Teruggave van € 66.900 aan contant geld na beklag: legale herkomst uit schadevergoeding onderbouwd, wantrouwen jegens banken maakt geld niet verdacht

Rechtbank Gelderland 19 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6662

De rechtbank Gelderland verklaart een beklag op grond van artikel 552a Sv gegrond en gelast de teruggave van € 66.900 aan contant geld dat op 23 oktober 2025 onder de zwager van klager in beslag is genomen wegens verdenking van witwassen. Klager toont met een vonnis van de rechtbank Limburg, een betaling van het CJIB, bankafschriften en stukken over de verkoop van zijn auto aan dat hij over een aanzienlijk bedrag uit legale bron kan beschikken. Dat hij zijn geld stelselmatig pint en contant verstopt omdat hij geen vertrouwen heeft in banken, acht de rechtbank ongebruikelijk maar niet op voorhand verdacht. Het Openbaar Ministerie stelt daar in het kader van de genuanceerde bewijslastverdeling bij witwassen niets tegenover, behalve dat de verklaring niet aannemelijk is. De rechtbank overweegt dat de bewijslast uiteindelijk bij het Openbaar Ministerie ligt en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het geld later verbeurd verklaart of onttrekt aan het verkeer. De beschikking staat open voor beroep in cassatie door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen.

Inleiding en context

Het gaat om een beschikking van de raadkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv. Klager is een natuurlijk persoon, geboren in 1982 op Curaçao, die ten tijde van de behandeling is gedetineerd. De beschikking vermeldt in de kop de enkelvoudige raadkamer; de inhoudsindicatie op rechtspraak.nl spreekt van eerste aanleg meervoudig.

Op 23 oktober 2025 wordt onder de beslagene, de zwager van klager, een contant geldbedrag van € 66.900 in beslag genomen. Het geld zit in plastic tassen onder een kinderzitje dat los op de achterbank ligt van de auto die de beslagene bestuurt. De auto is staande gehouden omdat het kenteken is gesignaleerd in verband met mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten. De beslagene wordt aangehouden op verdenking van witwassen en legt bij de politie geen verklaring af. In reactie op de zogenoemde dertigdagenbrief laat zijn raadsman op 21 november 2025 per e-mail weten dat het geld niet van de beslagene is, maar van klager.

Het klaagschrift wordt op 12 mei 2026 ter griffie ontvangen. De behandeling in openbare raadkamer vindt plaats op 5 augustus 2026, waarbij klager, zijn advocaat en de officier van justitie worden gehoord. De beslagene verschijnt niet, hoewel hij goed is opgeroepen. Ter zitting wordt afgesproken dat klager nog stukken mag indienen ter onderbouwing van de door hem gestelde schadevergoeding. Op 12 augustus 2026 stuurt hij die stukken toe, met kopie aan het Openbaar Ministerie.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Er is geen tenlastelegging aan de orde; het betreft een beklagprocedure over inbeslaggenomen geld. Het beslag berust op de verdenking van witwassen tegen de beslagene. De rechtbank toetst op grond van artikel 552a Sv en stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt, zodat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. De beoordeling draait om twee vragen: wie is de eigenaar van het geld, en is aannemelijk dat het uit legale bron afkomstig is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave. Hij acht de verklaring van klager onaannemelijk en stelt dat het geld niet van legale afkomst is. Het strafvorderlijk belang moet volgens hem prevaleren boven het persoonlijk belang van klager. Ter zitting wijst de officier van justitie er verder op dat de voormalige partner van klager heeft verklaard niet te hebben geweten dat het geld in het kinderzitje was verstopt en dat zij het zitje anders nooit bij haar broer zou hebben achtergelaten.

Standpunt van de verdediging

Klager voert aan dat het onder de beslagene inbeslaggenomen geld aan hem toebehoort. Hij heeft na een liquidatiepoging een grote schadevergoeding ontvangen, in totaal meer dan € 200.000 inclusief rente. Omdat hij geen vertrouwen heeft in banken, pint hij zijn geld zoveel als de bank toestaat en bewaart hij het contant op diverse verstopplaatsen, onder meer in het kinderzitje van zijn zoontje. Ter onderbouwing legt hij pintransacties over en een brief van ING waaruit blijkt dat hij in totaal € 48.256 contant heeft opgenomen. In die brief vraagt de bank hem in het kader van haar wettelijke onderzoeksplicht om opheldering over de bestedingsdoelen, mede omdat klager voorkomt in berichtgeving over criminele activiteiten; eerdere vragen daarover heeft hij niet willen beantwoorden. Verder stelt klager dat hij op 16 januari 2025 zijn auto heeft verkocht voor € 39.000, waarvan € 21.000 contant is betaald en € 18.000 per bank. Zijn voormalige partner bevestigt dat hij geen vertrouwen heeft in banken en zijn geld verstopt, ook in kinderzitjes. Zij verklaart dat zij op 23 oktober 2025 haar zoontje en het kinderzitje bij haar broer heeft achtergelaten om ze later op te halen, en pas nadien hoorde dat haar broer was aangehouden met een groot geldbedrag in dat zitje.

Na de zitting legt klager een vonnis over van de rechtbank Limburg van 26 oktober 2023 over een poging tot moord op hem, waarbij hij zeer ernstig gewond is geraakt met blijvend letsel. De schutter en enkele anderen zijn daarvoor veroordeeld en aan klager is een schadevergoeding van € 178.840 toegekend, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit een e-mail van Slachtofferhulp blijkt dat het CJIB op 8 juli 2024 een bedrag van € 202.715,28 inclusief wettelijke rente op zijn bankrekening heeft overgemaakt.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht zich bevoegd en verklaart klager ontvankelijk, nu het beklag schriftelijk is gedaan en binnen twee jaar na de inbeslagneming is ingediend.

De rechtbank stelt vast dat klager over een aanzienlijk bedrag kon beschikken, wat het Openbaar Ministerie ook nooit heeft bestreden. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat klager zeer regelmatig bedragen contant heeft opgenomen, opgeteld ten minste € 48.256. Samen met de contante opbrengst van de autoverkoop van € 21.000 is daarmee verklaard dat hij op de dag van de inbeslagname gemakkelijk over € 66.900 kon beschikken. Ook dit is door het Openbaar Ministerie niet bestreden. De beslagene heeft via zijn raadsman verklaard dat het geld van klager is.

De rechtbank verwerpt het bezwaar van het Openbaar Ministerie tegen de geloofwaardigheid van de verklaring dat klager geen vertrouwen heeft in banken. Dat de voormalige partner van dit concrete bedrag niets wist, maakt de verklaring niet ongeloofwaardig, te meer nu zij bevestigt dat klager zijn geld verstopt, ook in kinderzitjes, en de relatie toen kennelijk al voorbij was. De rechtbank overweegt dat het gros van de mensen zijn geld aan banken toevertrouwt, maar dat dit niet verplicht en evenmin strafbaar is. De vraag is of het per definitie verdacht is, en verdacht genoeg om tot witwassen te concluderen.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de bewijslast voor strafbaar handelen bij het Openbaar Ministerie ligt. Bij de verdenking van witwassen is in de rechtspraak een subtielere bewijslastverdeling ontwikkeld: bij het aantreffen van geld of waardevolle objecten waarvan de legale herkomst niet aanstonds duidelijk is, wordt de beslagene of verdachte in de gelegenheid gesteld een verklaring voor de legale herkomst te geven. Als die verklaring niet op voorhand onaannemelijk en verifieerbaar is, is het vervolgens aan het Openbaar Ministerie om die verklaring te toetsen en eventueel aan de hand van nieuw bewijsmateriaal aan te tonen dat zij niet juist is of niet juist kan zijn. Dat laatste is hier geheel achterwege gebleven. Klager heeft omstandig, onder verwijzing naar documenten uit neutrale bron, aangetoond dat hij over dit geld uit legale bron kon beschikken. Het Openbaar Ministerie kan dan niet volstaan met de enkele stelling dat het allemaal niet aannemelijk is. Ook het gegeven dat klager zich in de onderwereld ophoudt of heeft opgehouden, is in het licht van wat hij heeft aangevoerd onvoldoende om te concluderen dat het dan wel crimineel geld zal zijn.

De rechtbank concludeert, voorshands oordelend, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren of aan het verkeer zal onttrekken.

Bewezenverklaring

De beschikking bevat geen bewezenverklaring; het betreft een beklagprocedure over de teruggave van inbeslaggenomen geld en geen beslissing in een hoofdzaak.

Strafoplegging en maatregelen

Er wordt geen straf of maatregel opgelegd. De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van € 66.900 aan klager. Daarmee wijkt de rechtbank af van het standpunt van het Openbaar Ministerie, dat zich tegen teruggave verzet. Tegen de beschikking staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen binnen veertien dagen na dagtekening.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^