Proefschrift: Klimaatstrafrecht
/De klimaatcrisis roept grote woorden op. Politici eisen actie, activisten spreken van 'climate crime', en een Belgische jongen deed in 2024 aangifte van dood door schuld tegen TotalEnergies nadat hij een vriendin verloor bij een overstroming. Maar wat als we die woorden juridisch serieus nemen? Wat als we het strafrecht, het zwaarste instrument dat een overheid tot haar beschikking heeft, daadwerkelijk inzetten tegen gedragingen die bijdragen aan klimaatverandering? Dat is precies de vraag die Sjoerd Lopik stelt in zijn Leidse dissertatie Klimaatstrafrecht: de rol van het strafrecht binnen het juridische antwoord op klimaatverandering.
Het is een vraag die op het eerste gezicht zowel veelbelovend als naïef klinkt. Veelbelovend, omdat het strafrecht als geen ander rechtsgebied in staat is om gedragsverandering af te dwingen en morele grenzen te markeren. Naïef, omdat het klimaatprobleem zo onvoorstelbaar complex is dat je je afvraagt of het strafrecht daar überhaupt vat op kan krijgen. Lopik erkent die spanning en maakt er de motor van zijn onderzoek van.
Drie vragen als kompas
Het proefschrift is opgebouwd rond drie kernvragen die samen de structuur en het argument vormen. De eerste: moet het? Zijn er juridische verplichtingen om het strafrecht in te zetten voor klimaatmitigatie? De tweede: kan het? Welke strafrechtelijke leerstukken staan een effectieve aanpak in de weg? En de derde: hoe dan? Welke concrete mogelijkheden biedt het strafrecht in de praktijk?
Die driedeling is meer dan een academisch trucje. Het dwingt de lezer om de kwestie vanuit drie fundamenteel verschillende perspectieven te bezien: het mensenrechtelijke, het dogmatische en het praktische. Daarmee vermijdt Lopik de valkuil van zowel de onkritische enthousiasteling als de sceptische afwijzer.
Moet het? Voorlopig niet, maar dat kan veranderen
Op de eerste vraag geeft Lopik een genuanceerd antwoord. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verplicht lidstaten in bepaalde gevallen om het strafrecht te gebruiken bij grove mensenrechtenschendingen. In theorie zou je kunnen beargumenteren dat klimaatverandering zo'n grove schending oplevert. De gevolgen voor mensenrechten zijn immers immens: levens gaan verloren, eigendommen worden vernietigd, gezondheid wordt aangetast.
Toch concludeert Lopik dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op dit moment waarschijnlijk geen verplichting zal formuleren om het strafrecht specifiek voor klimaatmitigatie aan te wenden. De belangrijkste reden: lidstaten hebben beleidsvrijheid bij het kiezen van instrumenten om klimaatdoelen te behalen. Het Klimaseniorinnen-arrest uit 2024 verplicht staten weliswaar tot een deugdelijk klimaatbeleid, maar schrijft niet voor met welk rechtsgebied dat moet worden gerealiseerd. Bovendien ontbreekt vooralsnog de zogeheten common ground tussen lidstaten om het strafrecht voor dit doel te gebruiken.
Interessant is dat Lopik laat zien dat dit anders ligt bij klimaatadaptatie. Als een overheid haar waterveiligheidsbeleid ernstig verwaarloost en er vervolgens mensen overlijden bij een overstroming, dan is een strafrechtelijke reactie minder vergezocht. Het EHRM heeft eerder geoordeeld dat het strafrecht aangewend had moeten worden toen gebrekkig overstromingsbeleid tot mensenrechtenschendingen leidde. Bij adaptatie kun je namelijk gemakkelijker individuele verantwoordelijken aanwijzen dan bij het mondiale fenomeen van klimaatmitigatie.
Kan het? Ja, maar niet op de manier die je misschien verwacht
De tweede deelvraag raakt aan de kern van het strafrechtelijke ambacht. Lopik onderzoekt drie klassieke leerstukken: de aansprakelijkheid van rechtspersonen, causaliteit en legaliteit. Bij elk daarvan stuit hij op serieuze, maar niet onoverkomelijke obstakels.
Neem causaliteit. Het Nederlandse strafrecht hanteert de leer van de redelijke toerekening, die op het eerste gezicht ruimte lijkt te bieden voor creatieve interpretatie. Maar er geldt een ondergrens: het zogenoemde condicio sine qua non-vereiste. Je moet kunnen aantonen dat de klimaatschade niet zou zijn ingetreden zonder de uitstoot van de verdachte. Naar de huidige stand van de klimaatwetenschap is dat voor een individueel bedrijf of individu simpelweg niet mogelijk. De extreme cumulativiteit van het klimaatprobleem maakt dat iedere uitstoot een fractie van het geheel vormt.
Dat betekent dat aangiften zoals die tegen TotalEnergies weinig kans maken op een veroordeling. Je kunt niet met voldoende zekerheid aantonen dat de emissies van één bedrijf het verlies van één specifiek mensenleven hebben veroorzaakt.
Maar hier komt Lopiks meest waardevolle inzicht naar voren. De oplossing ligt niet in het oprekken van causaliteitsnormen, maar in het kiezen van andersoortige delicten. In plaats van zogeheten krenkingsdelicten (die bewijs van daadwerkelijke schade vereisen) pleit hij voor abstracte gevaarzettingsdelicten. Dat zijn strafbepalingen die gevaarlijk gedrag strafbaar stellen zonder dat hoeft te worden bewezen dat dat gedrag tot concrete schade heeft geleid. De parallel met verkeersrecht dringt zich op: rijden onder invloed is strafbaar, ongeacht of je een ongeluk veroorzaakt.
Ook het legaliteitsbeginsel stelt grenzen. De wetgever moet helder formuleren welke klimaatgerelateerde gedragingen verboden zijn. Je kunt niet achteraf bedrijven bestraffen voor uitstoot die op het moment van emissie volledig legaal was. Dit betekent dat het strafrecht, anders dan het civiele recht, niet kan functioneren zonder dat de wetgever eerst duidelijke normen stelt.
Hoe dan? Drie concrete paden
In het derde deel van het onderzoek maakt Lopik de vertaalslag naar de praktijk. Hij identificeert drie manieren waarop het strafrecht een rol kan spelen.
De eerste en meest directe weg is de handhaving van bestaande klimaatwetgeving via de Wet op de economische delicten (WED). Er bestaat al een aanzienlijk pakket aan klimaatnormen, van EU-ETS-regels tot emissienormen voor voertuigen en energie-efficiëntievereisten voor gebouwen. Overtredingen daarvan zijn strafbaar. Het probleem zit hem niet in het gebrek aan normen, maar in het gebrek aan handhaving. Lopik signaleert zorgwekkende tekortkomingen: al decennialang constateren instanties en onderzoekers dat de handhaving van milieunormen ernstig tekortschiet. Er bestaat niet eens een samenwerkingsconvenant tussen het Openbaar Ministerie en de Nederlandse Emissieautoriteit.
Het tweede pad betreft de strafrechtelijke aanpak van greenwashing en onjuiste klimaatinformatie. Bedrijven die bewust misleidende claims maken over hun klimaatimpact, of die decennialang de gevaren van klimaatverandering hebben verzwegen, zouden in theorie vervolgd kunnen worden voor valsheid in geschrift of oplichting. In de praktijk is dit lastig, onder meer omdat veel relevante feiten inmiddels zijn verjaard.
Het derde pad is een strafbaarstelling van ecocide. In Nederland is een wetsvoorstel ingediend, en internationaal wordt er serieus over gediscussieerd. Lopik is hier kritisch maar constructief. Het voorstel komt tegemoet aan een reëel gemis in het milieustrafrecht, maar staat in zijn huidige vorm op gespannen voet met de vereisten van rechtszekerheid. Te veel open normen maken het voor bedrijven onduidelijk wat precies wel en niet is toegestaan. Voor specifieke toepassing op broeikasgasemissies schiet het voorstel daardoor tekort, tenzij het nader wordt geconcretiseerd.
De wetgever moet eerst aan zet
De rode draad door het proefschrift is misschien wel het meest verrassende inzicht: het strafrecht kan een serieuze rol spelen bij klimaatmitigatie, maar dan moet de wetgever eerst in actie komen. Waar het privaatrecht ruimte biedt voor rechterlijke baanbrekers (denk aan de Urgenda-uitspraken), vereist het strafrecht baanbrekende wetgeving. Dat is geen tekortkoming, maar een wezenlijk kenmerk van het rechtsgebied: juist omdat de gevolgen zo ingrijpend zijn, moeten de spelregels vooraf helder zijn.
Dit levert een paradoxale situatie op. De overheid die klimaatnormen moet stellen en handhaven, is zelf een notoir slechte nalever van milieu- en klimaatverplichtingen. Lopik wijst er scherp op dat de Staat de Urgenda-uitspraken aanvankelijk nauwelijks opvolgde, dat meer dan de helft van de Rijksgebouwen niet aan energielabelvereisten voldoet, en dat de staatssecretaris naleving van het klimaatreductiedoel afdeed als "geen halszaak". Een overheid die zelf haar klimaatverplichtingen niet serieus neemt, heeft een geloofwaardigheidsprobleem als zij anderen via het strafrecht tot naleving wil dwingen.
Een druppel op de gloeiende plaat, maar een noodzakelijke
Lopik eindigt zijn proefschrift met een passage die zowel realistisch als hoopvol is. Het strafrecht gaat de klimaatcrisis niet eigenhandig oplossen, net zomin als welk ander rechtsgebied of welke technologische innovatie dan ook. Het klimaatprobleem vraagt om cumulatieve oplossingen, net zoals het is veroorzaakt door cumulatieve schade. De bijdrage van het strafrecht is misschien beperkt, schrijft Lopik, maar zonder meer belangrijk. En als het lukt om gezamenlijk genoeg druppels op die gloeiende plaat te krijgen, dan wordt die plaat wel degelijk minder warm.
Klimaatstrafrecht is een indrukwekkend proefschrift dat een braakliggend terrein in kaart brengt. Het is academisch grondig, maar tegelijkertijd opvallend leesbaar en maatschappelijk relevant. Voor iedereen die zich afvraagt of het strafrecht iets te bieden heeft in de klimaatcrisis, is het antwoord helder: ja, maar het vergt een wetgever met visie, een OM met ambitie, en een overheid die zelf het goede voorbeeld geeft.
