rechtbank constateert dat de gestelde betrokkenheid van de veroordeelde bij bedrijven en de daaruit voortvloeiende inkomsten door hem worden ontkend en door de officier van justitie niet nader zijn onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de veroordeelde een verkeersboete heeft voldaan, betekent volgens de rechtbank niet dat hij ook aan de betalingsverplichting uit hoofde van de confiscatiebeslissing kan voldoen. Het verschil tussen het bedrag van een Mulderboete en een confiscatiebeslissing van ruim € 1,3 miljoen is daartoe te groot.
De rechtbank oordeelt dat de veroordeelde de stellingen van de officier van justitie omtrent betalingsonwil voldoende heeft weerlegd en mede daardoor aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten staat is aan de verplichting tot betaling te voldoen.
Beslissing
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van 1.080 dagen gijzeling aan de veroordeelde af. Met deze beslissing wordt de eerder ingeslagen lijn uit de afwijzing van 16 december 2015 voortgezet, waarbij de rechtbank nogmaals onderstreept dat het door het Openbaar Ministerie te leveren bewijs van betalingsonwil concreet onderbouwd dient te zijn en niet kan worden afgeleid uit enkel het uitblijven van betalingen of een passieve proceshouding.
Lees hier de volledige uitspraak.
