Laserpen op politiehelikopter: geen opzet, wel schuld aan het veroorzaken van gevaar voor het luchtverkeer

Gerechtshof Amsterdam 23 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1371

Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt op 23 april 2026 een vrouw die vanaf haar dakterras herhaaldelijk en minutenlang met een laserpen op een laagvliegende politiehelikopter scheen. De helikopter was in het donker op 900 voet bezig met de opsporing van inbrekers boven Beverwijk toen de cockpit meermalen door een felgroene laserstraal werd verlicht. Het hof acht het primair tenlastegelegde opzettelijk veroorzaken van gevaar voor het luchtverkeer niet bewezen, omdat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevaar niet bewust heeft aanvaard. Wel oordeelt het hof dat zij aanmerkelijk onvoorzichtig en verwijtbaar heeft gehandeld, zodat het aan haar schuld is te wijten dat gevaar voor het luchtverkeer is ontstaan in de zin van artikel 165 Sr. Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en legt een geldboete van € 500 op naast een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met een proeftijd van twee jaren. Daarmee wijkt het hof af van de eis van de advocaat-generaal, die enkel een geheel voorwaardelijke taakstraf had gevorderd.

Inleiding en context

De zaak betreft een natuurlijke persoon, een in 1970 geboren vrouw die ten tijde van de berechting in Hongarije woont. Op zondag 17 maart 2024 omstreeks 20:30 uur bevindt zich boven Beverwijk een politiehelikopter op een vlieghoogte van 900 voet, bemand door twee hoofdinspecteurs van politie en een hoofdagent. De inzittenden vervullen op dat moment een politietaak en zoeken naar verdachten van een woninginbraak. Tijdens deze vlucht worden zij vanaf de grond meermalen aangestraald met een felle, krachtige groene laser, afkomstig van een dakterras waar volgens de waarnemingen vanuit de helikopter een vrouw de laser vanuit de hand bedient. De verdachte verklaart ter terechtzitting dat zij vanaf haar dakterras met een laserpen in de lucht heeft geschenen. De zaak dient in hoger beroep, ingesteld namens de verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2024. Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de politierechter en vernietigt om die reden het vonnis waarvan beroep.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij gevaar heeft veroorzaakt voor het luchtverkeer door met een laserpen de cockpit van de politiehelikopter aan te stralen, met als gevolg dat de bemanning de ogen moest sluiten, het hoofd moest afwenden, verblind of gedesoriënteerd raakte en het zicht op de vlieginstrumenten werd belemmerd. De tenlastelegging is opgebouwd in drie varianten. Primair is de opzettelijke gevaarzetting voor het luchtverkeer ten laste gelegd, subsidiair de schuldvariant en meer subsidiair een lichtere variant waarbij gevaar voor of hindering van het luchtverkeer wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt. De subsidiair bewezenverklaarde schuldvariant wordt door het hof gekwalificeerd onder artikel 165 Sr. De opzettelijke tegenhanger daarvan wordt door het hof niet als zodanig genummerd, nu het tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde komt; in de toepasselijke wettelijke voorschriften noemt het hof uitsluitend artikel 165 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte daarvoor wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert een bewijsverweer en verzoekt om vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Zij stelt dat de verdachte weliswaar met een laserpen in de lucht heeft geschenen, naar eigen zeggen om contact te maken met buitenaards leven, maar dat opzet op het veroorzaken van gevaar voor de helikopter ontbreekt, ook in voorwaardelijke zin, en dat haar handelen evenmin als verwijtbaar onvoorzichtig kan worden aangemerkt. Het handelen komt volgens de verdediging enkel voort uit naïviteit, onwetendheid en een persoonlijke overtuiging. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof. In het kader van de strafmaat verzoekt de raadsvrouw primair om toepassing van het rechterlijk pardon, nu de verdachte zich van geen kwaad bewust is geweest, een first offender is en de kans op herhaling nihil is. Subsidiair verzoekt zij om een geheel voorwaardelijke geldboete of taakstraf, mede omdat de verdachte weer in Hongarije woont.

Oordeel gerecht

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte meerdere keren gericht op de helikopter heeft geschenen en dat zij wist dat zij haar laserpen op een politiehelikopter richtte. De verklaring dat zij dit niet zou hebben geweten acht het hof ongeloofwaardig, gelet op de duidelijke verlichting van een helikopter in het donker, het harde geluid van een laag vliegend toestel en de omstandigheid dat de verdachte buiten op haar dakterras stond. Daarbij betrekt het hof dat zij tijdens haar voorgeleiding heeft verklaard dat zij niet wist dat het verboden was om met een laser naar een piloot te schijnen en dat zij het wel funny vond.

Op het centrale punt van het opzet komt het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op het veroorzaken van gevaar voor het luchtverkeer, ook niet in voorwaardelijke zin. Er was weliswaar sprake van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van gevaar, maar uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. De enkele wetenschap van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden is daarvoor onvoldoende. Van de gedragingen kan niet worden gezegd dat zij zozeer waren gericht op het veroorzaken van gevaar dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard; dat verhoudt zich volgens het hof in het bijzonder niet tot haar onjuiste veronderstelling dat haar handelen funny was.

Het hof oordeelt vervolgens dat de verdachte wel aanmerkelijk onvoorzichtig en verwijtbaar heeft gehandeld en dat het daarmee aan haar schuld is te wijten dat gevaar voor het luchtverkeer is ontstaan. Het subsidiair tenlastegelegde, de schuldvariant, acht het hof daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht het subsidiair tenlastegelegde bewezen, met dien verstande dat de verdachte op 17 maart 2024 te Beverwijk gevaar heeft veroorzaakt voor het luchtverkeer door met een in werking zijnde laserpen de cockpit van een politiehelikopter aan te stralen, terwijl die helikopter op een hoogte van 900 voet in het donker vloog en bezig was met het opsporen van verdachten van een woninginbraak, met als gevolg dat:

  • De Pilot Flying, de Pilot Non Flying en de Tactical Flight Officer hun hoofd moesten afwenden van de laserstraal,

  • De Pilot Flying en de Pilot Non Flying werden gehinderd in het zicht op de vlieginstrumenten en werden afgeleid van hun taak,

zodat het aan haar schuld is te wijten dat toen en daar gevaar is ontstaan voor het luchtverkeer. Van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof bepaalt de straf op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het rekent de verdachte haar aanmerkelijk onvoorzichtige gedrag jegens een kwetsbaar, laag vliegend luchtvaartuig aan en acht de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende recht doen aan de aard en ernst van het feit. In beginsel acht het hof, met het oog op de ernst van het feit en de generale preventie, een geheel onvoorwaardelijke straf gerechtvaardigd. In de proceshouding van de verdachte, die zeer is geschrokken van de aanhouding, zich schaamt en inmiddels het gevaar van haar handelen begrijpt, en in haar woonplaats in Hongarije ziet het hof echter aanleiding om naast een geldboete een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis, te voldoen in twee termijnen van twee maanden van elk € 250. Daarnaast legt het hof een taakstraf op voor de duur van 60 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het verzoek om toepassing van het rechterlijk pardon wordt daarmee niet gehonoreerd. Het hof wijkt af van de eis van de advocaat-generaal door, anders dan gevorderd, naast de voorwaardelijke taakstraf een onvoorwaardelijke geldboete op te leggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^