Opzettelijk onjuiste aangiften vennootschaps- en omzetbelasting door boekhoudkantoor en zijn bestuurder na verwerking van een factuur als lening

Rechtbank Oost-Brabant 14 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6599 en ECLI:NL:RBOBR:2026:6597

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt in het onderzoek Gotham een boekhoudkantoor en zijn bestuurder, destijds accountant, voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting over 2016 en een onjuiste aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016. Een factuur van € 181.500 aan een opdrachtgever is in de administratie als lening verwerkt en in beide aangiften buiten beschouwing gelaten. De rechtbank verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is wegens schending van het AAFD-protocol en een onevenredig zware doorzoeking door de FIOD. Het verweer dat de fout aan stress is te wijten en niet opzettelijk is begaan, slaagt evenmin: de bestuurder wist dat over het factuurbedrag belasting verschuldigd was. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met bijna drie jaar en de ouderdom van de feiten legt de rechtbank de bestuurder een taakstraf van 30 uur op, de helft van de eis. De vennootschap wordt schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, conform de eis van de officier van justitie.

Inleiding en context

De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, wijst in het onderzoek Gotham op dezelfde dag twee vonnissen in eerste aanleg. Het eerste vonnis betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1967, destijds accountant en enig aandeelhouder en bestuurder van een boekhoudkantoor. Het tweede vonnis betreft dat boekhoudkantoor zelf, een rechtspersoon die ter zitting wordt vertegenwoordigd door haar bestuurder. Beide zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 februari 2026 en behandeld ter terechtzitting van 31 augustus 2026. De verdachte wordt vervolgd als feitelijk leidinggever van de gedragingen van de vennootschap.

Het feitencomplex is in beide zaken gelijk. De vennootschap verricht boekhoudkundige werkzaamheden, onder meer voor een opdrachtgever. Die opdrachtgever ontvangt op 1 oktober 2016 een factuur van € 181.500, bestaande uit € 150.000 voor verrichte en nog te verrichten werkzaamheden en € 31.500 aan omzetbelasting. De opdrachtgever voldoet de factuur op 4 oktober 2016 op de zakelijke rekening van de vennootschap en neemt de omzetbelasting mee in haar eigen aangiften. In de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016 en de aangifte vennootschapsbelasting over 2016 van de vennootschap is de factuur niet verwerkt. Op 14 oktober 2021 doorzoekt de FIOD het bedrijfspand.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De vennootschap wordt verweten dat zij op of omstreeks 11 februari 2018 opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte vennootschapsbelasting over 2016 heeft gedaan door een onjuist belastbaar bedrag op te geven (feit 1), en dat zij op of omstreeks 31 januari 2017 opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016 heeft gedaan door een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven (feit 2), telkens terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Aan de bestuurder wordt verweten dat hij tot deze feiten opdracht heeft gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Het wettelijk kader wordt gevormd door de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Centraal staat het bestanddeel opzet.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat het AAFD-protocol is nageleefd. Voor de vervolgingsbeslissing is onder meer de professionele rol van de verdachte als accountant en zijn maatschappelijke functie van belang, een factor die het protocol zelf noemt. De inzet van het team bijzondere bijstand bij de doorzoeking is in algemene zin noodzakelijk om de veiligheid van de doorzoeking te garanderen en geldt voor alle doorzoekingen van de FIOD. De officier van justitie acht het ten laste gelegde in beide zaken wettig en overtuigend bewezen. Tegen de bestuurder eist zij een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vennootschap eist zij schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert in beide zaken een gelijkluidend niet-ontvankelijkheidsverweer op grond van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Ten eerste heeft het Openbaar Ministerie het AAFD-protocol niet nageleefd, omdat is vervolgd terwijl het vermeende benadelingsbedrag minder dan € 100.000 bedraagt, hetgeen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Ten tweede is het doel van de doorzoeking onduidelijk gebleven, terwijl de FIOD daarbij een onevenredig zware politiemacht heeft ingezet. Dat doet vermoeden dat de doorzoeking een ander doel diende, temeer omdat de FIOD al beschikte over de informatie die zij stelde te zoeken.

Als bewijsverweer voert de verdediging aan dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor opzet bestaat. Dat geen creditfactuur is opgemaakt en dat de factuur niet juist in de boekhouding is verwerkt, is een fout die te wijten is aan stress in een onstuimige periode.

In de zaak tegen de bestuurder verzoekt de raadsman bij de strafmaat rekening te houden met het onrechtmatige karakter van de doorzoeking, het feit dat de verdachte zijn accountantstitel als gevolg van deze zaak zelf heeft ingeleverd en de forse overschrijding van de redelijke termijn. In de zaak tegen de vennootschap voert de verdediging, gelet op de eis van de officier van justitie, geen strafmaatverweren.

Oordeel gerecht

De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer. Uit de aanmeldingscriteria van het AAFD-protocol blijkt dat een zaak ook bij een vermoeden van opzet voor strafrechtelijke afdoening kan worden aangemeld, en opzet wordt de verdachte verweten. Zijn hoedanigheid als accountant is bovendien uitdrukkelijk genoemd onder de aanvullende wegingscriteria. De inzet van het team bijzondere bijstand levert geen vormverzuim op. Doorzoekingen, ook in financiële onderzoeken, brengen veiligheidsrisico's voor opsporingsambtenaren mee en vooraf is nooit duidelijk wat op een locatie wordt aangetroffen. Dat de verdachte aan de doorzoeking heeft meegewerkt, betekent niet dat de inzet buitensporig was. De rechtbank betreurt dat de doorzoeking als heftig is ervaren, maar dat maakt niet dat sprake is van een vormverzuim. Van een ander doel dan het doel op de machtiging is niet gebleken, en dat de FIOD achteraf bezien al over een deel van de gezochte bescheiden beschikte, verandert daaraan niets. De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd en er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

Bij de bewijsvraag stelt de rechtbank vast dat de bestuurder in 2016 als enige verantwoordelijk was voor de boekhouding en de aangiften van de vennootschap en dat niet ter discussie staat dat de aangiften onjuist zijn gedaan. De vraag is of dat opzettelijk is gebeurd. De bestuurder heeft bij de FIOD verklaard dat het ontvangen bedrag als lening in de administratie is verwerkt, omdat de vennootschap schulden had die moesten worden terugbetaald en daarvoor de liquiditeit ontbrak. Met de betrokken partijen zou na ontvangst zijn besproken dat het bedrag als lening mocht of moest worden gezien.

De rechtbank oordeelt dat de bestuurder de aangiften heeft ingediend terwijl hij wist dat deze niet strookten met de werkelijkheid. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij weet dat hij vanaf de verzending van een factuur met belasting gehouden is die belasting op te geven en af te dragen. Van een accountant wordt die kennis verondersteld, en de bestuurder heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij dit wist. Dat hij het bedrag naar zijn mening als lening mocht aanmerken, doet daaraan niet af. Hij wist dat hij, als de factuur ten onrechte was verstuurd, een creditfactuur en een leningsovereenkomst had moeten opmaken. Nu dat ook later is nagelaten, is de vennootschap over het factuurbedrag belastingplichtig gebleven. Het impliciete standpunt dat hij de wet niet willens en wetens heeft willen overtreden, maakt dit niet anders: hij wist dat de vennootschap belastingplichtig was en heeft de omzet niet opgegeven. Mede gelet op zijn beroep kan dit redelijkerwijs niet anders dan een bewuste keuze zijn geweest.

De gedragingen vonden plaats in de sfeer van de vennootschap, pasten in haar normale bedrijfsvoering en waren haar dienstig, omdat zij daardoor minder belasting heeft afgedragen. De rechtbank rekent de feiten daarom aan de vennootschap toe. Omdat de bestuurder als enige verantwoordelijk was voor de boekhouding en de aangiften en ten tijde van de feiten enig aandeelhouder en bestuurder was, heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de vennootschap bewezen:

  • Feit 1: het op 11 februari 2018 opzettelijk onjuist doen van een digitale aangifte vennootschapsbelasting over 2016 door een onjuist belastbaar bedrag op te geven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

  • Feit 2: het op 31 januari 2017 opzettelijk onjuist doen van een digitale aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016 door een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Ten aanzien van de bestuurder verklaart de rechtbank bewezen dat hij aan beide verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Van het meer of anders ten laste gelegde, waaronder medeplegen en het opdracht geven, worden beide verdachten vrijgesproken. Het bewezene levert telkens op: als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen deze onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, en voor de bestuurder het feitelijk leidinggeven daaraan.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank overweegt dat de aangiften opzettelijk onjuist zijn gedaan, dat de verdachten uitsluitend hun eigen financiële gewin op het oog hadden en dat de rijksschatkist in totaal € 61.500 aan belasting is misgelopen. De bestuurder heeft betoogd dat hij onder grote externe druk handelde, maar hij heeft de risico's voor zichzelf, zijn bedrijf en zijn klanten ook later, toen de rust was weergekeerd en hij de aangiften deed, niet beperkt of ongedaan gemaakt. De houding dat het wel los zou lopen rekent de rechtbank hem aan, zeker gezien zijn functie als accountant.

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is geschonden. De rechtbank neemt de doorzoeking van 14 oktober 2021 als aanvangsmoment. Het tijdsverloop is niet aan de verdediging toe te rekenen en er is geen reden af te wijken van het uitgangspunt van twee jaar voor berechting in eerste aanleg. De overschrijding bedraagt 2 jaar, 11 maanden en 1 dag. De feiten zijn bovendien meer dan acht jaar geleden begaan. Beide omstandigheden werken strafmatigend.

Voor de bestuurder weegt de rechtbank verder mee dat de doorzoeking en de strafzaak, hoewel niet onrechtmatig, een ingrijpende en blijvende impact op zijn leven hebben gehad, onder meer omdat hij moest stoppen als accountant. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 juli 2026 blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank legt een lichtere straf op dan geëist: een taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis. De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 51 en 57 Sr en de artikelen 68 en 69 AWR.

Voor de vennootschap blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie dat zij eenmaal een onherroepelijke strafbeschikking heeft gekregen voor het niet publiceren van een jaarrekening. De bestuurder is door het strafrechtelijk onderzoek gestopt als accountant, het is onduidelijk of hij ooit weer in dat beroep aan het werk kan en hij heeft ander werk gekozen; de vennootschap voert daarom geen werkzaamheden meer uit. Hoewel sprake is van een ernstig strafbaar feit, bepaalt de rechtbank gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn, de persoon van de enig bestuurder en de omstandigheden waaronder het feit is begaan en die zich daarna hebben voorgedaan, dat aan de vennootschap geen straf of maatregel wordt opgelegd. Dat is in overeenstemming met de eis.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de bestuurder en hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de vennootschap.

Print Friendly and PDF ^