Profijtontneming flessentrekkerij via plof-bv's: hof schat voordeel op bijna 17.000 euro, matigt betalingsverplichting na overschrijding redelijke termijn en verwerpt draagkrachtverweer
/Gerechtshof Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:928
Het gerechtshof Amsterdam schat in hoger beroep het wederrechtelijk verkregen voordeel uit flessentrekkerij via twee plof-bv's op bijna 17.000 euro. De betrokkene en zijn medeverdachten bestelden goederen bij leveranciers, lieten deze leveren maar betaalden de facturen niet, waarna de goederen werden doorverkocht tegen een lager bedrag dan de inkoopprijs. Het hof hanteert een opbrengstpercentage van 35 procent van de onbetaalde inkoopfacturen exclusief btw en brengt diverse kosten in mindering, waaronder huur, chauffeurs en werkzaamheden van een derde. Op basis van een schriftelijk stuk komt 5 procent van de opbrengst van de ene rechtspersoon aan de betrokkene toe, terwijl de opbrengst van de andere rechtspersoon pondspondsgewijs over vier betrokkenen wordt verdeeld. Het draagkrachtverweer wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en het hof matigt de betalingsverplichting tot € 15.000 vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn van meer dan vijf jaar.
Inleiding en context
Het gerechtshof Amsterdam oordeelt in hoger beroep over een ontnemingsvordering tegen een natuurlijk persoon die eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van flessentrekkerij, meermalen gepleegd. De zaak hangt samen met een breder strafrechtelijk onderzoek naar een criminele organisatie die zich bezighield met flessentrekkerij via zogeheten plof-bv's. Voor een aantal andere betrokkenen in dit onderzoek is in rechte vastgesteld dat zij aan deze criminele organisatie hebben deelgenomen. Dit geldt echter niet voor de betrokkene in de onderhavige zaak, die uitsluitend is veroordeeld voor het medeplegen van flessentrekkerij.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2016 veroordeeld in de strafzaak. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019 is de veroordeling in hoger beroep bevestigd. Dit arrest is op 21 december 2021 onherroepelijk geworden. De rechtbank Amsterdam heeft in de ontnemingszaak bij vonnis van 29 februari 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 28.992,70 en de betalingsverplichting vastgesteld op € 26.093,43. De betrokkene is tegen dit ontnemingsvonnis in hoger beroep gekomen.
Grondslag ontnemingsvordering en wettelijk kader
De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van flessentrekkerij in de perioden van 21 januari 2014 tot en met 1 september 2014 en van 27 augustus 2014 tot en met 4 november 2014, gepleegd via twee rechtspersonen die als plof-bv's fungeerden. De betrokkene en zijn medeverdachten bestelden goederen bij verschillende leveranciers, kregen deze goederen geleverd, maar betaalden de inkoopfacturen niet. De goederen werden vervolgens doorverkocht aan derden voor een lager bedrag dan de inkoopprijs. Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit deze strafbare feiten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal wijkt ter terechtzitting in hoger beroep op twee punten af van de eerder ingediende schriftelijke conclusie. Ten eerste vordert de advocaat-generaal dat de huurkosten voor het pand van de tweede rechtspersoon worden geschat op € 2.000 per maand gedurende zeven maanden. Ten tweede vordert de advocaat-generaal dat de helft van het bedrag dat de betrokkene zou hebben betaald aan de benadeelde partijen, te weten € 4.952, in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal vordert dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 23.019,70 en dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 20.715,03.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert uitsluitend verweer ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de tweede rechtspersoon en bepleit dat dit voordeel op nihil dient te worden geschat. De raadsman voert aan dat de geraamde kosten te laag zijn ingeschat. De kosten zoals vermeld in de pleitnotities dienen in mindering te worden gebracht, evenals twee vorderingen van benadeelde partijen die de betrokkene stelt te hebben betaald. De verdediging bepleit verder dat het voordeel uit de tweede rechtspersoon pondspondsgewijs over vier betrokkenen dient te worden verdeeld. De raadsman verzoekt subsidiair, voor het geval het hof het voordeel slechts over twee personen verdeelt, een getuige te horen. Daarnaast voert de verdediging een draagkrachtverweer en stelt dat de betrokkene, gelet op zijn beperkte inkomsten uit AOW, zijn leeftijd en zijn broze gezondheid, geen draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen en dat dit in de toekomst niet zal veranderen.
Oordeel van het hof
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht. Het hof gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het ontnemingsrapport en berekent eerst de opbrengst voor de betrokkenen als geheel, om deze vervolgens te verdelen.
Het hof hanteert een opbrengstpercentage van 35 procent van de onbetaalde inkoopfacturen, exclusief btw. Het totaalbedrag van de inkoopfacturen bedraagt € 452.080,89 voor de eerste rechtspersoon en € 215.172,91 voor de tweede rechtspersoon. Goederen aangeschaft ten behoeve van de professionele uitstraling van de rechtspersonen laat het hof buiten beschouwing. Bij doorzoekingen in beslag genomen goederen ter waarde van € 97.558,81 exclusief btw worden in mindering gebracht op de opbrengst van de eerste rechtspersoon. Bij de tweede rechtspersoon brengt het hof het totaalbedrag van de inkoopfacturen van een meubelbedrijf van € 14.834,98 in mindering, aangezien die goederen door het meubelbedrijf zijn teruggehaald.
Op de bruto opbrengst van de eerste rechtspersoon brengt het hof kosten in mindering voor huur van loodsen en kantoren (€ 13.219,15), autohuur (€ 6.041,20), chauffeurs (€ 3.400), personeel (€ 1.500) en overige kosten (€ 2.000). De netto opbrengst van de eerste rechtspersoon bedraagt € 97.869.
Bij de tweede rechtspersoon schat het hof de huurkosten op € 1.500 per maand gedurende zeven maanden, in totaal € 10.500. Het hof overweegt dat er geen betalingsbescheiden zijn aangetroffen, maar acht het bedrag van € 1.500 per maand aannemelijk gelet op de verklaring van de betrokkene en de in het ontnemingsrapport opgenomen stelpost. Daarnaast brengt het hof chauffeurskosten van € 2.200 en een bedrag van € 9.000 voor werkzaamheden van een derde in mindering. Het verweer dat een bedrag van € 12.500 voor inboedel en een bedrag van € 2.500 voor de aanbetaling van een busje in mindering dienen te worden gebracht, verwerpt het hof wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof brengt geen stelpost voor overige kosten in mindering bij de tweede rechtspersoon, aangezien de kosten voor de werkzaamheden van de derde reeds in mindering zijn gebracht. De netto opbrengst van de tweede rechtspersoon bedraagt € 48.418,28.
Voor de verdeling van het voordeel uit de eerste rechtspersoon gaat het hof uit van een schriftelijk stuk waarin staat dat 5 procent van de opbrengst toekomt aan de betrokkene, aangeduid als "Inkoper 2". Het aandeel van de betrokkene uit de eerste rechtspersoon bedraagt daarmee € 4.893,45. Voor de tweede rechtspersoon verdeelt het hof de opbrengst pondspondsgewijs over vier betrokkenen, nu er geen concrete aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling. Het aandeel van de betrokkene uit de tweede rechtspersoon bedraagt € 12.104,57 (25 procent). Nu het hof de door de verdediging voorgestelde verdeling volgt, wordt niet voldaan aan de voorwaarde van het getuigenverzoek en hoeft het hof hierop niet te beslissen.
Het verweer dat twee vorderingen van benadeelde partijen in mindering dienen te worden gebracht, verwerpt het hof, nu niet is gebleken of anderszins is onderbouwd dat die vorderingen door de betrokkene daadwerkelijk zijn voldaan. Het hof wijst de betrokkene erop dat hij op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een verzoek tot vermindering van de betalingsverplichting kan doen.
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast:
het aandeel van de betrokkene uit de eerste rechtspersoon bedraagt € 4.893,45 (5 procent van € 97.869)
het aandeel van de betrokkene uit de tweede rechtspersoon bedraagt € 12.104,57 (25 procent van € 48.418,28)
het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt € 16.998,02
Betalingsverplichting, draagkracht en redelijke termijn
Het hof verwerpt het draagkrachtverweer. Het hof overweegt dat de draagkracht van de betrokkene in een ontnemingszaak alleen met vrucht aan de orde kan worden gesteld indien ter terechtzitting voldoende concreet onderbouwd wordt aangevoerd dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft of zal krijgen. De betrokkene dient daartoe gemotiveerd en zo mogelijk aan de hand van bescheiden volledige openheid van financiele zaken te geven. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Het hof wijst erop dat de toekomstige draagkracht in de executiefase aan de orde kan worden gesteld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg fors is overschreden. De ontnemingsvordering is aangekondigd op 10 oktober 2016 en het vonnis is uitgesproken op 29 februari 2024, een overschrijding van vijf jaren en ruim vier maanden. Het hof verdisconteert deze overschrijding in de betalingsverplichting en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000, in plaats van het geschatte voordeel van € 16.998,02. Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 150 dagen.
