Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in een nieuwe ontnemingsvordering na onherroepelijke niet-ontvankelijkverklaring

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1827

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch buigt zich in hoger beroep over de vraag of het Openbaar Ministerie een nieuwe ontnemingsvordering mag aanbrengen nadat de officier van justitie eerder onherroepelijk niet-ontvankelijk is verklaard in een ontnemingsvordering. Het hof oordeelt dat artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht daaraan niet in de weg staat zolang de onderliggende strafzaak nog niet onherroepelijk is afgedaan. De enige voorwaarde is dat de nieuwe vordering binnen de tweejaarstermijn van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering wordt ingediend, en daaraan is voldaan. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen, omdat de veroordeelde aan de uitlatingen van de toenmalige advocaat-generaal geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen. Het hof vernietigt het vonnis en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 65.948,67, na aftrek van een bedrag waarvoor in de strafzaak vrijspraak volgt en van een reeds terugbetaald bedrag. Aan de veroordeelde wordt de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzeling van ten hoogste 659 dagen.

Inleiding en context

De zaak betreft een ontnemingsprocedure tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1972. Bij arrest van dezelfde datum in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-003339-24) is de veroordeelde schuldig bevonden aan meermalen gepleegde diefstal en aan verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd.

De procesgang gaat vooraf aan de kern van dit arrest. Bij vonnis van 15 juni 2022 verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging in de strafzaak, en bij vonnis van dezelfde datum niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering. Het Openbaar Ministerie stelt alleen tegen het vonnis in de strafzaak hoger beroep in. Namens de veroordeelde wordt in geen van beide zaken hoger beroep ingesteld, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring in de ontnemingsvordering onherroepelijk wordt. Bij arrest van 15 november 2023 vernietigt het hof het vonnis in de strafzaak, verklaart het de officier van justitie alsnog ontvankelijk en wijst het de strafzaak terug naar de rechtbank. Vervolgens brengt het Openbaar Ministerie op 11 september 2024 een nieuwe ontnemingsvordering aan, die op 29 oktober 2024 in persoon aan de veroordeelde wordt betekend. De rechtbank Oost-Brabant stelt bij vonnis van 2 december 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 115.948,67 en legt een betalingsverplichting van dat bedrag op. Namens de veroordeelde is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering en wettelijk kader

De vordering strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Centraal in het hoger beroep staat de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in deze nieuwe ontnemingsvordering. Daarbij komt het aan op artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (ne bis in idem), op de tweejaarstermijn van artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en op het vertrouwensbeginsel. Voor de bepaling van de gijzeling zijn artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering van belang.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 11 september 2024 strekt tot betaling van € 134.324,42. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 november 2024 matigt de officier van justitie deze vordering tot € 39.275,00.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis waarvan beroep bevestigt.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaart in de ontnemingsvordering, op twee gronden.

Het eerste verweer berust op artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Het aanbrengen van een ontnemingsvordering nadat de officier van justitie bij onherroepelijke rechterlijke beslissing niet-ontvankelijk is verklaard in de eerdere ontnemingsvordering, is volgens de verdediging in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel.

Het tweede verweer berust op het vertrouwensbeginsel. De veroordeelde mocht er volgens de verdediging op vertrouwen dat het Openbaar Ministerie niet opnieuw een ontnemingsvordering zou aanbrengen. De verdediging beroept zich op uitlatingen van de toenmalige advocaat-generaal tijdens de behandeling van het hoger beroep tegen het vonnis van 15 juni 2022 in de strafzaak. Die zou toen hebben gezegd dat de ontnemingsprocedure wat hem betreft onherroepelijk was afgedaan, nu het Openbaar Ministerie geen hoger beroep had ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring in de ontnemingsvordering. De verdediging doet een voorwaardelijk verzoek om de toenmalige advocaat-generaal als getuige te horen.

Oordeel gerecht

Het hof verwerpt het beroep op artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Onder verwijzing naar HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258, rechtsoverweging 2.5, overweegt het hof dat artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht alleen betrekking heeft op onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij door middel van een einduitspraak in de zin van de artikelen 350 tot en met 352 van het Wetboek van Strafvordering over de vervolging in de hoofdzaak is beslist, en dat de ontnemingsprocedure een onderdeel van die vervolging vormt. Zolang de strafzaak waaraan de ontnemingszaak is gebonden niet onherroepelijk is afgedaan, staat artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht er niet aan in de weg dat de ontnemingszaak bij nieuwe vordering opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, ondanks een eerdere einduitspraak waarin niet ten gronde over de vordering is beslist, zoals de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. De enige voorwaarde is dat de nieuwe vordering binnen de tweejaarstermijn van artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt gedaan. Het hof stelt vast dat daaraan in deze zaak is voldaan.

Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Een bij een verdachte opgewekt vertrouwen dat hij niet verder zal worden vervolgd, kan alleen tot niet-ontvankelijkverklaring leiden indien dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is (het hof verwijst onder meer naar HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2982, rechtsoverweging 2.3). Daarvan is hier geen sprake. De toenmalige advocaat-generaal trad ter terechtzitting op als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, maar het vervolgingsbeleid van die instantie wordt niet door hem alleen bepaald, wat ook tot uitdrukking komt in zijn woorden 'wat mij betreft'. Op dezelfde grond gaat het hof voorbij aan het voorwaardelijke verzoek om de toenmalige advocaat-generaal als getuige te horen. Het hof verwerpt het tot niet-ontvankelijkverklaring strekkende verweer in al zijn onderdelen.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel verenigt het hof zich met de vaststelling van de rechtbank voor zover die betrekking heeft op feit 1 primair en subsidiair en feit 2, samen € 123.832,05. In de onderliggende strafzaak verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 3 primair en spreekt het de veroordeelde vrij van de onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde verduistering van € 50.000,00. Gelet op die vrijspraak kan het bedrag van € 50.000,00, gezien de Geerings-jurisprudentie, niet als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking komen. Het hof stelt het voordeel daarom vast op € 73.832,05 (€ 123.832,05 verminderd met € 50.000,00). Op dat bedrag brengt het hof het reeds aan de slachtoffers terugbetaalde bedrag van € 7.883,38 in mindering, zodat het geschatte voordeel uitkomt op € 65.948,67.

Bewezenverklaring

Dit betreft een ontnemingsprocedure. Er is geen bewezenverklaring aan de orde; de bewezen verklaarde feiten volgen uit het arrest in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-003339-24). In deze procedure stelt het hof uitsluitend het wederrechtelijk verkregen voordeel vast en legt het de daarmee samenhangende betalingsverplichting op.

Betalingsverplichting en gijzeling

Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 65.948,67 en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt het hof tevens de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt. Het hof hanteert voor elke € 100,00 van de betalingsverplichting één volle dag, met een wettelijk maximum van drie jaren, en bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 659 dagen.

De uitkomst is lager dan de advocaat-generaal vordert. De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis, waarin het voordeel op € 115.948,67 is vastgesteld. Het hof komt lager uit doordat het, gelet op de vrijspraak in de strafzaak, € 50.000,00 buiten beschouwing laat en het reeds terugbetaalde bedrag van € 7.883,38 in mindering brengt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^