Penningmeester verduistert van tennisvereniging voor gokverslaving: geen verduistering in dienstbetrekking omdat een bestuurder niet in een gezagsverhouding tot de vereniging staat

Rechtbank Oost-Brabant 22 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3523

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt op 22 mei 2026 een voormalig penningmeester van een tennisvereniging in Vught voor verduistering van ruim 454.000 euro. De verdachte gebruikte het verenigingsgeld gedurende anderhalf jaar voor zijn gok- en cryptoverslaving en bekende uiteindelijk uit eigen beweging. De rechtbank spreekt hem partieel vrij van het onderdeel "uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking", omdat een bestuurder niet in een gezagsverhouding tot de vereniging staat. Ondanks het aanzienlijke benadelingsbedrag ziet de rechtbank af van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege de persoonlijke omstandigheden en de inmiddels in remissie zijnde verslaving. De opgelegde straf bestaat uit een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De benadeelde tennisvereniging wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat zij al over een civielrechtelijk vonnis beschikt en de strafrechter niet treedt in het oordeel van de WSNP-rechter.

Inleiding en context

De rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, behandelt in eerste aanleg een strafzaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1993, die op 1 april 2021 is aangetreden als penningmeester in het bestuur van een tennisvereniging in Vught. Op 15 augustus 2023 meldt de verdachte zich samen met zijn vader bij de voorzitter van de vereniging met de mededeling dat hij het geld van de tennisvereniging heeft gebruikt voor zijn gok- en cryptoverslaving. De tennisvereniging doet op 9 januari 2024 aangifte van verduistering in functie. De verdachte legt zowel bij de politie als in een tuchtprocedure van de tennisbond bekennende verklaringen af. Het vonnis wordt op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 29 januari 2022 tot en met 8 augustus 2023 te Vught opzettelijk geldbedragen van in totaal ongeveer 454.450 euro, toebehorend aan de tennisvereniging, en welk goed hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als penningmeester, althans anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Centraal staat naast de wederrechtelijke toe-eigening de gekwalificeerde grondslag "uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking", een bestanddeel dat verwijst naar de strafverzwarende variant van verduistering in dienstbetrekking.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het onderdeel "uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking". De officier van justitie eist een maximale taakstraf van 240 uren, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging onderschrijft eveneens dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, behoudens het onderdeel van de persoonlijke dienstbetrekking. Ten aanzien van de strafmaat bepleit de raadsman dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn proceshouding, en dat sprake is van een ouder feit. De verdediging verzoekt de zaak af te doen met een straf waarbij de verdachte niet naar de gevangenis hoeft.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt bij de voorvragen vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Omdat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Tot die bewijsmiddelen behoren het proces-verbaal van aangifte namens de tennisvereniging met bijlagen, het proces-verbaal van verhoor van de verdachte en de verklaring die de verdachte ter terechtzitting aflegt.

De rechtbank acht de bekennende verklaringen van de verdachte betrouwbaar. De antwoorden die de verdachte ter zitting geeft zijn coherent en gedetailleerd en worden ondersteund door de gegevens uit het politieonderzoek en de bevindingen van de financiële werkgroep van de tennisvereniging. Uit die verklaringen volgt dat de verdachte als enige toegang had tot de bankrekening, dat de administratie en de kascontrolecommissie nooit vragen hebben gesteld en dat hem een jaarrekening over 2022 is getoond met een onjuist bedrag bij de post liquiditeit. Het verduisterde bedrag is opgegaan aan crypto-investeringen en gokplatforms, waarbij de gehanteerde methode van leverage trading meer weg heeft van gokken dan van investeren.

Met betrekking tot de gekwalificeerde grondslag volgt de rechtbank het eensluidende standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdediging. De verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel "uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking", omdat hij als bestuurder van de vereniging niet in een gezagsverhouding tot die vereniging stond. De toe-eigening wordt daardoor gekwalificeerd als de eenvoudige verduistering van artikel 321 Sr, en niet als de strafverzwaarde verduistering in dienstbetrekking.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

  • in de periode van 29 januari 2022 tot en met 8 augustus 2023 te Vught,

  • opzettelijk geldbedragen van in totaal ongeveer 454.450 euro, toebehorend aan de tennisvereniging,

  • welk goed hij anders dan door misdrijf onder zich had,

  • wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem meer of anders is ten laste gelegd, waaronder het onderdeel dat hij het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

Strafoplegging en maatregelen

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich gedurende anderhalf jaar schuldig heeft gemaakt aan de verduistering van een zeer aanzienlijk geldbedrag van een sportvereniging en daarmee het vertrouwen van de vereniging en haar leden heeft beschaamd. Waar de vereniging bij het aantreden van de verdachte financieel meer dan gezond was, kampt zij bij zijn vertrek met acute financiële problemen en is het geld voor geplande investeringen verdwenen. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsrapport en de medische stukken, waaruit volgt dat de verdachte is gediagnosticeerd met een gokverslaving en alcoholproblematiek die inmiddels in remissie zijn en waarvoor hij zich sinds 14 augustus 2023 laat behandelen. De reclassering schat het recidiverisico op laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. De rechtbank betrekt enerzijds dat het feit onder invloed van een verslaving is begaan, maar weegt anderzijds mee dat de verdachte zichzelf in die positie heeft gebracht door penningmeester te worden terwijl hij al verslaafd was en al het nodige privévermogen had vergokt. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte sinds 2 mei 2025 is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen voor een verlengde duur van 42 maanden en zijn salaris, behoudens de beslagvrije voet, afdraagt ten behoeve van de schuldeisers.

Gelet op het aanzienlijke bedrag acht de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt passend, maar zij ziet daarvan af vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het belang van de tennisvereniging dat de verdachte zijn baan kan behouden om zijn schulden verder in te lossen. De rechtbank legt een taakstraf op van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarmee volgt de rechtbank zowel de eis van het Openbaar Ministerie als het pleidooi van de verdediging.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij oordeelt de rechtbank dat de tennisvereniging niet-ontvankelijk is. De vereniging beschikt sinds 22 november 2023 al over een civielrechtelijk vonnis voor dezelfde vordering. De executie daarvan is door de WSNP slechts geschorst op grond van artikel 301 lid 2 Faillissementswet, hetgeen onverlet laat dat het vonnis na afloop van de WSNP alsnog ten uitvoer kan worden gelegd, afhankelijk van de vraag of de verdachte de schone lei krijgt toegekend en of die ook geldt voor de schuld aan de tennisvereniging. Dat oordeel is voorbehouden aan de WSNP-rechter en daarin treedt de strafrechter niet. De rechtbank concludeert dat de tennisvereniging geen belang heeft bij een herbeoordeling van haar vordering in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten, begroot op nihil.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^